Beste lezer,
Gisteren werd er weer gevierd. Vandaag arriveerde de aanslag, in correct Nederlands, met een vriendelijke afsluiting van de inspecteur. Tussen die twee gebeurtenissen in heb ik bijgaand stuk geschreven.
Het is een korte beschouwing op de vraag wat wij precies vieren op vijf mei. De korte versie: niet wat wij denken te vieren. De iets langere versie zit in de bijlage.
U bent vrij hem te lezen, vrij hem niet te lezen, vrij hem door te sturen, en vrij om mij erop aan te spreken. Een van die vier vrijheden zal worden uitgeoefend, en ik vermoed welke.
Met vriendelijke groet,
Peter Koopman
AfafA, Zandvoor
Vrijheid in het Nederlands
Een korte beschouwing op de dag na vijf mei
Het was gisteren bevrijdingsdag. Er werd weer een vlag gehesen, een toespraak gehouden, een minuut stilte in acht genomen. De premier sprak over wat ons bindt. De koning sprak over wat ons bindt. Een columnist wist te melden dat vrijheid kwetsbaar is, een ander dat zij verdedigd moet worden. Allen hadden gelijk. Niemand zei iets.
De vraag wat vrijheid eigenlijk is, werd zorgvuldig vermeden. Begrijpelijk. Wie de vraag stelt, krijgt geen antwoord, en wie probeert te antwoorden, krijgt vijanden. Vandaar dat het feest zich beperkt tot de symbolen. Vlaggen, taarten, festivals met dweilorkesten. Een land viert niet wat het is, het viert wat het over zichzelf gelooft.
Eens kijken wat er onder die overtuiging ligt.
De man die in 1944 onderdook, wist wat onvrijheid was. Hij voelde haar fysiek. Honger, kou, het geluid van laarzen op de trap. Toen de Canadezen kwamen, was de bevrijding concreet. Geen filosofisch begrip, geen toespraak, maar brood. Daarna mocht hij zelf weten wat hij ermee deed. Dat noemen we vrijheid, en daarvoor is wat te zeggen.
Tachtig jaar later staat zijn achterkleinzoon in de rij bij een festival waarvoor hij vijfenzeventig euro heeft betaald, en luistert naar een artiest die zingt over verzet tegen het systeem. Het systeem heeft de tickets verkocht, het systeem heeft de subsidie verstrekt, het systeem heeft de hekken neergezet. De achterkleinzoon voelt zich vrij. Dat is geen kritiek op hem. Het is een observatie over wat dat woord nog betekent.
Vrijheid is, voor het organisme, een gevoel. Geen toestand, geen recht, geen erfenis. Het is wat het zenuwstelsel registreert wanneer het zijn voorspellingsmodel met de wereld kan verzoenen zonder ernstige tegenkracht. De gevangene die zich heeft aangepast voelt zich vrijer dan de moderne burger met grenzeloze keuzes en chronische voorspellingsfouten. Vandaar dat de tevredenheidcijfers in autocratieën soms hoger liggen dan in westerse democratieën. De voorspellingen kloppen daar beter, omdat het verwachtingenpatroon kleiner is gemaakt.
Dan de vraag van vandaag. Is vrijheid het ontvangen van de aanslag van de Belastingdienst in het Nederlands in plaats van in het Duits?
Het is een betere vraag dan zij lijkt. Want zij maakt iets zichtbaar: wat we vieren is feitelijk de continuïteit van het Nederlandse bestuursapparaat. Niet de afwezigheid van bestuur, maar de aanwezigheid van een ander bestuur, met een ander logo en een andere taal. De Wehrmacht is verslagen, leve de Belastingdienst. De Sicherheitsdienst is opgeheven, leve de AIVD. De Reichsmark heeft plaats gemaakt voor de euro, vroeger een eigen munt, nu opnieuw een Duitse, weliswaar zonder helm.
Het verschil is reëel. Een aanslag in het Nederlands kan worden aangevochten bij een Nederlandse rechter, in een rechtsstaat met scheiding der machten en publieke verantwoording. Daarvoor is letterlijk gevochten en de doden zijn echt. Wie dat wegrelativeert, kent zijn geschiedenis niet. Maar de viering van vijf mei suggereert iets veel groters dan de continuïteit van een nationale bureaucratie. Zij suggereert dat wij vrij zijn. En dáár begint het glibberen.
Wij zijn vrij om te kiezen tussen partijen die in coalities terechtkomen waarin het programma waarvoor wij stemden, wordt verruild voor het programma waarvoor wij niet stemden. Vrijheid van verkiezing zonder vrijheid van uitkomst. Schumpeter beschreef dit in 1942 als de elite-democratie, waarin het volk niet regeert maar mag kiezen tussen elites. Caplan voegde er in 2007 aan toe dat de gemiddelde kiezer systematisch verkeerde keuzes maakt op basis van rationele onwetendheid. Het feest van vijf mei viert dit als zege.
Wij zijn vrij om te zeggen wat wij willen, mits wij rekening houden met de Wet op de Groepsbelediging, de Wet Discriminatie, de algemene voorwaarden van het platform waarop wij spreken, de oplettendheid van onze werkgever, en het ongenoegen van een online stam die ons binnen vierentwintig uur professioneel kan vernietigen. De staat censureert niet meer, daarvoor heeft hij private partijen ingehuurd die het beter doen, met een algoritme erbij. Foucault zou tevreden knikken. Het toezicht is geïnternaliseerd. De bewaker is overbodig.
Wij zijn vrij om te ondernemen, mits wij dertig procent vennootschapsbelasting afdragen, eenenveertig procent loonbelasting voor het personeel, eenentwintig procent btw op de omzet, drieënveertig procent op de eerste tranche van het privé-inkomen, gevolgd door negenenveertig op de rest, milieuheffing, gemeentelijke heffing, waterschapsheffing, en de spaarrekening waarop het schamele restant wordt geparkeerd belast met een fictief rendement dat de werkelijkheid niet kent. Wat overblijft mag de ondernemer in vrijheid besteden. Hij kan kiezen tussen een vakantie of een nieuwe verwarmingsketel. Een keuze die zijn grootouders niet hadden, en waarop hij dankbaar moet zijn.
Wij zijn vrij om te wonen, mits wij ons inschrijven, een huurcontract voor onbepaalde tijd hebben dat sinds 2016 is afgeschaft, of een hypotheek die wij niet meer krijgen, of een ouder die op tijd is doodgegaan zodat de erfenis ons in de markt brengt. De vrije woningmarkt is volledig dichtgereguleerd. Het wordt vrijheid genoemd.
Vandaar de gretigheid waarmee wij andere onvrijheden zien. De vlag van een ander volk in onze straten is verontrustend, omdat zij ons eraan herinnert dat onze eigen vlag steeds minder dekking biedt. Een groep die in haar eigen taal door de stad trekt, voelt als een schending, omdat onze eigen taal onlangs door een commissie geslachtsneutraal is herzien zonder dat iemand erom heeft gevraagd. Het ongemak is reëel. De diagnose is alleen verkeerd.
Wat ons stoort is niet de vlag van Gaza, niet de Engelse leus, niet de Arabische omroep. Wat ons stoort is dat wij onze eigen vlag niet meer ongegeneerd mogen voeren zonder het etiket nationalist. Dat wij onze eigen taal niet meer mogen verdedigen zonder het etiket xenofoob. Dat wij onze eigen geschiedenis niet meer mogen verheerlijken zonder de verplichte bijsluiter over slavernij, onderdrukking, en koloniale schuld. De voorspelling van het organisme klopt niet meer met de werkelijkheid. Dat heet stress. Het wordt vertaald naar woede. De woede zoekt een doel. Het doel is de ander.
Bij de ander gebeurt precies hetzelfde, in spiegelbeeld. Twee groepen organismen, beide in de overtuiging dat hun voorspellingsmodel het juiste is, en beide ervan overtuigd dat zij de drager zijn van de echte vrijheid. Hannah Arendt zou zeggen: dit is niet vrijheid, dit is haar nabootsing. Het is het lawaai van mensen die elkaar willen overtuigen dat zij gelijk hebben, omdat zij niet meer durven nadenken over de mogelijkheid dat geen van beide gelijk heeft.
De waarheid is prozaïscher. Vrijheid bestaat niet als zelfstandig naamwoord. Zij bestaat alleen als bijvoeglijk naamwoord, gehecht aan iets concreets. Vrij van vervolging. Vrij om te publiceren. Vrij van marteling. Vrij om te vergaderen. Stuk voor stuk meetbaar, stuk voor stuk verdedigbaar, stuk voor stuk historisch bevochten. Op die concrete vrijheden scoort Nederland in 2026 nog steeds bovengemiddeld. Daarvoor mag oprecht een vlag uit. Eén dag, niet meer.
Wat wij ervan hebben gemaakt is iets anders. Een metafysisch begrip dat alle ontevredenheid moet overstemmen, een nationale therapiesessie waarin het organisme zichzelf wordt verteld dat het vrij is, in de hoop dat het stopt met klagen. Dat werkt niet. Het organisme klaagt door, want zijn voorspellingen blijven niet kloppen. De aanslag van de Belastingdienst arriveert in het Nederlands, en hij is hoger dan vorig jaar. Het organisme leest hem, betaalt hem, en luistert daarna naar de toespraak waarin staat dat het vrij is.
De Duitsers zouden hetzelfde hebben gedaan. Misschien iets efficiënter. Misschien met een schoner lettertype. De aanslag was hetzelfde geweest. De vraag of dat verschil de prijs van vier jaar bezetting waard was, is in 1945 met overtuigend ja beantwoord, en die overtuiging blijft staan. De vraag wat wij in 2026 nog vieren, blijft openstaan.
Wie de vraag durft te stellen, krijgt te horen dat hij ondankbaar is. Dat hij geen idee heeft hoe goed hij het heeft. Dat hij naar Noord-Korea moet verhuizen als het hem niet bevalt. Dit zijn de standaardreacties van een organisme dat wordt geconfronteerd met een voorspellingsfout. Niet nadenken, maar uitstoten. De stam beschermt zichzelf door de twijfelaar te benoemen tot vijand. Carlin wist dit zestig jaar geleden al, en hij ging eraan dood, lachend.
Misschien moet vijf mei opnieuw worden uitgevonden. Niet als feest van een toestand die niet bestaat, maar als jaarlijkse audit van wat er nog over is van de concrete vrijheden waarvoor is gevochten. Een dag waarop wij een lijst nalopen. Mogen wij nog spreken zonder vervolging? Vinkje. Mogen wij nog vergaderen? Vinkje. Mogen wij nog onze regering wegstemmen? Vinkje, met sterretje. Mogen wij nog ondernemen zonder te worden uitgekleed? Geen vinkje. Mogen wij nog twijfelen aan het officiële narratief zonder buiten de stam te worden gezet? Geen vinkje. Mogen wij nog wonen waar wij willen? Geen vinkje.
Aan het eind van de dag tellen wij op. Komt het percentage onder de zestig, dan vlag halfstok. Komt het boven de tachtig, dan vlag voluit. Komt het ergens daartussen, dan vlag schuin, een nieuw nationaal symbool, voor een land dat het zelf ook niet meer precies weet.
Tot die dag blijft het zoals het is. Een minuut stilte, een volkslied, een speech. Daarna terug naar de aanslag in het Nederlands. Met een postzegel die de PostNL nog niet aan een buitenlandse partij heeft verkocht.
Wij zijn bevrijd. Vrij worden we later wel.
