Het pilootje

Het pilootje

Beste lezer,

Vandaag een essay over de keeper die de bal laat zitten, de bokser die zaterdag stroef is en de pianist met een black-out, en over de vraag wie er in je hoofd eigenlijk de boel verknalt.

In het kort. Onder druk presteren experts slechter, en vaak juist omdat ze gaan opletten. Het deel van je brein dat uitlegt wat je doet grijpt in bij een handeling die het nooit kon uitvoeren. Dat ondersteunt het idee dat jij niet de bestuurder bent, maar het laat ook zien dat er twee besturingen zijn en dat de ene de andere kan saboteren.

De conclusie: het probleem zit niet in je zenuwen maar in je aandacht, en je lost het niet op met moed maar met een andere opdracht.

Kies vandaag een handeling die je zonder nadenken doet, zoals de trap aflopen of je veters strikken, en beschrijf haar stap voor stap terwijl je haar uitvoert. Noteer wat er met de handeling gebeurt.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.

 

Het pilootje

Op dinsdagavond in de sportschool pareert je lichaam de jab van je sparringpartner zonder je te raadplegen. Op zaterdag staat er een scheidsrechter, een zaal en een tegenstander die je niet kent, en opeens ga je nadenken over je ellebogen. Je handen, die tienduizend keer wisten wat ze moesten doen, worden gemanaged door iemand die er niets van kan. Dat noemen we zenuwen, maar het is bestuurlijke inmenging. De keeper die op een groot toernooi de bal laat zitten, de pianist met de black-out, de topman die voor een bonus van een miljoen slechter rekent dan voor een tientje: het is steeds hetzelfde probleem. Het brein heeft een autopiloot die het goed doet en een pilootje dat meent dat hij het doet. Onder druk grijpt het pilootje het stuur.

Het verschijnsel heeft sinds 1984 een naam. Een Amerikaanse psycholoog liet toen zien dat een hogere beloning bij een vaardigheidstaak de prestatie kan verlagen, en noemde dat choking. Zijn verklaring was zelfbewustzijn: de proefpersoon gaat zichzelf bekijken terwijl hij iets doet wat hij alleen goed kan zolang hij er niet naar kijkt.¹ Dat klinkt als een anekdote met een label erop. Het werd een experiment toen ervaren golfers onder druk gingen putten en een tweede taak kregen. Moesten ze een toon in de gaten houden, dan putten ze even goed. Moesten ze op hun eigen slag letten, dan zakten ze in.² Afleiding schaadt de expert niet; toezicht wel.

Het werkt bij voetballers net zo. Ervaren spelers dribbelden trager rond hun pionnen zodra ze moesten benoemen met welke kant van de voet ze de bal raakten. Beginners hadden er geen last van, want die moeten het nog bewust doen.³ Een andere onderzoeker leerde golfbeginners putten zonder dat ze één regel kregen, door ze tegelijk een andere taak te geven. Die spelers hadden niets om op terug te vallen en dus ook niets om bij te sturen: onder stress gingen ze niet achteruit.⁴ Wat je niet weet te verwoorden kun je niet saboteren.

Er is een nog gemener bewijs. Wie zichzelf opdraagt vooral niet te ver te putten, putte onder mentale belasting juist te ver, want een deel van het brein bewaakt of het verbod wordt nageleefd, en dat deel kijkt precies naar wat het wil vermijden.⁵ De instructie “denk niet aan de fout” is een uitnodiging voor de fout. Elke coach die roept “gewoon niet nadenken” weet dit, zonder te weten wat hij weet.

Geld maakt het niet beter. In een veldexperiment op het Indiase platteland kregen deelnemers een bonus die opliep tot ongeveer vijf maanden loon. Bij taken die alleen inspanning vroegen hielp dat, bij taken die denkwerk en vaardigheid vroegen deden de deelnemers met de hoogste bonus het slechtst.⁶ De wereld is ingericht alsof meer prikkel meer prestatie oplevert, en het brein zegt dat het precies andersom kan liggen.

Nu de kritiek, want de hoofdlijn is te mooi. Het sterkste voorbeeld uit de sportwereld, de strafschoppenserie waarin de ploeg die begint ruim zestig procent van de wedstrijden wint, bleek in een veel grotere steekproef geen verschil te geven.⁷ Het mooiste voorbeeld uit het stadion houdt dus geen stand. Verder is choking niet altijd het pilootje. Bij rekenwerk dat veel werkgeheugen vraagt werden mensen onder druk slechter doordat hun zorgen het geheugen bezetten, en daar was geen vaardigheid voor nodig die automatisch had moeten verlopen.⁸ Er zijn dus minstens twee wegen naar hetzelfde falen, en wie zegt dat bewuste aandacht altijd de dader is, heeft een stelling en geen bewijs. En arousal helpt tot een punt: een beetje spanning maakt scherper, pas daarboven slaat het om.⁹ Het is geen wet dat de expert faalt, het is een kans die toeneemt.

Wat ik hieruit haal voor mijn eigen beeld van de mens is minder prettig dan ik wilde. Ik beweer graag dat er geen bestuurder is, dat het organisme zijn werk doet en het verhaal erover achteraf wordt geschreven. Er ligt onderzoek dat dat ondersteunt: wie het gevoel heeft iets te willen, blijkt dat gevoel soms te krijgen nadat de handeling al in gang is gezet.¹⁰ Maar de golfer die inzakt, ondersteunt mijn stelling slechts half. Als aandacht aantoonbaar in de handeling ingrijpt en haar kan breken, dan is het pilootje geen toeschouwer die achteraf commentaar levert. Het heeft vermogen. Het kan het organisme alleen niet vertellen hoe het moet; het kan het wel in de weg zitten. Er is dus geen afwezige bestuurder, maar twee besturingen met een ongelijke verdeling van talent, en geen derde instantie erboven die kiest welke van de twee aan het woord is. Dat laatste blijft staan. Dat het eerste niet kan, moet ik bijstellen.

Daarmee verandert ook wat je eraan kunt doen. Wilskracht is dan weer de verkeerde knop: wie zich voorneemt niet te verkrampen, geeft het pilootje een nieuwe taak. Wat wel werkt is de aandacht naar buiten richten, op het doel en niet op de beweging, en dat bleek over vijftien jaar onderzoek heen een stabiele winst op te leveren.¹¹ De sporter met zijn vaste routine, zijn tape en zijn liedje doet hetzelfde: hij geeft het pilootje werk dat niets met de beweging te maken heeft. Het is dezelfde les als bij de knop in de lege kamer: je wint niet van je brein, je geeft het iets anders te doen.

De rest van de maatschappij heeft dat nog niet begrepen. Wij beslissen over examens, sollicitaties en promoties op één prestatiemoment, onder maximale druk, met een jury die toekijkt. Dat is, als je het zo bekijkt, het moment waarop mensen aantoonbaar slechter zijn. Een instelling die op het slechtste moment meet en het resultaat verdienste noemt, meet vooral hoe goed iemand het pilootje stil kan houden.

 

Noten

  1. Hogere beloning bij een vaardigheidstaak kan de prestatie verlagen door verhoogde zelfgerichte aandacht (choking under pressure): Baumeister (1984).
  2. Ervaren putters werden onder druk niet slechter door een afleidende toonopdracht, maar wel door de opdracht hun eigen slag te volgen (explicit monitoring): Beilock & Carr (2001).
  3. Ervaren voetballers dribbelden trager als ze op de uitvoering van de voetbeweging moesten letten, beginners niet: Beilock, Carr, MacMahon & Starkes (2002).
  4. Impliciet geleerde putvaardigheid (zonder regels) bleef onder stress intact: Masters (1992).
  5. Ironische effecten van mentale controle op motorische handelingen, onder meer bij golfputten: Wegner, Ansfield & Pilloff (1998).
  6. Hoge beloningen verlagen de prestatie bij taken die cognitieve vaardigheid vragen: Ariely, Gneezy, Loewenstein & Mazar (2009).
  7. Het voordeel voor de ploeg die als eerste schiet in een strafschoppenserie, en het ontbreken daarvan in een grotere steekproef: Apesteguia & Palacios-Huerta (2010); Kocher, Lenz & Sutter (2012).
  8. Druk verslechtert prestatie ook via bezetting van het werkgeheugen, zonder dat er sprake is van geautomatiseerde vaardigheid: Beilock, Kulp, Holt & Carr (2004).
  9. De relatie tussen arousal en prestatie als omgekeerde U: Yerkes & Dodson (1908).
  10. Het ervaren van wilsbeslissing als achteraf geconstrueerd: Wegner (2002).
  11. Een externe aandachtsfocus verbetert motorische prestatie en leren boven een interne focus: Wulf (2013).

 

Literatuur

Apesteguia, J., & Palacios-Huerta, I. (2010). Psychological pressure in competitive environments: Evidence from a randomized natural experiment. American Economic Review, 100(5), 2548-2564.

Ariely, D., Gneezy, U., Loewenstein, G., & Mazar, N. (2009). Large stakes and big mistakes. Review of Economic Studies, 76(2), 451-469.

Baumeister, R. F. (1984). Choking under pressure: Self-consciousness and paradoxical effects of incentives on skillful performance. Journal of Personality and Social Psychology, 46(3), 610-620.

Beilock, S. L., & Carr, T. H. (2001). On the fragility of skilled performance: What governs choking under pressure? Journal of Experimental Psychology: General, 130(4), 701-725.

Beilock, S. L., Carr, T. H., MacMahon, C., & Starkes, J. L. (2002). When paying attention becomes counterproductive: Impact of divided versus skill-focused attention on novice and experienced performance of sensorimotor skills. Journal of Experimental Psychology: Applied, 8(1), 6-16.

Beilock, S. L., Kulp, C. A., Holt, L. E., & Carr, T. H. (2004). More on the fragility of performance: Choking under pressure in mathematical problem solving. Journal of Experimental Psychology: General, 133(4), 584-600.

Kocher, M. G., Lenz, M. V., & Sutter, M. (2012). Psychological pressure in competitive environments: New evidence from randomized natural experiments. Management Science, 58(8), 1585-1591.

Masters, R. S. W. (1992). Knowledge, knerves and know-how: The role of explicit versus implicit knowledge in the breakdown of a complex motor skill under pressure. British Journal of Psychology, 83(3), 343-358.

Wegner, D. M. (2002). The illusion of conscious will. MIT Press.

Wegner, D. M., Ansfield, M., & Pilloff, D. (1998). The putt and the pendulum: Ironic effects of the mental control of action. Psychological Science, 9(3), 196-199.

Wulf, G. (2013). Attentional focus and motor learning: A review of 15 years. International Review of Sport and Exercise Psychology, 6(1), 77-104.

Yerkes, R. M., & Dodson, J. D. (1908). The relation of strength of stimulus to rapidity of habit-formation. Journal of Comparative Neurology and Psychology, 18(5), 459-482.

Ook interessant voor jou!