Geachte lezer,
Er is een klassieke val die wordt gebruikt om apen te vangen. Een nauwe fles met een noot erin. De aap steekt zijn hand in de fles, grijpt de noot, maakt een vuist. En kan zijn hand er niet meer uit. De oplossing is simpel: loslaten. Maar het organisme dat heeft gegrepen, laat niet los. De noot is ‘mijn’ geworden.
Dit mechanisme, de monkey trap, is niet voorbehouden aan apen.
In bijgaand essay beschrijf ik de meest extreme menselijke variant: de moeder die haar kind niet kan loslaten, ook niet als dat kind verslaafd is, of gewelddadig, of destructief voor iedereen om zich heen inclusief haarzelf. Niet omdat ze blind is. Niet omdat ze zwak is. Maar omdat het kind zo diep is geïncorporeerd in wie zij is, dat loslaten voelt als zelfamputatie.
Het essay bouwt voort op het vorige, over het organisme dat zichzelf bewaakt. Maar hier gaat het mechanisme dieper dan sociale norm of aangeleerde identiteit. Hier raakt het de biologische verbintenis zelf, de diepste prior die het organisme kent.
De vraag die het essay stelt is niet: waarom laat ze niet los? Die vraag is te makkelijk. De vraag is: wat zou loslaten werkelijk vragen van een organisme dat zo is gevormd?
Het antwoord is niet geruststellend. Maar het is precies.
Met vriendelijke groet,
Peter Koopman
DE MOEDER DIE NIET KAN LOSLATEN
Over de diepste incorporatie en waarom liefde soms een gevangenis is
Peter Koopman
Er is een klassieke val die wordt gebruikt om apen te vangen. Een nauwe fles, een noot op de bodem. De aap steekt zijn hand in de fles, grijpt de noot, maakt een vuist. En kan zijn hand er niet meer uit. De oplossing is simpel: loslaten. Maar het organisme dat heeft gegrepen, laat niet los. De noot is mijn geworden. De vuist is zijn identiteit geworden. En de fles, die hem gevangenhoudt, is de prijs die hij niet ziet omdat hij naar de noot kijkt.
Dit mechanisme — de monkey trap — is niet voorbehouden aan apen.
Er zijn moeders van verslaafden die elke dag bellen, elke week geld sturen, elke maand hopen. Er zijn moeders van daders die blijven verdedigen wat niet te verdedigen valt. Er zijn moeders van mannen en vrouwen die hen al lang geleden hadden moeten loslaten, die dat weten, en die het toch niet kunnen.
De buitenwereld noemt dit blindheid. Of zwakte. Of een gebrek aan ruggengraat. Het is geen van drieën. Het is het meest extreme voorbeeld van een mechanisme dat in het vorige essay al werd beschreven, maar hier zijn diepste laag bereikt: het organisme dat niet kan loslaten wat constitutief is voor wie het is.
De biologische prior
Het kind is de diepste incorporatie die het organisme kent. Niet in de zin van bezit maar in de meest letterlijke fysiologische zin: het kind is begonnen als onderdeel van het lichaam van de moeder. Die oorsprong laat een spoor na dat geen enkele sociale relatie evenaart.
Het organisme bouwt zijn zelfmodel op basis van wat het heeft geïncorporeerd als mijn. Maar niet alles wat mijn is, is even diep verankerd. Bezittingen zijn oppervlakkig mijn. Gewoonten zijn dieper. Relaties dieper nog. Maar het kind is anders. Het kind is niet iets wat het organisme heeft toegevoegd aan zijn model. Het is iets wat vanaf het begin in het model zat, als constitutief element, als deel van wie de moeder is.
Dit is waarom het verlies van een kind, in welke vorm dan ook, zo anders aanvoelt dan welk ander verlies ook. Niet omdat de norm dat zegt. Maar omdat het organisme een deel van zijn eigen model verliest.
Het kind loslaten is niet een relatie beëindigen. Het is een deel van het zelfmodel amputeren.
Wat de norm eraan toevoegt
Foucault’s panopticon werkt ook hier, en meedogenloos. De samenleving heeft over moeders een norm gebouwd die geen uitzondering kent: een moeder verlaat haar kind niet. Een moeder blijft geloven. Een moeder geeft niet op. Die norm is zo diep geïnternaliseerd dat de moeder die afstand neemt van een verslaafde of een dader, zichzelf veroordeelt nog voor de omgeving dat doet.
De blik van de ander, reël of gesimuleerd, is verwoestend. De moeder die loslaat wordt gezien als iemand die heeft gefaald. Niet het kind dat heeft gefaald, niet de omstandigheden die hebben gefaald, maar zij. Omdat de norm zegt dat een goede moeder altijd blijft. Altijd gelooft. Altijd hoopt.
Die norm is niet neutraal. Ze is functioneel voor een samenleving die de zorg voor haar meest beschadigde leden wil neerleggen bij de mensen die er het minst voor worden gecompenseerd. De moeder die blijft, lost een maatschappelijk probleem op. De moeder die loslaat, legt het terug waar het thuishoort.
De norm die zegt dat moeders niet mogen loslaten, dient zelden het belang van de moeder.
De drie lagen van vasthouden
In het geval van de moeder stapelen de mechanismen uit het vorige essay zich op tot een gewicht dat bijna ondraaglijk is.
De identiteitsconsolidatie is hier het zwaarst. De moeder die tientallen jaren heeft gezorgd, gecoördineerd, gevochten voor haar kind, is niet meer te onderscheiden van die rol. Wie zij is, is mede bepaald door wie zij als moeder is geweest. Loslaten betekent niet alleen het kind loslaten. Het betekent de versie van zichzelf loslaten die al die jaren heeft gevochten.
De anticipatoire schaamte werkt hier dubbel. Ze schaamt zich al voor wat anderen zullen zeggen als ze loslaat. Maar ze schaamt zich ook voor wat ze zal denken over zichzelf. Het innerlijke oordeel is vaak harder dan het externe. De bewaker in haar hoofd kent haar beter dan wie ook en gebruikt die kennis meedogenloos.
De geïnvesteerde identiteit is hier misschien het meest verraderlijk. Tientallen jaren van zorg, angst, hoop, teleurstelling en opnieuw hoop zijn geïncorporeerd als bewijs van wie zij is. Loslaten voelt als het verklaren dat al die investering zinloos was. Dat ze al die jaren heeft verloren. Dat ze is mislukt. Het organisme verdedigt die investering niet omdat het rationeel is, maar omdat de investering zij is geworden.
De noot in de fles is het kind. Maar de fles is de moeder zelf. En de vuist waarmee ze grijpt, houdt haar gevangen.
Het kind als spiegel van het zelfmodel
Er is nog een laag die bij kinderen anders werkt dan bij andere relaties. Het kind is niet alleen geïncorporeerd als mijn. Het kind is ook een spiegel van het zelfmodel van de moeder. Wat het kind is, zegt iets over wie zij is. Of lijkt dat te zeggen.
Een kind dat goed functioneert, bevestigt het zelfmodel van de moeder: ik heb het goed gedaan, ik ben een goede moeder, mijn investering heeft gerendeerd. Een kind dat faalt, of dat kwaad doet, of dat verslaafd raakt, ondermijnt dat model. Het zegt, of lijkt te zeggen: jij hebt gefaald.
Dit is niet rationeel. De oorzaken van verslaving, geweld en destructief gedrag zijn complex en liggen zelden uitsluitend bij de opvoeding. Maar het organisme is geen rationeel systeem. Het is een systeem dat patronen zoekt en causale verbanden legt waar die niet noodzakelijk zijn. De moeder die haar kind ziet falen, legt de verbinding met zichzelf. En wie die verbinding accepteert, accepteert ook dat loslaten een definitieve bevestiging is van dat falen.
Blijven is soms niet liefde. Het is weigering om te bevestigen dat ze heeft gefaald.
Wat loslaten werkelijk vraagt
Loslaten vraagt in dit geval meer dan omgevingsverandering of geleidelijke herhaling. Het vraagt een fundamentele herschrijving van het zelfmodel. Niet: ik ben een moeder die heeft gefaald. Maar: ik ben een organisme dat heeft gedaan wat het kon, in de omstandigheden die er waren, met het model dat het had.
Dat is geen troost. Het is een nauwkeuriger beschrijving. Het kind is niet het bewijs van de moeder. Het kind is een organisme dat zijn eigen biografie heeft, zijn eigen neuronale architectuur, zijn eigen blootstelling aan omgevingen die de moeder niet heeft gekozen en niet heeft kunnen voorkomen.
Loslaten betekent ook: de norm weigeren die zegt dat een goede moeder nooit opgeeft. Die norm dient haar niet. Ze dient de samenleving die haar zorg gratis wil. Ze dient het kind dat haar aanwezigheid gebruikt als buffer tegen de consequenties van zijn eigen gedrag. Ze dient het systeem dat haar schuld nodig heeft om zichzelf niet te hoeven aanpassen.
Het organisme dat loslaat, geeft niet op. Het kiest een andere omgeving. Het herschrijft zijn model. Het accepteert dat zorg zonder grens geen zorg is maar zelfvernietiging in slow motion.
Loslaten is niet het einde van liefde. Het is de weigering om liefde te laten samenvallen met zelfverlies.
De biologische verbintenis en de smalle marge
Het vorige essay eindigde met de conclusie dat de uitweg via herhaling loopt, niet via wilskracht. Bij de moeder is dat niet anders, maar de schaal is groter en de weerstand dieper.
De biologische verbintenis is geen sociale constructie die kan worden weggedacht. Ze is fysiologisch verankerd: oxytocine, spiegelneuronen, de neuronale patronen die zijn gevormd door jaren van nabijheid en zorg. Die verbintenis gaat niet weg. Ze verandert van karakter als de moeder haar model herschrijft, maar ze verdwijnt niet.
Wat wel kan veranderen is de definitie van wat die verbintenis vraagt. Liefde als incorporatie, als constitutief element van het zelfmodel, hoeft niet gelijk te staan aan aanwezigheid. Het organisme kan het kind blijven dragen in zijn model zonder er fysiek of emotioneel door te worden verslonden.
Dat is de smalle marge die dit model biedt. Niet de bevrijding van de verbintenis. Niet de ontkenning van de pijn. Maar de mogelijkheid om het model zo te herschrijven dat de verbintenis blijft bestaan zonder het organisme te vernietigen.
Het kind loslaten is niet het kind verliezen. Het is weigeren om samen met het kind ten onder te gaan.
Dit essay maakt deel uit van een reeks bij Het Organisme aan de Roulettetafel — Over gedrag zonder bestuurder, van Peter Koopman. Het boek ligt momenteel bij een uitgever.
Peter Koopman
