Ergens goed voor

Ergens goed voor

Beste lezer,

Vandaag een essay over die ene zin die altijd wordt gezegd als iemand slecht nieuws krijgt: het zal wel ergens goed voor zijn.

In het kort. Vraag een kind van vijf waarom rotsen puntig zijn en het zegt: zodat dieren zich kunnen schuren. Wij denken dat we daaroverheen groeien, maar dat klopt niet. Geef een volwassene te weinig bedenktijd en hij zegt precies hetzelfde, ook als hij natuurkundige is aan een topuniversiteit. Ons hoofd zoekt overal een bedoeling omdat dat ooit levens redde: wie achter het ritselende gras een roofdier vermoedde, had vaker ongelijk dan gelijk en leefde langer. Dezelfde neiging levert vandaag complotdenken op, want wie overal een bedoeling ziet, ziet bij elke ramp een groep die het zo gewild heeft. Toegegeven: mensen die betekenis vinden na tegenslag, komen er beter doorheen. De illusie is dus nuttig, alleen daarom nog niet waar.

De conclusie: dat er een antwoord komt op de vraag waarom u dit overkomt, bewijst niets over de wereld, alleen dat uw alarminstallatie het nog doet.

Sommige dingen hebben geen betekenis. Die moet u zelf maar verzinnen, en het helpt als u weet dat u dat doet.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.

 

 

Ergens goed voor

Een man van vierenvijftig hoort in een spreekkamer dat de vlek op de scan kwaadaardig is. Binnen een halve minuut zegt hij: dit zal wel ergens goed voor zijn. Niemand in die kamer vindt dat vreemd. De internist knikt, zijn vrouw knijpt in zijn hand, en de zin blijft onweersproken hangen, want het is een nette zin. Ergens tussen zijn veertigste en zijn vierenvijftigste ging één celdeling mis en werd niet opgeruimd. Meer is er niet gebeurd. Het eerste wat zijn brein oplevert is toch een script, met een auteur, een boodschap en een bedoeling voor hem persoonlijk.

Dat is geen troost achteraf. Het is de fabrieksinstelling, en die is te zien bij mensen die nog niet kunnen lezen.

Vraag een kind van vijf waarom rotsen puntig zijn en het antwoord is dat dieren zich er dan aan kunnen schuren. Waarom bestaan wolken? Om te regenen. Waarom zijn leeuwen er? Voor in de dierentuin. Kinderen kiezen dit soort verklaringen stelselmatig boven de natuurkundige[1]. Het aardige is dat het niet uit de kerk komt: kinderen van uitgesproken seculiere Britse ouders doen het net zo hard als kleine creationisten aan de andere kant van de oceaan[2]. De opvoeding levert het onderwerp, niet de neiging.

Vervolgens groeien we eroverheen, zeggen we tegen elkaar. Dat blijkt onjuist. Leg volwassenen dezelfde stellingen voor en geef ze te weinig tijd om na te denken, en ze gaan massaal akkoord met zinnen als “bomen produceren zuurstof zodat dieren kunnen ademen”[3]. Wie het echt oncomfortabel wil hebben, neemt de proef af bij professionele natuurwetenschappers van Brown, Harvard en MIT. Onder tijdsdruk zakt ook de fysicus terug naar de doelverklaring, en hij doet dat vaker dan een controlegroep van studenten zonder die opleiding aan een rustige tafel[4]. En bij patiënten bij wie de frontale rem door alzheimer wordt gesloopt, komt de neiging netjes weer bovendrijven[5]. Wat we scholing noemen, is geen vervanging van de intuïtie. Het is een deksel, en het deksel is duur in onderhoud.

De vraag is dan waarom zo’n onzinnig apparaat in de schedel is blijven zitten. Het antwoord is bekend uit de foutenrekening. Ritselt het gras, dan is de aanname dat er iets achter zit in negenennegentig van de honderd gevallen fout en kost hij een liter adrenaline. In het honderdste geval redt hij je leven. Een organisme dat de andere kant op gokt, is één keer goedkoop uit en daarna niets meer. Zo ontstaat een detector die bij twijfel altijd ja zegt, en die dus overal handelende partijen ziet, in het weer, in de beurs en in een tumor[6]. De prijs van de valse alarmen wordt betaald in comfort, de prijs van de gemiste hit in nageslacht. Evolutie rekent niet met waarheid, ze rekent met kosten.

Nu wordt het vervelend, want datzelfde apparaat levert nog een tweede product. Wie in een reeks gebeurtenissen automatisch een bedoeling ziet, ziet bij maatschappelijke gebeurtenissen automatisch een groep die het zo gewild heeft. In een steekproef van rond de tweeduizend mensen bleek de neiging tot doelverklaringen zowel creationisme als complotdenken te voorspellen, en beter dan politieke voorkeur of opleidingsniveau[7]. Dat is geen retorische vergelijking, het is dezelfde meting. “Wie profiteert hiervan” is de volwassen versie van “de steen is puntig zodat het dier zich kan schuren”. De vorm van de vraag garandeert dat er een antwoord uit komt, ook wanneer er niemand aan het stuur zat.

Er hangt een zusje aan vast dat minder onschuldig is. Als alles een reden heeft, dan heeft wat u overkwam ook een reden, en dan hebt u daar iets mee te maken. Dat mechanisme is in de jaren zeventig al beschreven als het geloof in een rechtvaardige wereld, en het produceert met opmerkelijke betrouwbaarheid mensen die het slachtoffer gaan bijstellen omdat het alternatief, een wereld zonder boekhouding, niet te harden is[8]. De vrouw die haar kanker aan haar verdriet wijt, en de omstander die vindt dat ze toch ook wel erg veel heeft opgekropt, gebruiken hetzelfde apparaat.

Het tegenargument is sterker dan mij bevalt. In de biologie is doeltaal volstrekt legitiem: het hart is er om bloed te pompen, en iedereen weet dat dit een afkorting is voor een lang verhaal over voorouders die beter pompten. Daar is zelfs een aparte term voor bedacht om de verwarring te vermijden[9], en de filosofie noemt het een nuttige houding die voorspellingen oplevert die je anders niet kreeg[10]. Daarbovenop komt de ongemakkelijke bevinding dat mensen die na een ramp een betekenis vinden, het gemiddeld beter doen op vrijwel elke uitkomstmaat die je verzint (Park, 2010). De illusie werkt dus.

Toch is er een scherpe grens, en die is operationeel. De afkorting van de bioloog kun je uitschrijven. “Het hart is om te pompen” wordt een zin over selectiedruk, reproductiesucces en een paar honderd miljoen jaar. Er verdwijnt niets. Probeer hetzelfde met “deze tumor is er om mij iets te leren” en er blijft geen zin over, alleen een man in een spreekkamer die iets moet zeggen. De ene doelverklaring is een verpakking om een mechanisme, de andere is een verpakking om lucht.

In de zaal is het nog komisch. Een vechter verliest, komt van de mat en zegt binnen twee minuten dat hij dit blijkbaar moest leren, dat het zo heeft moeten zijn, dat het hem sterker maakt. De beelden zeggen iets anders en iets veel saaiers. Hij was een halve tel te laat met zijn linkerhand, drie keer, en de derde keer rekende de ander af. Daar zit geen les in verstopt. Er zit een tijdsverschil in van ongeveer honderd milliseconde, en dat is trainbaar, in tegenstelling tot het lot.

Wie zich wil oefenen in eerlijkheid, kan beginnen met de vraag zelf. “Waarom overkomt mij dit” is grammaticaal een vraag en cognitief een reflex, en hij levert altijd iets op, want het apparaat is gebouwd om nooit met lege handen thuis te komen. Dat er een antwoord komt, zegt niets over de wereld. Het zegt dat u nog leeft en dat de detector het doet.

 

Literatuur

Barrett, J. L. (2000). Exploring the natural foundations of religion. Trends in Cognitive Sciences, 4(1), 29-34.

Dennett, D. C. (1987). The Intentional Stance. Cambridge, MA: MIT Press.

Guthrie, S. E. (1993). Faces in the Clouds: A New Theory of Religion. New York: Oxford University Press.

Kelemen, D. (1999). Why are rocks pointy? Children’s preference for teleological explanations of the natural world. Developmental Psychology, 35(6), 1440-1452.

Kelemen, D. (2003). British and American children’s preferences for teleo-functional explanations of the natural world. Cognition, 88(2), 201-221.

Kelemen, D., & Rosset, E. (2009). The human function compunction: Teleological explanation in adults. Cognition, 111(1), 138-143.

Kelemen, D., Rottman, J., & Seston, R. (2013). Professional physical scientists display tenacious teleological tendencies: Purpose-based reasoning as a cognitive default. Journal of Experimental Psychology: General, 142(4), 1074-1083.

Lerner, M. J. (1980). The Belief in a Just World: A Fundamental Delusion. New York: Plenum Press.

Lombrozo, T., Kelemen, D., & Zaitchik, D. (2007). Inferring design: Evidence of a preference for teleological explanations in patients with Alzheimer’s disease. Psychological Science, 18(11), 999-1006.

Mayr, E. (1974). Teleological and teleonomic, a new analysis. Boston Studies in the Philosophy of Science, 14, 91-117.

Park, C. L. (2010). Making sense of the meaning literature: An integrative review of meaning making and its effects on adjustment to stressful life events. Psychological Bulletin, 136(2), 257-301.

Wagner-Egger, P., Delouvée, S., Gauvrit, N., & Dieguez, S. (2018). Creationism and conspiracism share a common teleological bias. Current Biology, 28(16), R867-R868.

 

[1] Kelemen, 1999

[2] Kelemen, 2003

[3] Kelemen & Rosset, 2009

[4] Kelemen, Rottman & Seston, 2013

[5] Lombrozo, Kelemen & Zaitchik, 2007

[6] Guthrie, 1993; Barrett, 2000

[7] Wagner-Egger e.a., 2018

[8] Lerner, 1980

[9] Mayr, 1974

[10] Dennett, 1987

Ook interessant voor jou!