Ik mis mijzelf – Waarom het verlangen om je verleden te herzien eindigt bij de vraag wie straks de knop bedient

Ik mis mijzelf - Waarom het verlangen om je verleden te herzien eindigt bij de vraag wie straks de knop bedient

Een knop die je verleden teruggeeft, en niemand vraagt wie hem bedient

 

Beste lezer,

Dit essay begon bij drie dingen die niet meer weggaan: een kortaf gezegde zin tegen een vader die er niet meer is om hem terug te horen, een dronken avond waarop een boom onmogelijk niet opzij kon gaan, en een trein die met twee minuten werd gemist waardoor een heel leven een andere afslag nam. De Franse film La Belle Époque laat zien hoever mensen willen gaan om zulke momenten nog één keer te betreden, met decor en acteurs en al. Ik vroeg me af waarom je daar nog decor voor nodig zou hebben, als een implantaat straks hetzelfde gevoel rechtstreeks kan opwekken.

Dat bleek geen onschuldige vraag. Ze loopt via Nozick, die zijn eigen beroemdste gedachte-experiment vijftien jaar later zelf ging betwijfelen, via het bewijs dat een herinnering nooit een vaste videoband is maar bij elke terughaling opnieuw wordt geschreven, via een Black Mirror-aflevering die precies voordoet hoe eindeloos herhalen een huwelijk sloopt in plaats van redt, en via de mierenhoop, waarvan de biologie de vergelijking hardnekkig tegenwerkt in plaats van bevestigt. Ze eindigt bij de vraag die er het meest toe doet en die maar weinig mensen zich stellen zodra ze zo’n implantaat zouden overwegen: niet of jij op de knop zou drukken, maar wie hem straks bedient, en waarom.

Bijgevoegd het essay, met de literatuurlijst voor wie verder wil lezen. Geen troostrijk antwoord, wel een reden om die nostalgische fantasie iets scherper te bekijken dan op de bank vaak gebeurt.

Peter Koopman

 

 

Ik mis mijzelf

Waarom het verlangen om je verleden te herzien eindigt bij de vraag wie straks de knop bedient

Namen en jaartallen zijn hier bewust grotendeels weggelaten uit de lopende tekst voor de leesbaarheid; de volledige bronnen staan in de literatuurlijst achterin.

  1. Drie momenten die niet meer weg willen

Er zijn van die zinnen die je nooit meer kunt terugnemen, juist omdat de persoon aan wie ze gericht waren er niet meer is om ze te horen en recht te zetten. Iets kortafs gezegd tegen een vader op een verjaardag, een jaar voor zijn dood, om een reden die je nu niet eens meer kunt reconstrueren. Er zijn van die avonden waarop drank je overtuigde dat een boom wel opzij zou gaan, een illusie van almacht die je op klaarlichte dag nooit zou hebben aangenomen en die je alleen overleefde bij toeval, niet bij verstand. En er is die trein die je met twee minuten miste, waardoor je op het volgende perron iemand ontmoette, of juist niet ontmoette, en je leven een andere afslag nam dan gepland.

Drie momenten, drie verschillende soorten spijt, en toch dezelfde reflex erachter: het verlangen om er nog één keer bij te kunnen, niet als toeschouwer maar als deelnemer, met de kennis van nu ingebouwd in het lichaam van toen. De Franse film La Belle Époque, van regisseur Nicolas Bedos, zet die reflex letterlijk op het toneel: een bedrijf bouwt met decor en acteurs elk gewenst moment uit je verleden precies na, tot in de garderobe en het liedje op de radio, zodat een klant zijn eigen geschiedenis nog één keer kan betreden. Het is een tamelijk omslachtige vorm van theater. De vraag die mij bezighoudt is korter en enger: waarom decor en acteurs, als een implantaat, of een drug met de juiste precisie, hetzelfde gevoel rechtstreeks in het brein kan opwekken? Geen figuranten die je vader spelen, geen coulissen. Gewoon een knop, en het gevoel dat je er weer bij bent.

Serieus genomen raakt die knop drie compleet verschillende wetenschapsgebieden: wat spijt met een brein doet, of een herinnering ooit zuiver is terug te halen, en wat er met een samenleving gebeurt zodra ze haar eigen verleden niet meer zelf hoeft te dragen. Op alle drie fronten valt het antwoord onprettiger uit dan de fantasie.

  1. Nozick had dit al bedacht, en twijfelde later aan zichzelf

De filosoof Robert Nozick stelde een gedachte-experiment op dat sindsdien in bijna elke inleiding in de ethiek terugkeert: de experience machine. Sluit je aan op een apparaat dat elke gewenste ervaring foutloos simuleert, voor de rest van je leven, en vergeet zodra je erin zit dat het een simulatie is. Zou je het doen? De meeste mensen zeggen nee, en Nozick gebruikte die weigering om iets aan te tonen dat zijn utilitaristische tijdgenoten liever niet hoorden: geluk is niet het enige dat telt. We willen niet alleen het gevoel iets gedaan te hebben, we willen het ook daadwerkelijk gedaan hebben. Authenticiteit is geen garnering bovenop geluk, het is een aparte eis ernaast, en zodra je die eis wegneemt blijft er een leven over dat voelt als een leven maar er geen is.

Nozick werd overigens zelf onzekerder over zijn eigen conclusie. Jaren later herneemt hij de machine en erkent dat de weigering minder vanzelfsprekend is dan zijn oorspronkelijke argument suggereerde: misschien hechten we vooral aan de werkelijkheid omdat we haar nooit hebben moeten missen, en zou een generatie die opgroeit met permanente simulatie een heel andere intuïtie ontwikkelen. Dat is een ongemakkelijke voetnoot bij zijn eigen beroemdste argument, en precies het soort ongemak waar dit essay op uit is.

Wat in de drie openingsbeelden speelt, is trouwens geen simulatie van een vervangende werkelijkheid zoals bij Nozick, het is reparatie van de bestaande. Niet aansluiten op een nieuwe wereld: het oude moment herzien, het ongezegde alsnog zeggen, het mislukte gesprek herschrijven. Dat verschil lijkt subtiel, maar reparatiefantasieën hebben hun eigen literatuur, en die is een stuk minder opgewekt.

III. Drie soorten spijt, drie verschillende storingen

Neem de drie openingsbeelden apart, want het zijn geen uitwisselbare voorbeelden van hetzelfde gevoel.

Het gesprek dat nooit is afgemaakt met een dierbare die er niet meer is, is het oudste probleem van de drie, en de psychotherapie heeft er al decennia een lompe maar functionele oplossing voor: de lege stoel, ontwikkeld binnen de Gestalttherapie die Fritz Perls samen met Laura Perls en Paul Goodman in de jaren veertig en vijftig vormgaf. Je praat tegen een leeg meubelstuk alsof je ouder erin zit, en zegt alsnog wat je nooit zei. Bij sommige mensen werkt dat opvallend goed, niet omdat het meubelstuk iets magisch heeft maar omdat het brein weinig onderscheid maakt tussen een levendig voorgestelde confrontatie en een echte, zolang de emotionele lading maar overeenkomt. Klinisch onderzoek naar gecompliceerde rouw, met name het werk van Katherine Shear aan Columbia University, is voorzichtig positief over dit soort gestructureerde, eenmalige verwerking en somber over de variant zonder structuur: eindeloos, vrijblijvend terugspoelen van hetzelfde moment. Dat tweede patroon heet in de rouwliteratuur rumineren, en het voorspelt geen herstel, wel een langere en zwaardere rouw. Een implantaat dat onbeperkte herhaling toestaat zonder ooit een stopmoment in te bouwen, is dus niet automatisch therapie. Het kan net zo goed een oneindige lege stoel worden waar niemand meer uit opstaat.

De boom die wel opzij zou gaan, is geen spijt maar een chemisch ongeluk, en daarvoor is helemaal geen implantaat nodig. Alcohol myopia theory, geformuleerd door Claude Steele en Robert Josephs, beschrijft hoe alcohol de aandacht versmalt tot de meest opvallende prikkel van het moment: het gaspedaal, niet de boom; het plezier van de snelheid, niet de fysica ervan. Dat mechanisme heeft niets geheimzinnigs, het is een simpele beperking van verwerkingscapaciteit onder invloed. De biologie levert de storing er gratis bij, geen chip vereist.

De gemiste trein is de zuiverste van de drie, omdat hij geen schuld impliceert, alleen toeval. Daniel Kahneman en Dale Miller lieten met hun norm theory zien dat een gemiste trein van twee minuten zwaarder weegt dan een gemiste trein van een uur, terwijl de uitkomst identiek is, precies omdat de bijna-uitkomst dichterbij aanvoelt en makkelijker denkbaar is als ‘net anders gelopen’. Dat is geen rationele reactie op wat er feitelijk gebeurde, het is een reactie op hoe moeiteloos het brein een alternatief scenario kan bouwen. Bij zulke omslagpunten speelt ook wat psycholoog Dan McAdams narrative identity noemt: je bouwt achteraf een verhaal om het toeval heen, met dat ene moment als scharnier, waardoor het zwaarder gaat wegen dan het op het moment zelf woog. Je herinnert je niet de trein. Je herinnert je het verhaal dat je er sindsdien over vertelt.

  1. Het brein doet dit al, alleen knulliger

Hier wordt het pas echt ongemakkelijk voor de implantaatfantasie, want die veronderstelt een stabiel, terugspeelbaar bestand ergens in het hoofd, een soort videoband die je alleen nog hoeft te lokaliseren. Dat bestand bestaat niet. De Britse psycholoog Frederic Bartlett toonde dat al aan met experimenten waarin proefpersonen een onbekend verhaal moesten navertellen: bij elke volgende hervertelling werd het verhaal niet vager, het werd anders, netter, meer in lijn met wat de proefpersoon al geloofde. Bartlett noemde dat effort after meaning. Het brein herbouwt een herinnering telkens opnieuw rond wat het al voor waar houdt, in plaats van een kopie op te halen.

De neurowetenschap gaf dat idee decennia later een mechanisme. Karim Nader, Glenn Schafe en Joseph LeDoux publiceerden een studie waarin ze aantoonden dat een eenmaal opgeslagen angstherinnering, zodra ze wordt opgehaald, tijdelijk instabiel wordt en met nieuwe eiwitsynthese opnieuw moet worden vastgelegd voor ze weer stabiel is, reconsolidatie genoemd. Blokkeer die eiwitsynthese op het juiste moment, en de herinnering verzwakt aantoonbaar. De consequentie is ongemakkelijk: elke keer dat je iets ophaalt, schrijf je het een beetje over voor het weer wordt opgeborgen. Er is geen origineel meer om naar terug te keren. Er is alleen de laatste editie.

Wie denkt dat emotioneel geladen herinneringen daarvan zijn uitgezonderd, moet kijken naar wat er gebeurde met het nieuws over de ramp met de spaceshuttle Challenger. Ulric Neisser en Nicole Harsch ondervroegen studenten kort na de ramp over hoe ze het nieuws hadden gehoord, en enkele jaren later opnieuw. Een groot deel vertelde de tweede keer een andere versie dan de eerste, met evenveel zelfvertrouwen als toen. De term flashbulb memory, gemunt door Roger Brown en James Kulik, suggereert een foto met perfecte scherpte. De Challenger-studie liet zien dat het eerder een foto is die bij elke afdruk een beetje vervaagt en een beetje wordt bijgekleurd, zonder dat de eigenaar het doorheeft.

Wat een implantaat dus zou afspelen, is niet je verleden. Het is de meest recente, waarschijnlijk al aardig vervormde editie ervan, aangevuld met wat de software plausibel acht op de plekken waar het geheugen zelf gaten laat vallen. Dat is geen technische hobbel die over twintig jaar wordt opgelost. Het is hoe geheugen werkt, en een implantaat industrialiseert alleen een storing die er allang was, met betere belichting.

Om het niet eenzijdig somber te maken: precies die instabiliteit van reconsolidatie levert ook een van de weinige echt veelbelovende klinische toepassingen op dit terrein op. Alain Brunet en collega’s in Montreal lieten in een gerandomiseerde studie zien dat een bètablokker als propranolol, toegediend vlak voor het ophalen van een traumatische herinnering, de emotionele lading van die herinnering blijvend kan verzwakken doordat de instabiele, opnieuw op te slaan versie minder heftig wordt vastgelegd. Dat is geen sciencefiction, het gebeurt nu al in klinieken, bij mensen met posttraumatische stressstoornis die er patent baat bij hebben. Het verschil met de implantaatfantasie is precies waar het om draait: dit dooft een herinnering af tot ze hanteerbaar wordt, het bouwt geen mooiere versie die je op afroep kunt herbeleven. Verzwakken en verfraaien klinken als buren, maar de een geneest en de ander voedt precies de behoefte die hem in stand houdt.

  1. Wanneer herhalen een gevangenis wordt

Zelfs als je die onzuiverheid even wegcijfert, blijft de vraag wat eindeloze herhaling met een mens doet, en de fictie had daar al een antwoord op voordat de techniek bestond. In de Black Mirror-aflevering The Entire History of You heeft iedereen een implantaat dat elk moment van het leven opneemt en op verzoek teruggeeft, op een scherm of rechtstreeks op het netvlies. De hoofdpersoon gebruikt die functie om een vermoeden van overspel te toetsen, en spoelt hetzelfde etentje talloze keren terug, framebeeld voor framebeeld, op zoek naar een blik die het bewijst. Tegen het einde van de aflevering is zijn huwelijk meer beschadigd dan voor hij ook maar iets had teruggezien. Herhaling van een pijnlijk moment maakt het zelden ongedaan. Het graveert het dieper, en voegt bij elke afspeelbeurt een nieuwe laag interpretatie toe aan een gebeurtenis die inmiddels allang niet meer is wat ze was.

Dat spoort met wat exposure-therapie al veel eerder ontdekte over hoe angst wél afneemt: door herhaalde, gecontroleerde blootstelling aan de oorspronkelijke, onveranderde herinnering, tot het brein leert dat het gevaar voorbij is. Niet door een vriendelijkere versie van het verleden aan te bieden waar je je aan kunt vastklampen. Een implantaat dat op verzoek een verbeterde herhaling levert, doet het tegenovergestelde van therapie: het bevestigt precies het verlangen dat de klacht in stand houdt.

Er ligt onder dit alles ook een economisch mechanisme dat allang bekend is, alleen nog niet met deze precisie. B.F. Skinner liet in de jaren vijftig zien dat variabele beloningsschema’s, waarbij je niet elke keer maar soms een beloning krijgt, tot het hardnekkigste gedrag leiden dat er bestaat, hardnekkiger dan constante beloning. Sociale media draaien nu al op dat principe, met een generieke dopamineprikkel voor iedereen tegelijk. Een geheugenimplantaat zou hetzelfde mechanisme toepassen met een beloning die perfect op jouw eigen biografie is afgestemd. Psychiater Anna Lembke beschrijft hoe elke technologie die de afstand tussen verlangen en bevrediging verkleint verslavend werkt, of er nu een naald, een scherm of een chip bij komt kijken. Noem het gerust een drug met een universitaire graad.

  1. De mierenhoop, en waarom die metafoor zichzelf tegenspreekt

Dan de sprong die het meest interessant is en het minst vrijblijvend: van een individuele gewoonte naar een maatschappelijk patroon. Komt tevredenheid voortaan uit een implantaat in plaats van uit onderhandelde relaties, werk of politiek engagement, dan verdwijnt niet alleen individuele onrust. Ook de brandstof verdwijnt die mensen ooit aanzette om iets te veranderen.

Herbert Marcuse beschreef dat verschijnsel al: hoe geavanceerde industriële samenlevingen onvrede niet onderdrukken maar opzuigen, door haar van een uitlaatklep te voorzien die net genoeg bevrediging biedt om de wens tot echte verandering te laten verdampen. Hij noemde het repressieve desublimatie. Aldous Huxley leverde dat beeld al eerder met soma, het pilletje dat elke onvrede binnen een kwartier oplost, zonder bijwerkingen en zonder vragen. Neil Postman zette Huxley tegenover Orwell en trok de conclusie die inmiddels een cliché is geworden omdat hij klopt: wij worden niet kapotgemaakt door wat we haten, we worden kapotgemaakt door wat we liefhebben. Byung-Chul Han voegt daar een eigentijdse laag aan toe: een cultuur die pijn niet meer verwerkt maar wegdept, tot zelfs verdriet als storend wordt ervaren en weggeorganiseerd moet worden.

Hier verdient de mierenvergelijking, die zelf opdook in het gesprek waaruit dit essay ontstond, een eerlijke kanttekening, want de biologie werkt de metafoor eerder tegen dan mee. Mieren zijn wat bioloog E.O. Wilson eusociaal noemt: soorten waarin de meeste individuen voortplanting en autonomie opgeven voor het collectief. Gemeten in biomassa behoren mieren tot de succesvolste lichaamsplannen die de aarde ooit heeft voortgebracht, met afstand succesvoller dan onze eigen, individualistische soort in evolutionaire termen. Trek de vergelijking door, en de mierenhoop is niet overtuigend het verliezende model. Onze weerzin tegen de mierenhoop heeft misschien niets met overleving te maken en alles met een ijdelheid die de evolutie ons toevallig heeft meegegeven: het geloof dat autonomie een deugd is, in plaats van een kostbare, weinig efficiënte gewoonte. Geen prettige gedachte voor op een feestje, en precies daarom de moeite waard om hem hier wel te denken.

VII. Wie schrijft de herhaling

De vraag die overblijft, en die zwaarder weegt dan de vraag of het ooit werkt, is niet of we vrijwillig zouden aansluiten. Het is wie de software beheert zodra we dat doen.

Je zou kunnen tegenwerpen dat die vraag er niet toe doet, omdat een herinnering toch al toevallig tot stand komt: het brein onthoudt wat het toevallig belangrijk genoeg vond om op te slaan, dus wie daar later mee sleutelt zou net zomin uitmaken. Dat argument klinkt overtuigender dan het is, en de vergelijking met DNA laat precies zien waarom. Ook een genoom is het product van toeval, geschud door meiotische recombinatie waar niemand ooit inspraak in had. Toch bestaat er sinds 2008 in de Verenigde Staten de Genetic Information Nondiscrimination Act, juist omdat toevallige herkomst van data niets afdoet aan de schade die controle door een derde partij kan aanrichten. In 2018 werd de zogeheten Golden State Killer opgespoord via een publieke DNA-genealogiedatabase waar hij zelf nooit iets naar had geüpload; een verre, onwetende bloedverwant had dat gedaan. Willekeur van herkomst en relevantie van eigendom zijn twee verschillende assen, geen synoniemen. Wat toevallig ontstaat, kan nog altijd met opzet worden misbruikt.

De selectie die het brein maakt is bovendien allesbehalve neutraal, wat het woord ’toevallig’ te vriendelijk maakt. Onderzoek van James McGaugh en Larry Cahill naar de amygdala laat zien dat opslag zwaar gestuurd wordt door stresshormonen tijdens emotioneel geladen momenten, wat betekent dat wat ‘belangrijk genoeg’ wordt bevonden vooral over dreiging, status en verlies gaat. Een archief dat zo is samengesteld, is geen willekeurige steekproef van een leven. Het is een portret van waar iemand kwetsbaar voor is, en wie daar toegang toe krijgt, krijgt geen dataset. Hij krijgt een blauwdruk van iemands zwakke plekken.

Dan de zwaarste laag, de filosofische. John Locke stelde dat persoonlijke identiteit door de tijd heen wordt gedragen door geheugencontinuïteit: jij bent dezelfde persoon als de jij van gisteren voor zover je je gisteren herinnert. Derek Parfit werkte dat idee eeuwen later verder uit tot een keten van overlappende psychologische verbindingen in plaats van één ononderbroken draad. Geen van beiden dacht daarbij aan software, maar de consequentie ligt voor het oprapen: als een geheugen mede bepaalt wie je bent, dan is een instantie met toegang tot het bewerken van die geheugens geen dataverwerker die naast je staat. Het is een instantie die aan jouzelf zit te sleutelen, ongeacht hoe toevallig het eerste fragment ooit is binnengekomen. Niet het toeval bepaalt wie de eigenaar is; de eigenaar bepaalt wat het toeval straks betekent.

George Orwell ving dat griezelige gegeven, lang voordat er een chip voor nodig was, in zijn roman 1984 samen in één zin: wie het verleden beheerst, beheerst de toekomst, wie het heden beheerst, beheerst het verleden. Shoshana Zuboff gaf dat idee een hedendaagse, commerciële invulling: geen dictator die het verleden herschrijft uit ideologie, een bedrijf dat het herschrijft omdat betrokkenheid geld oplevert, en jouw kwetsbaarste herinneringen toevallig de betrokkenste van allemaal zijn. Sherry Turkle signaleerde al eerder de voorloper van dit patroon: technologie die gezelschap belooft zonder de eisen van een echte relatie, precies zoals een implantaat verzoening belooft zonder de moeite van een gesprek met iemand die nog leeft.

VIII. Wat overblijft

Dit essay begon bij een dode vader, een boom die niet opzij ging, en een trein die te vroeg vertrok. Geen van die drie momenten wordt beter van een implantaat, want geen van de drie machines onder de motorkap, rouw, roes, toeval, laat zich door herhaling helen. Rouw wil een afgerond ritueel, geen abonnement. Roes wil helemaal geen herhaling, alleen minder glazen. En toeval wil, hoe wreed ook, geaccepteerd worden als toeval, niet keer op keer herzien tot het een verhaal wordt met een schuldige erin.

Wat overblijft, is niet een apparaat dat je leven completer maakt. Het is een knop met een eigenaar. En de vraag die er in dit stuk het meest toe doet, is niet of jij ooit op die knop zou drukken. Het is wie er verdient aan het feit dat je dat waarschijnlijk zou doen.

Literatuur

Bartlett, F.C. (1932). Remembering: A Study in Experimental and Social Psychology. Cambridge University Press.

Bedos, N. (Regisseur). (2019). La Belle Époque [Film]. Cinéfrance Studios.

Brown, R. & Kulik, J. (1977). Flashbulb memories. Cognition, 5(1), 73-99.

Brunet, A. e.a. (2018). Reduction of PTSD Symptoms With Pre-Reactivation Propranolol Therapy: A Randomized Controlled Trial. American Journal of Psychiatry, 175(5).

Cahill, L. & McGaugh, J.L. (1996). Involvement of the amygdala in memory storage: Interaction with other brain systems. Proceedings of the National Academy of Sciences, 93(24).

Han, B-C. (2010). Müdigkeitsgesellschaft. Matthes & Seitz Berlin.

Han, B-C. (2020). Palliativgesellschaft: Schmerz heute. Matthes & Seitz Berlin.

Huxley, A. (1932). Brave New World. Chatto & Windus.

Kahneman, D. & Miller, D.T. (1986). Norm theory: Comparing reality to its alternatives. Psychological Review, 93(2).

Lembke, A. (2021). Dopamine Nation: Finding Balance in the Age of Indulgence. Dutton.

Locke, J. (1689). An Essay Concerning Human Understanding.

Marcuse, H. (1964). One-Dimensional Man: Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society. Beacon Press.

McAdams, D.P. & McLean, K.C. (2013). Narrative identity. Current Directions in Psychological Science, 22(3).

Nader, K., Schafe, G.E. & LeDoux, J.E. (2000). Fear memories require protein synthesis in the amygdala for reconsolidation after retrieval. Nature, 406.

Neisser, U. & Harsch, N. (1992). Phantom flashbulbs: False recollections of hearing the news about Challenger. In E. Winograd & U. Neisser (Eds.), Affect and Accuracy in Recall. Cambridge University Press.

NPR. (2018, 27 april). In Hunt For Golden State Killer, Investigators Uploaded His DNA To Genealogy Site.

Nozick, R. (1974). Anarchy, State, and Utopia. Basic Books.

Nozick, R. (1989). The Examined Life: Philosophical Meditations. Simon & Schuster.

Orwell, G. (1949). Nineteen Eighty-Four. Secker & Warburg.

Parfit, D. (1984). Reasons and Persons. Oxford University Press.

Perls, F., Hefferline, R. & Goodman, P. (1951). Gestalt Therapy: Excitement and Growth in the Human Personality. Julian Press.

Postman, N. (1985). Amusing Ourselves to Death: Public Discourse in the Age of Show Business. Viking.

Shear, M.K. (2015). Complicated grief. New England Journal of Medicine, 372(2), 153-160.

Skinner, B.F. & Ferster, C.B. (1957). Schedules of Reinforcement. Appleton-Century-Crofts.

Steele, C.M. & Josephs, R.A. (1990). Alcohol myopia: Its prized and dangerous effects. American Psychologist, 45(8).

Turkle, S. (2011). Alone Together: Why We Expect More from Technology and Less from Each Other. Basic Books.

U.S. Congress. (2008). Genetic Information Nondiscrimination Act.

Wilson, E.O. (2012). The Social Conquest of Earth. Liveright.

Zuboff, S. (2019). The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power. PublicAffairs.

Ook interessant voor jou!