Beste lezer,
Vandaag een essay over een woord dat eeuwenlang vrouwen het zwijgen oplegde en nog altijd rondgaat als scheldwoord: hysterie.
In het kort. Een vrolijke film vertelt dat Victoriaanse dokters hysterische vrouwen naar een orgasme masseerden en zo de vibrator uitvonden. Dat verhaal is verzonnen, en bijna iedereen geloofde het, de wetenschap voorop. Zo werkt hysterie zelf ook: een verhaal dat zich verspreidt omdat het past bij wat we al dachten. De oorzaak verhuisde in de loop der eeuwen van de baarmoeder naar de duivel, naar de zenuwen en naar het onbewuste. De klachten bleven: verlamming, blindheid, aanvallen zonder lichamelijke schade. Die klachten zijn echt en niet gespeeld; het lichaam spreekt de taal die zijn tijd verstaat.
Hysterie is nooit genezen, alleen hernoemd, en het brein kan een lichaam voorspellen dat er niet is.
Wie nu lacht om de dokters van toen, mag eerst even op zijn telefoon kijken.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
De dokter had geen vibrator
De film die we wilden geloven
Londen, 1880. Een jonge arts verliest zijn baan omdat hij in bacteriën gelooft, wat in die jaren ongeveer even verstandig was als nu geloven in bescheidenheid op LinkedIn. Hij vindt onderdak bij een dokter in Harley Street die zich heeft toegelegd op hysterische dames. De behandeling bestaat uit handmatige stimulatie van het onderlichaam, net zo lang tot de patiënte een “paroxysme” bereikt. De wachtkamer zit vol. De rechterhand van de jonge dokter krijgt kramp. Op een avond speelt hij met de elektrische plumeau van een vriend en ziet hij het licht, of in elk geval het stopcontact. De vibrator is geboren, de dames zijn opgelucht, de dokters ook, en het publiek gaat naar huis met de prettige gedachte dat de geschiedenis altijd dommer was dan wij.
Dat is Hysteria, een romantische komedie uit 2011. De jonge arts heeft bestaan. Joseph Mortimer Granville patenteerde in de jaren tachtig van de negentiende eeuw een elektromechanische hamer die trilde. Daarmee houdt de overeenkomst met de werkelijkheid zo ongeveer op.
Het verhaal komt uit een boek van een Amerikaanse technologiehistorica uit 1999. Zij opperde dat artsen eeuwenlang vrouwen naar een orgasme hadden gemasseerd zonder te beseffen wat ze deden, en dat de vibrator was uitgevonden om die handenarbeid te mechaniseren. Ze bracht het voorzichtig, als hypothese. Het werd gelezen als ontdekking. Twintig jaar lang dook het op in proefschriften, tijdschriften, museumbordjes en een Broadway-toneelstuk, en ten slotte in de bioscoop. De ene geleerde citeerde de andere, de andere citeerde de krant, de krant citeerde de eerste, en niemand pakte de bronnen erbij.
In 2018 deden twee onderzoekers dat wel. Ze vonden niets. Geen enkele Victoriaanse arts beschrijft het opwekken van een orgasme als behandeling van hysterie. Granville zelf schreef dat hij zijn hamer bij vrouwen bewust niet gebruikte, en dat hij dat ook niet van plan was, omdat hij zijn methode niet wilde laten besmeuren door de theatrale kant van hysterie. Zijn apparaat was bedoeld voor spierpijn, zenuwpijn en een trage darm. Een film over een dokter die met een trillende hamer de constipatie van een kantoorklerk te lijf gaat, haalt de bioscoop niet. Hooguit de huisartsenpost.
Dan de interessante vraag. Waarom geloofde iedereen het? Omdat het verhaal alles had wat een verhaal nodig heeft om zich te verspreiden. Het ging over seks, dus het werd gelezen. Het was grappig, dus het werd doorverteld. En het bevestigde wat het publiek al dacht: dat mannelijke artsen vrouwen niet begrepen, dat lust werd onderdrukt, en dat wij het tegenwoordig gelukkig beter weten. Een verhaal dat ons vertelt hoe verlicht we zijn, hoeft niet waar te zijn. Het moet alleen bevallen.
Zo werd de film over hysterie zelf een staaltje hysterie, in de zin die verderop nog terugkomt: een overtuiging die door een groep trekt omdat ze een behoefte vult, niet omdat ze klopt, en die voor wie haar draagt net zo echt aanvoelt als een gebroken pols. De academici die het verhaal doorgaven waren niet dom. Ze waren aangestoken.
En dan nog het orgaan. Zelfs wie de mythe doorprikt, neemt meestal ongemerkt aan dat hysterie in het onderlichaam werd gezocht, en dat een aandoening van het zenuwstelsel daarmee tot een geslachtsdeel werd teruggebracht. Dat klopt half, en de helft die niet klopt is leerzaam. Het ging om de baarmoeder, niet om de vagina. En de geschiedenis van hysterie loopt in omgekeerde richting: eerst de buik, pas veel later het hoofd. De diagnose reisde door het lichaam, van onder naar boven, zonder ooit aan te komen.
Een dier in de buik
Het woord komt van het Griekse hystera, baarmoeder. Plato beschreef dat orgaan als een dier dat naar kinderen verlangt. Blijft het te lang onvervuld, dan gaat het zwerven, drukt het op longen, hart en keel en veroorzaakt het benauwdheid en allerhande kwalen. De Hippocratische artsen schreven over een baarmoeder die zich verplaatst en de vrouw doet stikken. Hun behandeling had een eigen logica: lok het orgaan terug met lekkere geuren van onderen, jaag het weg met stank van boven. Of beter: trouw en word zwanger. Een therapie die vooral de echtgenoot ten goede kwam, en de bevolkingsgroei.
Historici wijzen er inmiddels op dat “hysterie” als één omlijnde ziekte bij de Grieken nauwelijks bestond. Die eenheid is er later in teruggelezen, door artsen die voor hun eigen diagnose een eerbiedwaardige stamboom zochten. Ook dat patroon zal terugkomen: elk tijdperk herschrijft het verleden tot een aanloop naar zichzelf.
Galenus, tweede eeuw, vond die zwervende baarmoeder wat onwaarschijnlijk en verving haar door iets wat hij redelijker vond: opgehoopt zaad. Ook vrouwen hadden volgens hem zaad, en wie het niet kwijtraakte, weduwen en ongetrouwde vrouwen voorop, werd vergiftigd door het stilstaande vocht. Hier ligt de enige echte kiem van de vibratormythe. Galenus beschrijft een weduwe die door een vroedvrouw met warme zalf werd behandeld, daarbij genot en een uitstorting van vocht ervoer, en daarna opknapte. Vijftien eeuwen later, in Alkmaar, raadde de stadsarts Pieter van Foreest bij “verstikking van de baarmoeder” nog altijd een vroedvrouw aan die met olie de schaamstreek masseerde. Dat staat er echt, in het Latijn, met een zekere zakelijkheid. Alleen was het een uitzonderingsmiddel binnen de oude sappenleer, uitgevoerd door vroedvrouwen, en geen spreekuurroutine van Victoriaanse heren met een volle agenda. De mythe nam een snipper uit de zestiende eeuw en naaide die aan een apparaat uit de negentiende. Tweedehands geschiedenis met een nieuwe stekker.
Intussen kreeg de baarmoeder concurrentie van de duivel. Een vrouw met stuipen, verstijfde ledematen, gevoelloze plekken op de huid en een stem die niet de hare leek, was bezeten of behekst. De heksenjacht had haar eigen diagnostiek: een plek die bij een speldenprik niet pijn deed of niet bloedde, was het merkteken van Satan. Gevoelloosheid zonder lichamelijke oorzaak, het klassieke hysterische symptoom, kon je op het schavot brengen, en dan niet als patiënt. In 1602 stond een Londense arts in de rechtszaal om te betogen dat een meisje dat in stuipen schoot zodra een oude buurvrouw binnenkwam, niet behekst was maar leed aan een kwaal van de baarmoeder. Hij verloor. De buurvrouw werd veroordeeld. Het was voor het eerst dat een medische verklaring het in de rechtszaal tegen de duivel opnam, en de duivel won op punten.
Pas in de zeventiende eeuw verhuisde de oorzaak naar boven. Een Engelse anatoom die als een van de eersten het brein nauwkeurig in kaart bracht, stelde dat de aanvallen uit hersenen en zenuwen kwamen, niet uit de buik. Een landgenoot, een praktiserend arts met veel patiënten en weinig geduld voor theorie, voegde eraan toe dat mannen er net zo goed last van hadden; bij hen heette het alleen anders, hypochondrie. Daar ligt het antwoord op de vraag hoe een zenuwkwaal tot een geslachtsorgaan kon worden teruggebracht. Dat gebeurde niet. De baarmoeder was er eerst, het hoofd kwam later, en toen het hoofd er eenmaal was, bleef het woord toch aan de vrouw plakken. Een diagnose verhuist makkelijker dan een vooroordeel.
Het theater van de Salpêtrière
Parijs, de jaren tachtig van de negentiende eeuw. De Salpêtrière, ooit een buskruitfabriek, is inmiddels het grootste vrouwengasthuis van Europa: duizenden bewoonsters, oud, arm, epileptisch, gestoord of alles tegelijk. Hier regeert Jean-Martin Charcot, de beroemdste neuroloog van zijn tijd, en terecht beroemd: hij beschreef multiple sclerose en de ziekte die we nu ALS noemen. Charcot besloot dat hysterie een echte zenuwziekte was, met een vast verloop, net als die andere. De grote aanval kende volgens hem vier fasen, met als hoogtepunt de arc de cercle: de patiënte die op bed alleen nog op hielen en achterhoofd rust, het lichaam als een gespannen boog.
Charcot liet het fotograferen, tekenen en catalogiseren. Hij demonstreerde zijn patiënten voor een zaal vol artsen, schrijvers, journalisten en nieuwsgierigen uit de betere kringen. Onder hypnose lieten ze zich verlammen en weer genezen, blaften ze, kropen ze, vielen ze op commando in een aanval. De ster heette Blanche Wittmann, in de pers de koningin van de hysterischen. Een schilderij uit 1887 legt het vast: Charcot in zijn zwarte jas, een halve kring heren met notitieboekjes, en Wittmann die bezwijmt in de armen van zijn assistent, de blouse half van de schouder. Aan de muur achter haar hangt een tekening van een vrouw in de arc de cercle. Wittmann kan hem zien. De rest van de zaal ook.

Dat detail is het hele verhaal. De ziekte die Charcot dacht te ontdekken, werd in zijn eigen zaal gerepeteerd. Vrouwen die het gasthuis binnenkwamen, leerden van andere patiënten, van de verpleging en van de verwachtingen van de dokters hoe een echte hysterische aanval eruitzag, en kregen er een. Na Charcots dood in 1893 concludeerde zijn assistent, de man uit het schilderij, dat de grote hysterie grotendeels het product van suggestie was geweest. Hij gaf haar een nieuwe naam die zoiets betekende als: te genezen door overreding. De spectaculaire aanvallen verdwenen bijna uit de Salpêtrière zodra het publiek wegbleef. Geen voorstelling zonder zaal.
In de zaal had in 1885 ook een jonge Weense neuroloog gezeten. Sigmund Freud nam het idee mee dat hysterie een ziekte van het zenuwstelsel was zonder zichtbare beschadiging, en verplaatste de oorzaak één verdieping hoger: naar het onbewuste. Met zijn oudere collega Josef Breuer publiceerde hij in 1895 een boek over hysterie, met als beroemdste geval Anna O. Zij was een slimme jonge vrouw uit een welgestelde familie, met verlammingen, een scheelstand, aanvallen van afwezigheid, en een periode waarin ze haar moedertaal Duits niet meer kon spreken en alleen nog Engels sprak. Door te praten over wat haar dwarszat, knapten haar klachten op, steeds één tegelijk. Zij noemde het zelf, in het Engels, de talking cure, of ook wel schoorsteenvegen. Freud en Breuer formuleerden de stelling dat hysterici vooral aan herinneringen lijden; wat niet gezegd kon worden, werd door het lichaam uitgedrukt. Ze noemden dat conversie.
Het gevalsverslag was beter dan de genezing. Anna O. werd na de behandeling opgenomen in een sanatorium, verslaafd aan morfine, met dezelfde klachten. Later werd ze onder haar echte naam, Bertha Pappenheim, een van de felste sociaal werkers van Duitsland, oprichter van een joodse vrouwenbond en bestrijdster van vrouwenhandel. Over psychoanalyse sprak ze, voor zover bekend, liever niet. Ze genas niet van de therapie. Wel van de therapeuten.
En dan was er Dora, achttien jaar, door haar vader naar Freud gestuurd. Een vriend van de familie, getrouwd en ruim ouder, had haar gezoend en later een voorstel gedaan. Zij walgde ervan. Freud zag in die walging verdrongen verlangen; haar hoest en haar stemverlies waren de vermomde taal van een begeerte die ze niet wilde toegeven. Na elf weken stapte ze op. Freud noteerde het als een mislukte behandeling. Waar een meisje nee zei, hoorde de dokter een symptoom van ja.
Tel de verhuizingen. Van de baarmoeder naar het zaad, van het zaad naar de duivel, van de duivel naar het brein, van het brein naar de zenuwen, van de zenuwen naar het onbewuste. De verklaring reisde de hele tijd. De patiënte bleef liggen waar ze lag.

Weggestreept, niet verdwenen
In 1980 schrapte het Amerikaanse handboek van de psychiatrie het woord hysterie. Te beladen, te vaag, te vrouwelijk. Wat ervoor in de plaats kwam, heette eerst conversiestoornis en tegenwoordig functionele neurologische stoornis. Het woord ging de prullenbak in. De patiënten niet.
Wie vandaag een neurologische polikliniek binnenloopt, treft er een flink deel mensen aan met klachten die niet passen bij beschadiging van zenuwen of hersenen. Een been dat niet wil. Een arm die slap hangt. Aanvallen die op epilepsie lijken maar waarbij de hersenstroom gewoon doorloopt. In centra voor moeilijk behandelbare epilepsie blijkt een aanzienlijk deel van de doorverwezen patiënten helemaal geen epilepsie te hebben, sommigen na jaren aan de verkeerde medicijnen. Het is een van de meest voorkomende redenen om bij een neuroloog te belanden. Je zou het niet zeggen, omdat er geen lintjeskleur voor bestaat en geen sponsorloop.
Hoe weet de neuroloog het? Niet doordat hij niets vindt, wel doordat hij iets vindt. Neem een patiënt met een zwak rechterbeen. Vraag hem op de rug liggend dat rechterbeen omlaag in de onderzoeksbank te drukken: niks, geen kracht. Laat hem daarna zijn linkerbeen optillen, terwijl je je hand onder zijn rechterhiel houdt. Wie zijn linkerbeen heft, drukt vanzelf met het rechter omlaag, zonder erbij na te denken. En kijk: de kracht is er ineens. Het been werkt, zolang de aandacht ergens anders is. Dat is geen betrapping op toneelspel. De patiënt merkt het verschil vaak zelf niet eens.
Daar zit de sleutel. Wie zijn aandacht op het been richt, verliest het. Wie zijn aandacht van het been afhaalt, krijgt het terug. Een simulant zou het omgekeerde laten zien: alert, steeds op zijn hoede, juist als hij denkt dat er niet gekeken wordt even onvoorzichtig. Hier gebeurt iets anders.
Het brein voorspelt een lichaam
Onze hersenen zijn geen camera die registreert wat er is. Ze voorspellen wat er waarschijnlijk is, en gebruiken binnenkomende signalen vooral om die voorspelling bij te stellen. Je ziet geen stoel; je hersenen gokken stoel, en de ogen mogen protesteren als het een hond blijkt te zijn. Dat geldt ook voor het eigen lichaam. Hoe een arm voelt, of een been gehoorzaamt, wat pijn doet: het is steeds een gok die door de zintuigen wordt bevestigd of gecorrigeerd. Een systeem dat zuinig moet zijn met energie, kan niet alles van nul af aan uitrekenen. Het rekent vooruit en kijkt alleen goed als het niet klopt.
Normaal winnen de zintuigen als ze hard genoeg roepen. Bij een functionele stoornis wint de verwachting. Na een verstuiking, een paniekaanval, een val of gewoon een angstig moment ontstaat een sterke voorspelling: dit been doet het niet. Die voorspelling krijgt meer gewicht dan de signalen uit het been zelf, die braaf melden dat er niets aan de hand is. En omdat aandacht in dit systeem werkt als een versterker, maakt elke keer dat de patiënt bezorgd naar het been kijkt, de voorspelling steviger. Het brein voorspelt een kapot been en beleeft er vervolgens een. Een groep Londense neurologen heeft dit ruim tien jaar geleden uitgewerkt tot een model dat ze, met een knipoog, een Bayesiaanse verklaring van hysterie noemden.
Dat is de uitkomst waar Charcot naar zocht en die hij met zijn camera’s niet kon vinden: een echte stoornis in het zenuwstelsel, zonder beschadiging, in de software in plaats van de bedrading. En het verklaart waarom de Salpêtrière zo vruchtbaar was. Wie dagelijks ziet hoe een hysterische aanval eruitziet, krijgt een kant-en-klare voorspelling aangereikt. Het voorbeeld op de muur was geen decor. Het was het recept.
Het maakt ook duidelijk wat voor soort vergissing het woord “aanstellerij” is. Aanstellen veronderstelt iemand die beslist om iets te spelen, een regisseur in het hoofd die de knoppen bedient. Die zit er niet. Er is een organisme dat een voorspelling over zichzelf uitvoert, en een bewustzijn dat achteraf, net als de buitenwereld, verbaasd vaststelt dat het been niet wil. Geen simulant, en ook geen bestuurder die simuleert.
Een taal zonder woorden
Dan de vraag waarom de klachten per tijdperk zo verschillen. Een medisch historicus heeft daar een treffend begrip voor gemunt: de symptoompool. Elke cultuur heeft een voorraad lichamelijke klachten die op dat moment geloofwaardig zijn, waarmee artsen iets kunnen en die de omgeving herkent als echt ziek. Onbewust put het lichaam uit die voorraad. In de negentiende eeuw zaten er verlammingen, flauwtes en spectaculaire aanvallen in. Toen de neurologie leerde om verlamming te testen met hamertjes, reflexen en die truc met de hiel, raakten die klachten uit de mode. Ze waren te makkelijk te ontmaskeren. De symptomen schoven op naar terrein waar geen hamertje bij kan: pijn, uitputting, duizeligheid, een vaag ziekzijn dat de hele dag aanhoudt. Hysterie werd niet genezen. Ze dook onder in klachten die zich niet laten testen.
Voorzichtigheid is hier op zijn plaats, omdat dit argument makkelijk ontaardt in de bewering dat iedereen met onverklaarde vermoeidheid zich iets inbeeldt. Een Amerikaanse literatuurhistorica die eind jaren negentig chronische vermoeidheid en het Golfoorlogsyndroom op één hoop gooide met ontvoeringen door buitenaardsen, kreeg doodsbedreigingen, en niet geheel zonder aanleiding: ze haalde echt lijden en collectieve fantasie door elkaar. Het punt is een ander. Dat een klacht in de verwachtingen van het brein ontstaat, maakt haar niet minder echt dan een klacht die in een spier ontstaat. Een migraine bestaat ook alleen in het hoofd.
Wie naar de functie van zo’n symptoom kijkt, ziet iets wat Wittgenstein over taal zei: de betekenis van een woord zit in het gebruik ervan. Zo werkt een symptoom ook. Een flauwte in een Victoriaanse salon betekende iets, omdat iedereen in die salon wist wat je met een flauwvallende vrouw deed: haar naar boven brengen, de bezoeker wegsturen, het gesprek staken. Een vrouw had in die salon weinig andere manieren om nee te zeggen. Haar lichaam had er één.
Biologen zouden zeggen dat een signaal geloofwaardig is in de mate dat het iets kost. Een verlamming kost veel: je kunt niet lopen, niet werken, niet weg. Juist daardoor wordt ze geloofd. Een klacht die niets kost, is goedkoop praatje; een klacht die je je mobiliteit kost, is een verklaring onder ede. Niemand berekent dat. Het organisme heeft geen boekhouder. Maar gedrag dat de omgeving in beweging brengt, wordt herhaald, en gedrag dat niets oplevert, sterft uit. Zo krijgt een lichaam een woordenschat zonder dat er ooit iemand een woord heeft gekozen.
Mannen hebben geen baarmoeder
Wie denkt dat hysterie een vrouwenziekte is, moet even naar 1915 kijken. In de loopgraven van Vlaanderen en Noord-Frankrijk vielen tienduizenden soldaten uit zonder kogel of granaatscherf in hun lijf. Ze trilden, ze werden blind, ze konden niet meer praten, hun benen weigerden. Ze liepen in vreemde, schokkende gangen, of helemaal niet. Precies de klachten van de vrouwen in de Salpêtrière, maar dan in uniform.
Dat kon natuurlijk niet. Helden zijn niet hysterisch. Dus kreeg het een andere naam: shellshock, eerst nog in de veronderstelling dat de luchtdruk van exploderende granaten de hersenen beschadigde. Toen bleek dat ook mannen die nooit in de buurt van een ontploffing waren geweest dezelfde klachten kregen, bleef de naam toch staan. Een woord dat een man zijn eer laat houden, gooi je niet zomaar weg.
En kijk wie welke diagnose kreeg. Officieren kregen vaker zenuwzwakte, een nette kwaal van overspannen beschaafde geesten, met rust en een verblijf op het platteland. Gewone soldaten kregen vaker hysterie, en een behandeling met elektrische schokken op de keel of de ledematen, tot het symptoom verdween en de man terug kon naar het front. In Londen en in Duitsland stonden artsen die daar bijzonder bedreven in waren. De diagnose volgde de rang, niet het lichaam.
Ook hier laat de functie zich lezen. Een soldaat kon niet weigeren te vechten. Een deserteur werd gefusilleerd. Een zieke werd verpleegd. Het lichaam vond de enige uitgang die de situatie toeliet, en het deed dat zonder dat de man het besloot. Het organisme zei nee, op de enige manier waarop een nee daar overleefde.
Een halve eeuw eerder hadden spoorwegongelukken hetzelfde laten zien. Passagiers die bij een botsing nauwelijks een schram opliepen, kregen weken later verlammingen, pijn en slapeloosheid, en daarmee een schadeclaim tegen de spoorwegmaatschappij. Artsen twistten jarenlang over de vraag of de wervelkolom was beschadigd of de geest. De advocaten twistten mee, met meer plezier en een hoger uurtarief.
Besmetting zonder bacterie
Hysterie verspreidt zich, en daarvoor is geen virus nodig. Straatsburg, de zomer van 1518. Een vrouw begint op straat te dansen en houdt niet op. Binnen enkele weken dansen er volgens de kronieken tientallen tot honderden mensen, dagenlang, tot ze uitgeput neervallen. Het stadsbestuur stelt een diagnose die toen voor de hand lag: te heet bloed. De remedie: nog meer dansen, zodat het eruit gaat. Er worden muzikanten ingehuurd en podia gebouwd. De epidemie wordt erger. Pas als de dansers naar een heiligdom worden gebracht om boete te doen, ebt het weg. Het geloof gaf de ziekte haar vorm, en het geloof gaf haar ook een uitgang.
Tanganyika, 1962. Op een meisjesschool aan het Victoriameer begint een paar leerlingen te lachen, en ze kunnen niet meer stoppen. Uren, dagen. Het lachen verspreidt zich naar andere leerlingen, naar dorpen, naar andere scholen. Meer dan tien scholen gaan dicht. Bloedonderzoek levert niets op. Wat de meisjes deelden, was niet een virus maar een situatie: strenge internaten, een land net onafhankelijk, verwachtingen die van alle kanten trokken.
Le Roy, een stadje in de staat New York, 2011. Een tiental scholieren krijgt plotseling tics, schokken en onwillekeurige geluiden. De landelijke televisie komt, een bekende milieuactiviste komt zoeken naar een gifspoor in de grond, de meisjes vertellen hun verhaal in talkshows. Elke uitzending levert nieuwe gevallen op. Er wordt geen gif gevonden. Wat de meisjes kregen, was een verwachting, en die verwachting werd landelijk uitgezonden.
En dan 2020 en 2021. Tijdens de lockdowns zien neurologen in Duitsland, Engeland, Canada, de Verenigde Staten en Australië ineens grote aantallen tieners, vooral meisjes, met tics die op het syndroom van Gilles de la Tourette lijken. Behalve dat het niet klopt. Tourette begint meestal in de vroege kindertijd, vaker bij jongens, en bouwt geleidelijk op. Deze tics kwamen plotseling, bij oudere tieners, en ze leken verdacht veel op elkaar: dezelfde gebaren, dezelfde uitroepen, overgenomen van een handvol populaire filmpjes waarin jonge mensen met tics hun dagelijks leven lieten zien. Duitse artsen herleidden een groot deel van de gevallen tot één enkele YouTuber. De symptoompool van de eenentwintigste eeuw heeft een algoritme.
Zweden laat zien hoe ver dit gaat. Sinds de jaren negentig raken kinderen van asielzoekers wier gezin met uitzetting wordt bedreigd, soms in een toestand die op een coma lijkt. Ze eten niet, ze reageren niet, ze liggen maandenlang in bed, gevoed via een sonde. Dat gebeurt bijna uitsluitend in Zweden. In landen met vergelijkbare vluchtelingen en vergelijkbare dreiging komt het nauwelijks voor. Het lichaam van een kind kent blijkbaar de lokale taal beter dan de immigratiedienst.
Wie hierom lacht, heeft hetzelfde probleem als de academici met hun vibrator. Elke generatie ziet de hysterie van de vorige glashelder en de eigen niet. Wij lachen om de dansers van Straatsburg en delen, met evenveel overtuiging en evenveel bewijs, het nieuwste verontwaardigde filmpje. Dat laatste is overigens geen hysterie in de klinische zin, en wie elke maatschappelijke opwinding hysterisch noemt, maakt van het woord wat het eeuwenlang was: een manier om iemand niet serieus te hoeven nemen. Het mechanisme is wel verwant. Een verhaal dat past bij wat de groep wil voelen, gaat sneller dan een verhaal dat klopt.
De tekening aan de muur
De vraag waar dit essay mee begon, hoe een zenuwkwaal tot een geslachtsdeel kon worden teruggebracht, blijkt bij nader inzien een omgekeerde vraag. Het begon bij de baarmoeder en het eindigde in het voorspellende brein. Daartussen zat een duivel, een zaal vol heren met notitieboekjes, een sofa in Wenen, een loopgraaf, een schoolplein, een YouTube-kanaal en een film met Maggie Gyllenhaal. Telkens verhuisde de verklaring, en telkens dacht het nieuwe tijdperk dat het de waarheid had gevonden waar de vorige een fantasie had gezien.
De constante zat niet in de oorzaak. Die zat in het mechanisme: een organisme dat zijn eigen lichaam voorspelt, die voorspelling laat voeden door wat de omgeving verwacht, en zo een klacht ontwikkelt die echt is zonder dat er iets kapot is. Daarbij komt een omgeving die dat lichaam leest, er iets mee doet, en het zo leert wat het voortaan moet zeggen. Het woord hysterie is weg. De woordenschat waarin het lichaam spreekt, wordt elk decennium bijgewerkt.
Op dat schilderij uit 1887 hangt de tekening van de arc de cercle aan de muur, achter Blanche Wittmann, op ooghoogte. Ze hoeft maar even opzij te kijken om te zien wat er van haar verwacht wordt. Tegenwoordig hangt die tekening niet meer aan de muur. Hij zit in een broekzak, hij is verlicht, hij heeft geluid, en hij wordt elke ochtend ververst.
De baarmoeder heeft nooit gezworven. Het verhaal wel.
Literatuur
- Rachel P. Maines, The Technology of Orgasm: “Hysteria,” the Vibrator, and Women’s Sexual Satisfaction(1999). De bron van de vibratormythe.
- Hallie Lieberman en Eric Schatzberg, “A Failure of Academic Quality Control: The Technology of Orgasm”, Journal of Positive Sexuality (2018). De ontmanteling, inclusief Granvilles eigen woorden.
- J. Mortimer Granville, Nerve-Vibration and Excitation as Agents in the Treatment of Functional Disorder and Organic Disease (1883).
- Helen King, Hippocrates’ Woman: Reading the Female Body in Ancient Greece (1998). Over de latere constructie van de Griekse “hysterie”.
- Andrew Scull, Hysteria: The Disturbing History (2009). De beste beknopte geschiedenis.
- Mark S. Micale, Approaching Hysteria: Disease and Its Interpretations (1995).
- Georges Didi-Huberman, Invention of Hysteria: Charcot and the Photographic Iconography of the Salpêtrière (1982, Engelse vertaling 2003). Over het theater en de camera.
- Josef Breuer en Sigmund Freud, Studien über Hysterie (1895); Sigmund Freud, Bruchstück einer Hysterie-Analyse(1905), het geval Dora.
- Edward Shorter, From Paralysis to Fatigue: A History of Psychosomatic Illness in the Modern Era (1992). Het begrip symptoompool.
- Ian Hacking, Mad Travelers: Reflections on the Reality of Transient Mental Illnesses (1998).
- Elaine Showalter, Hystories: Hysterical Epidemics and Modern Media (1997). Prikkelend, en een les in hoe het niet moet.
- Ben Shephard, A War of Nerves: Soldiers and Psychiatrists 1914–1994 (2000). Over shellshock en de behandeling ervan.
- Mark J. Edwards, Rick A. Adams, Sven Bestmann, Kailash P. Bhatia en Karl J. Friston, “A Bayesian account of ‘hysteria'”, Brain (2012). Het voorspellende model van functionele stoornissen.
- Jon Stone e.a., onderzoek naar functionele klachten op neurologische poliklinieken en het teken van Hoover.
- Suzanne O’Sullivan, It’s All in Your Head (2015) en The Sleeping Beauties: And Other Stories of Mystery Illness (2021). Een neuroloog over functionele klachten, Le Roy en de Zweedse kinderen.
- John Waller, A Time to Dance, a Time to Die: The Extraordinary Story of the Dancing Plague of 1518(2008).
- Robert E. Bartholomew, werk over massale psychogene ziekte, waaronder de lachepidemie in Tanganyika.
- Kirsten R. Müller-Vahl e.a., “Stop that! It’s not Tourette’s but a new type of mass sociogenic illness”, Brain(2022). Over de tics via sociale media.
- Amotz en Avishag Zahavi, The Handicap Principle (1997). Over waarom kostbare signalen geloofwaardig zijn.
- Ludwig Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen (1953).
- Film: Hysteria, regie Tanya Wexler (2011).
