Beste lezer,
Vandaag een essay over het zinnetje “dat zit nu eenmaal in onze natuur“, en hoe vaak het een smoes is.
In het kort. Decennialang gold de pasgeboren baby die zijn tong naar je uitsteekt als bewijs dat nadoen aangeboren is. Groter onderzoek vond niets: baby’s steken hun tong naar van alles uit. De Oxfordse psycholoog Cecilia Heyes trekt dat breed door. Veel van wat we voor aanleg houden, zoals nadoen en gedachten lezen, leren we van elkaar, zoals we lezen en schrijven leren. Dat schuurt met mijn eigen verhaal over oude aandriften in een nieuwe wereld. Maar Heyes gaat te ver zodra je naar het lichaam afdaalt: de adrenalinestoot zit er echt ingebouwd. En haar critici houden een punt. Als alles geleerd is, waarom lijken culturen dan zo op elkaar?
De conclusie: de natuur levert de paniek; wat je ermee doet is aangeleerd, en dus te trainen.
Wie de volgende keer “het zit in onze genen” zegt, mag zich afvragen wie die software heeft geïnstalleerd.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Hardware of software
Cecilia Heyes en de ongemakkelijke vraag hoeveel van onze oertijd we zelf hebben aangeleerd
Een baby van een paar dagen oud steekt haar tong uit naar een volwassene die hetzelfde doet. Andrew Meltzoff en Keith Moore publiceerden de foto’s in 1977 in Science, en decennialang gold het beeld als bewijs dat imitatie aangeboren is: een kant-en-klaar programma, door evolutie geïnstalleerd, klaar voor gebruik op dag één. Het werd een hoeksteen van het idee dat de mens ter wereld komt met een gereedschapskist vol gespecialiseerde mentale modules.
In 2016 testte een Australisch team onder leiding van Janine Oostenbroek ruim honderd baby’s, herhaaldelijk, op meerdere gebaren. Ze vonden geen imitatie. Baby’s steken hun tong uit naar van alles, ook naar dingen die geen tong hebben. Het aangeboren programma bleek een reflex met goede pr.
Voor Cecilia Heyes, experimenteel psycholoog in Oxford, was dat geen verrassing. Het was de bevestiging van een these die ze al twintig jaar verdedigde, en die ze in 2018 uitwerkte in Cognitive Gadgets: The Cultural Evolution of Thinking.
Wat Heyes beweert
De klassieke evolutionaire psychologie, zoals John Tooby en Leda Cosmides die in The Adapted Mind (1992) neerzetten, ziet het brein als een Zwitsers zakmes: honderden gespecialiseerde modules, elk door natuurlijke selectie gevormd om een probleem uit het Pleistoceen op te lossen. Partnerkeuze, bedriegers herkennen, gezichten lezen, taal. De hardware is ingebouwd; cultuur is hooguit het behang.
Heyes keert dat om. De typisch menselijke vermogens die we als aangeboren beschouwen, zoals imitatie, gedachten lezen (mindreading) en zelfs causaal redeneren, zijn volgens haar geen genetische modules maar cognitieve gadgets: mentale werktuigen die we leren van andere mensen, en die van generatie op generatie worden doorgegeven en bijgeschaafd zoals ambachten. Haar favoriete vergelijking is lezen. Niemand denkt dat er een leesmodule in ons DNA zit; het schrift is daarvoor veel te jong. Toch ontwikkelt ieder geletterd brein een gespecialiseerd gebied voor woordherkenning. De hardware is algemeen, de software is cultureel, en de software verandert de hardware terwijl hij draait.
Wat evolutie volgens Heyes wel heeft geleverd, is bescheidener: een aandacht die vroeg op gezichten en stemmen gericht is, een sterke motivatie om sociaal te zijn, en uitzonderlijk krachtige algemene leermechanismen. Dat is geen lege lei. Het is een snelle computer zonder geïnstalleerde apps.
Waarom dit pijn doet
Ik schrijf zelf graag over de mens als een organisme met oude aandriften in een nieuwe omgeving. Het mismatch-argument is verleidelijk omdat het zo veel verklaart. Waarom we te veel eten, waarom statusangst ons wakker houdt, waarom een volle trein ons nerveuzer maakt dan de cijfers rechtvaardigen. Het brein is gebouwd voor de savanne; de savanne is weg.
Heyes stelt de vraag die elke liefhebber van dat argument zichzelf moet stellen: hoeveel van wat ik “oude aandrift” noem, is in werkelijkheid aangeleerde software? Als mindreading een cultureel gadget is, dan zijn verschillen tussen culturen in hoe mensen elkaars bedoelingen lezen geen ruis rond een universele kern, maar het verschijnsel zelf. Joseph Henrich documenteerde in The WEIRDest People in the World (2020) hoe sterk westerse, opgeleide proefpersonen afwijken van de rest van de mensheid, tot in hun visuele waarneming toe. Een groot deel van de klassieke evolutionaire psychologie is gebouwd op studenten uit precies die groep.
Dan wordt het mismatch-argument gevaarlijk dicht bij een excuus. “Het zit in onze genen” klinkt als verklaring, maar functioneert vaak als vrijbrief: het ontslaat de schrijver van de plicht om na te gaan of het gedrag misschien gewoon is aangeleerd, en dus ook af te leren.
Waar Heyes te ver gaat
Toch zou ik Heyes niet volgen tot het einde. Haar these is het sterkst bij de vermogens waar ze zelf onderzoek naar deed: imitatie, mindreading, de hogere sociale cognitie. Ze wordt een stuk zwakker zodra je naar het lichaam afdaalt.
De stressrespons is geen gadget. De HPA-as, de amygdala, de adrenalinestoot die je hartslag in een fractie van een seconde verdubbelt, die hebben we gemeen met elke gewervelde die ooit door een roofdier is opgejaagd. Robert Sapolsky laat in Behave (2017) zien hoe diep die systemen zitten en hoe weinig ze zich iets aantrekken van cultuur. Seksuele voorkeur, statuszucht en de basisvormen van agressie hebben aantoonbare biologische ankers. Richard Wrangham onderscheidt in The Goodness Paradox (2019) reactieve agressie, de driftige uithaal, van proactieve agressie, de koelbloedig geplande aanval, en betoogt dat de mens de eerste door zelfdomesticatie heeft afgezwakt terwijl de tweede juist is verfijnd. Dat is een verhaal over hardware, en het is overtuigend.
De juiste conclusie is dus niet dat alles software is. Het is dat de grens tussen hardware en software op een andere plek ligt dan de klassieke evolutionaire psychologie dacht. Lager, dichter bij het lichaam, met meer ruimte voor cultuur in de verdiepingen erboven. Kevin Laland beschrijft het in Darwin’s Unfinished Symphony (2017) als een co-evolutie: cultuur schept de omgeving waarin genen worden geselecteerd, en genen bepalen hoe snel cultuur kan worden opgepikt. De kip en het ei zitten in dezelfde pan.
Het sterkste tegenargument
Verdedigers van de klassieke evolutionaire psychologie hebben een antwoord dat het overwegen waard is. Als alles cultureel geleerd wordt, waarom lijken culturen dan zo op elkaar? Overal ter wereld herkennen mensen basisemoties, overal is er taal met een grammatica, overal is er jaloezie, rouw en een fascinatie voor roddel. Universaliteit wijst op een gedeelde basis.
Heyes heeft daar een slim antwoord op, en het is half overtuigend. Universaliteit kan ook ontstaan doordat alle mensen dezelfde soort problemen hebben en dezelfde algemene leermachines gebruiken om ze op te lossen. Iedere cultuur heeft ook vuur, kookgerei en het wiel of iets wat erop lijkt. Niemand concludeert daaruit dat er een kookmodule bestaat. Toch blijft er een rest die ze niet wegverklaart: de snelheid waarmee kinderen sommige dingen leren en andere niet, en de opvallende patronen in wat ze moeiteloos oppikken. Die voorkeuren moeten ergens vandaan komen. Heyes zegt “aandacht en motivatie”; haar critici zeggen dat ze daarmee de modules gewoon heeft hernoemd. Ik vermoed dat de waarheid in het midden ligt, en dat dat midden ongemakkelijk breed is.
Wat het verschil uitmaakt
De vraag of iets hardware of software is, is niet academisch. Ze bepaalt hoeveel je kunt veranderen. Albert Bandura’s werk over self-efficacy, het vertrouwen dat je een taak aankunt, laat zien dat dat vertrouwen grotendeels geleerd wordt: door ervaring, door voorbeelden, door overtuiging. Dat is software, en die is bij te werken.
Voor wie traint, in een sport of in zelfverdediging, betekent dit iets concreets. De adrenalinestoot zal komen; die is hardware, en geen training schakelt hem uit. Wat je kunt trainen, is wat je doet terwijl hij komt. Welke handeling je lichaam kiest als het denkvermogen tijdelijk offline gaat, is een gadget, aangeleerd door herhaling, en het verschil tussen een getraind en een ongetraind persoon zit precies daar. De natuur levert de paniek. De cultuur levert het antwoord.
Vooruit
Ik verwacht dat het debat de komende tien jaar door de neurowetenschappen beslist wordt, niet door de filosofie. Als we beter kunnen meten hoe hersengebieden zich specialiseren tijdens de ontwikkeling, zullen we zien welke “modules” er al bij de geboorte zijn en welke pas ontstaan na jaren oefening. Mijn gok: Heyes krijgt meer gelijk dan haar critici lief is en minder dan zijzelf hoopt. Voor wie zoals ik over de mens schrijft, is de les eenvoudig en vervelend. Elke keer dat je “dat zit in onze natuur” opschrijft, moet je je afvragen of je de hardware beschrijft of de software die je toevallig zelf hebt geïnstalleerd.
Bronnen
- Heyes, C. (2018). Cognitive Gadgets: The Cultural Evolution of Thinking. Harvard University Press.
- Heyes, C. (2019). Précis of Cognitive Gadgets. Behavioral and Brain Sciences 42, e169. Wikipedia: Cecilia Heyes
- Meltzoff, A. N. & Moore, M. K. (1977). Imitation of facial and manual gestures by human neonates. Science 198, 75-78.
- Oostenbroek, J. et al. (2016). Comprehensive longitudinal study challenges the existence of neonatal imitation in humans. Current Biology 26, 1334-1338.
- Tooby, J. & Cosmides, L. (1992). The psychological foundations of culture. In Barkow, Cosmides & Tooby (red.), The Adapted Mind. Oxford University Press.
- Henrich, J. (2020). The WEIRDest People in the World. Farrar, Straus and Giroux.
- Laland, K. N. (2017). Darwin’s Unfinished Symphony. Princeton University Press.
- Sapolsky, R. M. (2017). Behave. Penguin Press.
- Wrangham, R. (2019). The Goodness Paradox. Pantheon.
- Bandura, A. (1997). Self-Efficacy: The Exercise of Control. W. H. Freeman.
