De portier in de schedel – Over wantrouwen, controle, en waarom je alleen leert als het misgaat

De portier in de schedel - Over wantrouwen, controle, en waarom je alleen leert als het misgaat

De portier in de schedel

 

Beste lezer,

Dit keer geen opwarmertje. Vier ideeën die deze keer door elkaar liepen, zelfbewustzijn als beveiligingsdienst, controle als het knullige neefje van vertrouwen, een shirt dat je hersenen om de tuin leidt, en de reden waarom je pas echt bijleert zodra het misgaat, bleken bij nader inzien één verhaal te vertellen. Ik heb ze samengevoegd tot een essay, met de bronnen erbij voor wie het zelf wil natrekken.

Geen samenvatting hier. Die staat er al in, en ik herhaal mezelf liever niet twee keer in dezelfde week.

Lees het wanneer het uitkomt. De portier wacht toch al honderdduizend jaar.

Peter Koopman

 

 

De portier in de schedel

Over wantrouwen, controle, en waarom je alleen leert als het misgaat

I

Ergens rond de honderdduizend jaar geleden gebeurt er iets met de mens dat de fossielen slechts indirect tonen: oker in Blombos Cave, kralen geregen als sieraad, graven met bijgaven. Archeologen noemen het de opkomst van symbolisch gedrag, en de gangbare verklaring wijst naar de groepsgrootte. Zodra een gemeenschap voorbij de beruchte grens van 150 individuen groeit, de grens die Robin Dunbar aan de neocortexratio van primaten koppelde, werkt persoonlijke observatie niet meer. Je kunt niet langer iedereen fysiek volgen om te zien wie eerlijk deelt en wie stiekem meer pakt dan hij geeft. Byrne en Whiten noemden de oplossing daarvoor in 1988 al bij naam: Machiavellian Intelligence. Niet jacht of gereedschap dreef de groei van de hersenen, wel de noodzaak om bondgenoten van bedriegers te onderscheiden in een groep te groot om te doorgronden met je neus alleen.

Trek die twee ideeën samen en je krijgt een ongemakkelijke, maar goed onderbouwde conclusie. Zelfbewustzijn is niet het sluitstuk van een liefdevolle evolutie naar verbondenheid. Het is de beveiligingsdienst die werd aangesteld toen het dorp te groot werd voor sociale controle op basis van geur en direct zicht. Trivers trok die lijn in The Folly of Fools(2011) nog verder door: de beste leugenaar is degene die zijn eigen leugen gelooft, dus selecteerde de evolutie voor een bewustzijn dat gedeeltelijk blind is voor zijn eigen motieven, precies om tijdens het bedriegen van anderen geen tells te lekken. Je innerlijk leven, dat wat filosofen eeuwenlang vierden als het kroonjuweel van de menselijke geest, is in die lezing een perscommuniqué. Geen orgaan van waarheid, een orgaan van beheerste zelfpresentatie.

II

Er bestaat een tegenhanger van dit verhaal, en die verdient het genoemd te worden voordat het cynisme te comfortabel wordt. Tomasello’s shared intentionality hypothesis (2014) en Hrdy’s cooperative breeding hypothesis (2009) plaatsen dezelfde cognitieve machinerie in dienst van iets aardigers: samenwerking, niet uitbuiting. Alloouderschap, het delen van zorg voor kinderen buiten de biologische ouders, vereiste dat mensen elkaars intenties nauwkeurig leerden lezen. Een aardige selectiedruk in plaats van een paranoïde.

Beide kampen hebben gelijk, en de verzoening zit in speltheorie, niet in temperament. Axelrod liet in The Evolution of Cooperation (1984) zien dat wederkerigheid alleen loont onder een “schaduw van de toekomst”: een reële kans dat je die ander weer tegenkomt en dat hij zich herinnert wat je deed. Binnen de groep van 150 is die schaduw er. Buiten die groep, bij een vreemde die je nooit meer ziet, is elke ontmoeting een eenmalig spel, en in een eenmalig spel wint defectie zuiver rekenkundig. Tomasello beschrijft het orgaan zoals het zich gedraagt tegen de in-groep, Trivers beschrijft hetzelfde orgaan tegen de rest van de wereld. Geen twee verklaringen, één orgaan in twee spelstructuren.

III

Die grens van 150 is trouwens minder een muur dan een cache die zich laat hacken. Tajfel’s minimal group paradigm liet al in de jaren zeventig zien dat een volstrekt willekeurige, betekenisloze marker, een gekleurd hesje, de uitslag van een loting, al genoeg is om in-groepvoorkeur te activeren. Er is geen persoonlijke bekendheid voor nodig, een symbool volstaat. Oker, kralen, later vlaggen en heilige boeken, het zijn allemaal patches op een detector die gebouwd is voor een kamp van 150 en die met wat verf en een gedeeld verhaal wordt opgerekt naar miljoenen vreemden. Bowles en Gintis noemen dat parochial altruism (2011): coöperatie naar binnen en vijandigheid naar buiten zijn in de menselijke evolutie samen ontstaan, via oorlog tussen groepen, niet los van elkaar.

Hoe goedkoop die markers werken is bijna gênant. Kosfeld en Neckermann gaven in een veldexperiment (2011) werknemers een waardeloos certificaat, geen geld, geen promotie, en de productiviteit steeg meetbaar. Milgram bereikte hetzelfde effect met een witte jas: zet iemand in uniform met een klembord en de meerderheid van de proefpersonen dient dodelijke stroomstoten toe aan een klagende onbekende. Een shirt, een titel, chef van de koffiemachine, een streep op een epaulet, het is telkens hetzelfde trucje op een andere schaal. Niet elk signaal is even diep. Zahavi’s handicap principle, en het werk van Sosis en Bressler (2003) naar negentiende-eeuwse communes, laat zien dat kostbare, pijnlijke initiatierituelen groepen langer laten overleven dan gratis lidmaatschap. Een shirt geeft snelle, oppervlakkige identificatie die net zo makkelijk weer uitgetrokken wordt. Een litteken filtert freeriders eruit voordat ze binnenkomen.

Dat brengt me bij een citaat dat ik eerder te makkelijk liet staan. “Vertrouwen is goed, controle is beter” wordt al een eeuw aan Lenin toegeschreven, tot Duits spreekwoord verheven, en er is geen bron voor te vinden in zijn geschriften. Apocrief, maar toepasselijk genoeg om te blijven hangen. Wat het bolsjewisme wel echt probeerde, was hetzelfde schaalprobleem oplossen dat de evolutie met een portier in de schedel te lijf ging, alleen dan extern: Tsjeka, denunciatienetwerken, partijdiscipline, in plaats van een cerebrale reputatietracker. Het werkte aantoonbaar slechter. Fitzpatrick liet in Tear Off the Masks! (2005) zien dat totale controle het vertrouwen niet vervangt maar vernietigt: mensen stoppen niet met bedriegen, ze worden er beter in, zelfpresentatie wordt fulltime theater voor een publiek dat toch nooit gerustgesteld raakt.

IV

Dan het laatste stuk, misschien het nuttigste voor wie ’s ochtends moet beslissen wat hij van gisteren onthoudt. De mens leert disproportioneel van fouten, niet exclusief, maar wel met een flinke scheve verdeling. Baumeister en collega’s vatten het samen onder de kop “Bad is stronger than good” (2001), en Kahneman en Tversky’s prospect theory (1979) kwantificeert het zelfs: verlies weegt ruwweg twee keer zo zwaar als een even grote winst. Er schuilt ook een logisch argument achter, ouder dan de psychologie. Popper hield vol dat een succes zwak bewijs is, want verenigbaar met bijna elke hypothese die je ooit had kunnen bedenken, terwijl een mislukking sterk bewijs is, want ze sluit iets definitief uit. Falsificatie is informatiever dan bevestiging. Geen bias, logica. Campbell trok die lijn door naar leren in het algemeen: blind variation, selective retention, de evolutie leert vooral via de dode takken.

Succes geeft wel degelijk informatie, alleen is de verteller al voorgeselecteerd. Abraham Wald moest de geallieerde luchtmacht uitleggen dat pantser hoort waar de teruggekeerde bommenwerpers geen kogelgaten hadden, niet waar ze die wel hadden, want de vliegtuigen die daar geraakt werden kwamen niet terug om het te vertellen. Survivorship bias in zuivere vorm. Taleb noemt de literaire nabewerking daarvan de narrative fallacy: een chaotisch, met geluk doordrenkt proces wordt achteraf in een strak verhaal geperst met een held en een les, en het geluk verdwijnt daarbij stelselmatig uit beeld. Rosenzweig ontleedde in The Halo Effect (2007) tientallen bestverkochte managementboeken en vond telkens dezelfde cirkelredenering: de succesfactoren die auteurs identificeerden waren gewoon herbenoemingen van “het bedrijf deed het goed.” Falen laat een litteken achter dat je niet kunt wegredeneren. Succes laat een anekdote achter die dat wel kan.

V

Leg deze vier lijnen naast elkaar en er ontstaat een portret dat weinig flatteus is, en precies daarom de moeite waard. Een orgaan gebouwd om bedrog te herkennen in een groep te groot voor persoonlijke controle. Goedkoop te hacken met een symbool, een shirt of een certificaat. Extern nagebouwd door regimes die het vertrouwen wilden vervangen door dwang en daarmee alleen beter geoefende leugenaars kweekten. En bijna doof voor zijn eigen succesverhalen, omdat de mislukkingen die hetzelfde pad namen er niet meer zijn om het tegendeel te vertellen.

Het interessante is niet dat dit alles duizenden jaren oud is. Het interessante is dat het internet ons zonder enige evolutionaire voorbereiding terugzette in een groep die de 150 met factoren van miljoenen overschrijdt, en dat we daar dezelfde oude portier op loslaten. Reputatiesystemen, sterrenbeoordelingen, cancel culture, dat is gossip zoals Dunbar het beschreef, alleen dan met het bereik van een satelliet en zonder de rem van een dorp waar je elkaar de volgende ochtend weer tegenkomt. Een orgaan gebouwd voor honderdvijftig mensen die je kende, ingezet op een schaal van miljarden vreemden. Het zou verbazing moeten wekken dat het zo vaak misgaat. Het verbaast eigenlijk niemand.

Wie verder wil lezen:

Robert Trivers, The Folly of Fools (2011);

Michael Tomasello, A Natural History of Human Thinking (2014);

Sarah Blaffer Hrdy, Mothers and Others (2009);

Robert Axelrod, The Evolution of Cooperation (1984);

Samuel Bowles en Herbert Gintis, A Cooperative Species (2011);

Sheila Fitzpatrick, Tear Off the Masks! (2005);

Nassim Nicholas Taleb, Fooled by Randomness (2001) en The Black Swan (2007); Phil Rosenzweig, The Halo Effect (2007);

Roy Baumeister e.a., “Bad Is Stronger Than Good,” Review of General Psychology (2001).

 

Ook interessant voor jou!