Beste Lezer,
Bijgaand een nieuw essay, De Energie van Anderen, met als ondertitel Over betrokkenheid, deugpronken en de architectuur van extractie.
Het stuk is voortgekomen uit een eenvoudige observatie. Het verschil tussen iemand die werkelijk betrokken is en iemand die betrokken doet, is in de openingszin van elk gesprek af te lezen. Wie binnenkomt met de vraag waar ze kan helpen, draagt kost. Wie binnenkomt met een diagnose of een opdracht, schuift de kost door en houdt de status. Skin in the game tegenover signalering. Vanuit dat onderscheid loopt het essay door naar de werkvloer, waar zichtbaarheid productie heeft vervangen, en naar de macroschaal van generaals en ambtenaren die carrière maken op de energie van anderen.
De gym fungeert in het stuk, zoals in eerder werk, als anker. Het ijzer liegt niet. In een wereld waar retoriek productie vervangt, blijft er een plek over waar het lichaam de mededeling doet en het organisme de uitkomst draagt.
Het essay staat op zichzelf en hoort thematisch naast Het Organisme en zijn Illusies en De Mens Zonder Stam en De Terugkeer via de Achterdeur.
Met vriendelijke groet,
Peter Koopman
De Energie van Anderen
Over betrokkenheid, deugpronken en de architectuur van extractie
Een bezoek
Een familielid komt onaangekondigd de sportschool binnen. Het gesprek begint niet met de vraag waar ze mee kan helpen. Het begint met een opsomming van wat ik verkeerd doe. Heeft mijn vrouw, die lijdt aan een progressieve neurodegeneratieve aandoening, wel een tracker. Is het niet beter dat ze naar de dagopvang gaat. Hoe denken de dochters erover. Wat als er iets met mij gebeurt. Dan de afsluiting, met de juiste toon van zorg, en de overgang naar het volgende onderwerp dat in haar leven belangrijker is. Een hole in one op de golfbaan.
De inhoud is irrelevant. De vorm is alles. In de openingszin zat de hele transactie al verpakt. Niet “waar kan ik je mee helpen”, maar “ik wil even met jou spreken”. Het werkwoord wijst van haar weg, naar mij. De kost is nul. De opbrengst, in de vorm van morele status en cognitieve dissonantiereductie, is hoog. Een organisme dat een sociaal ongemak reguleert door de oplossing buiten zichzelf te leggen. Niet kwaadaardig. Mechanisch.
Het mechanisme
Wanneer iemand in de periferie van een lijdende verwant zit, ontstaat er dissonantie tussen het zelfbeeld als familie en het feitelijke gedrag dat geen kosten draagt. Festinger beschreef in 1957 hoe organismes deze spanning oplossen via de goedkoopst beschikbare route. Twee opties. De dissonantie wegnemen door werkelijk iets te doen, wat tijd, ongemak en aanwezigheid kost. Of de dissonantie wegnemen door een interventie te ensceneren die het gevoel van bijdrage geeft zonder de kost. De tweede route is goedkoper, dus de tweede route wint. Geen keuze, geen plan, gewoon thermodynamica van zelfbeeld.
Robert Trivers ging in 2011 een laag dieper met The Folly of Fools. Zelfbedrog is geen falen van het organisme, het is een functie. Wie zichzelf overtuigt van haar eigen betrokkenheid kan die betrokkenheid overtuigender uitdragen dan iemand die weet dat ze toneel speelt. Selectie heeft eeuwenlang de oprechte pronker beloond boven de cynische. De pronker hoort zichzelf praten en concludeert dat ze zorgdraagt. De interpreter, zoals Gazzaniga hem beschreef, sluit het verhaal en levert het op aan het bewustzijn als coherent en goed.
Robert Kurzban voegde in Why Everyone Else Is a Hypocrite het modulaire perspectief toe. Er is geen centrale instantie die liegt. Er zijn modules die niet met elkaar praten. De ene module produceert de morele uiting, de andere maakt de gedragskeuzes, en geen van beide heeft toegang tot wat de ander doet. Wat aan de buitenkant overkomt als hypocrisie, is aan de binnenkant gewoon een organisme dat zijn eigen subsystemen niet kan inspecteren. Daarom werkt aanspreken er niet tegen. Je kunt iemand niet aanspreken op een mechanisme waar ze geen toegang toe heeft.
Skin in the game als diagnostisch instrument
Nassim Taleb maakte in 2018 operationeel wat eigenlijk al sinds Hammurabi bekend is. Betrokkenheid is niet wat je zegt, maar wat je riskeert. Wie downside deelt, draagt skin in the game. Wie alleen upside claimt, signaleert. Het verschil is meetbaar, en het verschil is observeerbaar in de openingszin van elk gesprek waarin iemand zorg uitdrukt.
Wie binnenkomt met de vraag waar ze kan helpen, accepteert een onbepaalde kost vooraf. Wie binnenkomt met een diagnose, schuift de kosten door naar de ontvanger en houdt de eigen status als zorgvolle aanwezige intact. Werkwoord eerste persoon actief versus tweede persoon imperatief. Dat is geen taalkunde, dat is biologie die zich door de zinsbouw perst. Het organisme dat downside wil dragen, formuleert anders dan het organisme dat alleen upside wil oogsten. De vorm verraadt de positie nog voor de inhoud bekend is.
Hierin zit ook het verschil tussen werken en de schijn van werken. In voorouderlijke groepen vielen deze twee samen. Wie de jacht binnenbracht, was de jager. Het bewijs en de daad waren in tijd en ruimte aan elkaar gekoppeld. Zichtbaarheid was een bijproduct van resultaat, niet een product op zichzelf. Wie pronkte zonder leveren, werd binnen een seizoen uitgevogeld door de groep van twintig die elkaar elke dag zag. De controle-lus was kort en hard.
De ontkoppeling van werk en zichtbaarheid
Herbert Simon zag het al in 1971, voor het internet en voor sociale media. Een rijkdom aan informatie creëert een armoede aan attentie. Wat hij niet voorzag was wat er met menselijk gedrag gebeurt wanneer attentie de bottleneck wordt. Het organisme dat optimaliseert voor wat schaars is, en attentie is nu schaars, gaat zijn gedrag herschikken rondom de verwerving van attentie. Niet rondom wat aandacht verdient. Rondom wat aandacht trekt. Twee totaal verschillende dingen.
De signalen voor hard werken waren ooit indirect en kostbaar te vervalsen. Eelt op de handen, vermoeidheid, productie die zichtbaar werd in geleverde goederen. Tegenwoordig zijn de signalen direct en goedkoop. Posts over hoe vroeg iemand is opgestaan. Berichten om elf uur ’s avonds. Vergaderingen die niet over werk gaan maar over de coördinatie van werk. Elke laag managementspraak die ergens tussen 1985 en nu is uitgevonden, is een vorm van geïnstitutionaliseerd pronk. Cal Newport probeert hier met deep work tegen in te roeien, maar hij behandelt het symptoom. De ziekte is dat het systeem mensen beloont die de show kunnen leveren.
Goodhart heeft hier het sluitende theorema voor geleverd, ook al ging zijn oorspronkelijke werk over monetaire indicatoren. Zodra een maatstaf een doel wordt, houdt de maatstaf op een goede maatstaf te zijn. Zodra zichtbaar werken de maat wordt voor werken, houden de twee op samen te vallen. Wie aan iets bouwt, heeft de attentionele bandbreedte niet om tegelijk uit te dragen dat ze aan iets bouwt. De bouwer en de signaleur trekken uit dezelfde energiepot. De een pakt een hamer. De ander pakt een microfoon. Dat zijn niet twee karakters, het zijn twee strategieën in dezelfde niche, en in een omgeving waar beoordelaars op signalen letten in plaats van op output wint de microfoon.
Drie schalen, één mechanisme
Op microschaal: het familielid dat de openingszet maakt met een diagnose in plaats van een aanbod. De zorg is oprecht ervaren, de kosten zijn nul, de morele opbrengst is hoog. Op de mesoschaal: de werkvloer waar mensen carrière maken door de aanwezigheid van werk uit te stralen zonder noodzakelijk werk te leveren. Op de macroschaal: de generaal die aanvallen roept en zelf blijft staan, de ambtenaar die zegt dat we moeten zonder ooit precies te maken wie er moet.
Het woord “we” is een van de meest verraderlijke voornaamwoorden die de Nederlandse taal kent. Bij nadere inspectie betekent het bijna altijd “jullie”. We moeten verduurzamen betekent jullie moeten betalen voor het beleid waar ik mijn carrière mee maak. We moeten meer empathie tonen betekent jullie moeten je gedragen volgens regels die ik niet zelf hoef toe te passen. Het werkwoord moeten wijst altijd van de spreker weg. Wie het herkent, heeft een infraroodbril gekregen.
Tolstoj zag dit al in Oorlog en Vrede en beschreef het met een verbittering die nergens anders zo helder is. De generaals die de slag bij Borodino plannen, doen dat in tenten ver achter de linie. Hun plannen hebben geen merkbare invloed op de uitkomst, maar wel op hun carrière. Wie wint, beweert dat het door zijn plan kwam. Wie verliest, beweert dat de uitvoering faalde. In beide gevallen heeft de generaal zijn skin drooggehouden en zijn promotie veiliggesteld. De gevallenen liggen op het veld en spreken niet meer mee in de evaluatie. Survivorship bias als ingebakken managementfilosofie.
De wet die niemand wil
Jerry Pournelle formuleerde een wet die de meeste managementliteratuur omzeilt omdat ze te accuraat is. In elke organisatie ontstaan twee soorten mensen. Zij die het werk doen waarvoor de organisatie is opgericht. En zij die het werk doen om de organisatie in stand te houden. De tweede groep wint altijd. Ze winnen omdat ze het selectiemechanisme zelf in handen hebben. Wie controleert wie er gepromoveerd wordt, controleert wie er overblijft. De overlevers zijn de overlevers van zijn eigen voorkeuren. De feedbacklus is gesloten en zelfversterkend.
Mancur Olson voegde hier in 1982 de macropolitieke fundering aan toe. Stabiele samenlevingen accumuleren coalities die hun positie verdedigen ten koste van het geheel. Distributional coalitions noemde hij ze. Beroepsverenigingen, vakbonden, ministeries, raden van bestuur, NGO-besturen, koepelorganisaties. Niet kwaadaardig, gewoon adaptief gedrag in een omgeving waar de kosten van extractie laag zijn en de baten hoog. Elk individu in zo’n coalitie ervaart zichzelf als hardwerkend en nuttig. De interpreter draait op volle kracht. James Burnham had de basis al in 1941 gelegd in The Managerial Revolution. Macht is in de twintigste eeuw verschoven van eigenaars naar beheerders. De beheerder produceert niet, hij coördineert. Maar omdat coördinatie zelf een vorm van werk is geworden die beloond wordt, ontstaat er een hele beroepsgroep die elkaar bezighoudt met wat ze het werk noemen, terwijl iemand anders onderaan de piramide nog steeds de aardappels schilt.
Joseph Tainter beschreef in 1988 wat er gebeurt wanneer dit proces volgroeit. Complexe samenlevingen ontwikkelen onvermijdelijk lagen van coördinatie. Elke laag claimt een deel van de energie die door de lagen eronder wordt geproduceerd. De marginale opbrengst van extra coördinatie daalt, terwijl de kost stijgt. Op een gegeven moment kantelt het systeem omdat de claimers meer opzuigen dan de producenten kunnen leveren. Dan komt de reset. Laat-Romeinse rijk, Bourbon Frankrijk, laat-Sovjet-Unie. Geen samenzwering, geen decadentie, geen verlies van waarden. Gewoon thermodynamica van organisaties.
Pronken als arbitrage
Justin Tosi en Brandon Warmke schreven in 2020 Grandstanding, een net boek dat de retorische ondeugd beschrijft maar de biologische diepte mist. Het is geen ondeugd, het is een arbitrage-mogelijkheid die het organisme opportunistisch benut. Wanneer de kost van morele signalering naar nul gaat en de opbrengst hoog blijft, neemt het volume signaal toe. Geen samenzwering, gewoon de gradiënt volgen.
Er zit een asymmetrie in: tegen-pronken is goedkoper dan voor-pronken. Wie zich tegen iets uitspreekt, hoeft niets te bouwen. Wie zich voor iets uitspreekt, kan op de uitvoering worden afgerekend. Daarom domineert de tegen-stem in de attentie-economie. “Erg hoor” is goedkoper dan “ik regel het”. En “we moeten” is goedkoper dan “ik doe”.
Wie het mechanisme moralistisch behandelt, mist het punt. Het is geen karakterprobleem. Het is een prikkelstructuur. Verander de prikkels, verander het gedrag. Carlin had het bij het rechte eind toen hij zei dat het niets met de waarden te maken heeft, het heeft te maken met wat het systeem beloont. De prestatiemaatschappij is geëvolueerd tot de pretentie-maatschappij, en de overgang is een fase, geen eindstaat.
De gym als anker
In de sportschool werkt dit alles niet. Het ijzer liegt niet. Tweehonderd kilo is tweehonderd kilo, of de heffer nu een account heeft, een verhaal, een platform of geen daarvan. De prediction wordt direct getest tegen de realiteit. Wie de stang niet omhoog krijgt, krijgt hem niet omhoog. Geen toespraak verandert dat. Geen vergadering, geen post, geen verklaring.
Dit is geen marginaal detail. Het is een epistemologisch anker. In een wereld waarin retoriek productie vervangt, blijft er één plek over waar het lichaam de mededeling doet en het organisme de uitkomst draagt. De man die luid in de kleedkamer vertelt hoe streng zijn dieet is, levert het bewijs niet. De man die zwijgend binnenkomt, zijn werk doet en weggaat, hoeft het niet te vertellen. Skin in the game maakt pronken overbodig, want het resultaat is de boodschap. Daar waar resultaat ontbreekt, neemt pronk de plaats in. Substitutiegoed.
Hetzelfde geldt in de ring. Wie zegt dat hij meegaat sparren, stapt erin. Wie zegt dat de ander zijn dekking hoger moet houden, staat aan de kant. Zelfde organisme, zelfde mechanisme, andere context. De handschoenen sorteren de strategieën binnen tien seconden.
Wat eraan voorafgaat
De ironie van dit alles is dat het systeem juist werkt omdat de uitvoerders ervan blind zijn voor hun eigen positie. Een generaal die zou erkennen dat hij vooral mensen naar de dood stuurt om zijn eigen ster te laten stijgen, kan daar niet lang mee doorgaan. Een ambtenaar die zou erkennen dat “we moeten” eigenlijk “ik wil” betekent, verliest de retorische dekking die zijn macht mogelijk maakt. Het familielid dat zou erkennen dat haar bezoek vooral haar eigen ongemak reguleerde, kan het bezoek niet meer afleggen. Zelfbedrog is hier geen bijkomstigheid. Het is de operationele voorwaarde.
Trivers had dit door en niemand wilde luisteren. Luisteren betekende erkennen dat de meesten van ons in dezelfde economie meedoen, alleen op kleinere schaal. De extractie is alomtegenwoordig omdat de prikkels alomtegenwoordig zijn. Wie het herkent, wordt er niet immuun voor. Het organisme blijft een organisme. Maar wie het herkent, kan zijn eigen energie beter sturen. Dat is geen morele oplossing, het is hygiëne.
Een filter
De praktische conclusie is kort. Hanteer de openingszin van elk gesprek als triage-instrument. Wie binnenkomt met de vraag waar ze kan helpen, krijgt toegang tot het systeem. Wie binnenkomt met een diagnose of een opdracht aan jou, krijgt een korte, beleefde, definitieve afsluiting. Geen energie verspillen aan uitleg. Geen poging tot conversie. Die mensen zijn niet je ontbrekende hulpbron. Ze zijn ruis in het signaal.
Het organisme dat dit doorheeft, wordt er niet beter van. Het wordt alleen efficiënter. Het verspilt minder. Het reserveert zijn energie voor wie kosten draagt en herkent wie alleen status oogst. In een omgeving waar zichtbaarheid wordt beloond boven productie, is dat de enige duurzame strategie die niet zelf weer in pronk verandert.
De extractielagen zijn dik geworden. De productielaag wordt dunner. Op enig moment raakt het systeem onder de drempel waar de extractie zichzelf nog kan dragen. Dan gebeurt wat Tainter beschreef. Niet apocalyptisch. Gewoon vereenvoudiging. Lagen vallen af. De generaal moet weer mee het veld in. De ambtenaar moet weer iets concreets doen. Het familielid moet zelf op de zieke verwant passen of het zwijgen ertoe doen.
Tot dan houdt het systeem zichzelf in stand met de energie van anderen. En de anderen blijven leveren omdat ze niet anders kunnen. Of omdat ze het niet doorhebben. Of omdat ze het wel doorhebben maar de kost van weigeren hoger inschatten dan de kost van meedoen.
De stang ligt op de mat. Het organisme bukt, of het bukt niet.
Literatuur
Burnham, J. (1941). The Managerial Revolution: What is Happening in the World. John Day.
Festinger, L. (1957). A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford University Press.
Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. HarperCollins.
Goodhart, C. (1975). Problems of Monetary Management: The U.K. Experience. Reserve Bank of Australia.
Kurzban, R. (2010). Why Everyone (Else) Is a Hypocrite: Evolution and the Modular Mind. Princeton University Press.
Newport, C. (2016). Deep Work: Rules for Focused Success in a Distracted World. Grand Central Publishing.
Olson, M. (1982). The Rise and Decline of Nations: Economic Growth, Stagflation, and Social Rigidities. Yale University Press.
Pournelle, J. (s.d.). The Iron Law of Bureaucracy. Geformuleerd in publicaties en lezingen vanaf de jaren tachtig.
Simon, H. A. (1971). Designing Organizations for an Information-Rich World. In: M. Greenberger (red.), Computers, Communications, and the Public Interest. Johns Hopkins Press.
Tainter, J. A. (1988). The Collapse of Complex Societies. Cambridge University Press.
Taleb, N. N. (2018). Skin in the Game: Hidden Asymmetries in Daily Life. Random House.
Tolstoj, L. N. (1869). Oorlog en Vrede. Diverse Nederlandse uitgaven.
Tosi, J. & Warmke, B. (2020). Grandstanding: The Use and Abuse of Moral Talk. Oxford University Press.
Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books.
