Over moreel verval als rekenfout van het geheugen, en waarom iedereen erop stemt
Beste lezer,
Mijn opa wist zeker dat het respect verdwenen was, mijn vader wist het twintig jaar later ook, en ik hoor mezelf hetzelfde zeggen over de jongens die nu de sportzaal binnenkomen.
In het kort. Iedereen vindt dat de mensen vroeger eerlijker en fatsoenlijker waren; die overtuiging is al 2700 jaar oud en in al die tijd nooit uitgekomen. Wie het gedrag van mensen werkelijk meet, over zestig jaar en zestig landen, vindt geen daling. Het verval zit niet in de wereld maar in het hoofd van de kijker: slecht nieuws over vreemden dringt harder door dan goed nieuws, en het geheugen wist nare ervaringen sneller dan prettige. Zo lijkt het heden altijd slechter dan het is en het verleden altijd beter dan het was. Soms is achteruitgang echt, maar wie dat wil bewijzen heeft cijfers nodig, geen jeugdherinnering. Politici weten dat en verkopen “vroeger was het beter” als programma dat nooit kan mislukken, omdat u het bewijs zelf meebrengt.
De conclusie: wie roept dat de mensen slechter zijn geworden, meldt de leeftijd van zijn geheugen, niet de staat van de wereld.
Lees dit stuk voordat u vanavond weer zucht dat het allemaal achteruitgaat.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
De man die vroeger beter was
Over moreel verval als rekenfout van het geheugen, en waarom iedereen erop stemt
I
Mijn opa wist zeker dat het respect verdwenen was. Mijn vader wist het ook, twintig jaar later, over een andere generatie, en ik betrap mezelf erop dat ik het weet over de jongens die nu de zaal binnenlopen. Drie mannen, drie tijdperken, één diagnose. Statistisch kan dat niet kloppen. Als de moraal sinds 1950 elk decennium is afgebrokkeld zoals iedereen beweert, zou er nu niets meer over zijn en zou u dit stuk niet lezen maar plunderen. Toch voelt het elke keer als een observatie en nooit als een geloofsartikel. Dat is precies het probleem. Het brein telt het heden via een nieuwsfeed die op ellende is geselecteerd en het verleden via een geheugen dat ellende sneller wist dan geluk. Wat overblijft is een dalende lijn die niemand heeft gemeten, en waar iedereen op stemt.
II
De klacht is ouder dan het schrift dat haar vastlegde. Hesiodus, rond 700 voor Christus, beschrijft zijn eigen tijd als het ijzeren tijdperk, waarin kinderen hun ouders niet meer eren en de eed niets meer waard is. Zeven eeuwen later opent Livius zijn geschiedenis van Rome met de mededeling dat de zeden zo ver zijn gezakt dat de stad haar eigen kwalen niet meer verdraagt en evenmin de remedie. Elke generatie daarna, van de kerkvaders tot de columnisten, heeft haar eigen versie geleverd. Het opmerkelijke is niet dat de klacht bestaat. Het opmerkelijke is dat ze nooit is uitgekomen. Een beschaving die 2700 jaar lang jaarlijks een stukje moraal verliest, had allang een woestijn moeten zijn, en Athene had toen al de laatste eerlijke mens moeten begraven.
In 2023 hebben twee psychologen van Harvard, Adam Mastroianni en Daniel Gilbert, de klacht eindelijk tegen de meetlat gelegd. Ze verzamelden zestig jaar aan enquêtes uit zestig landen, met steeds dezelfde vraag: zijn mensen tegenwoordig eerlijker en behulpzamer dan vroeger, of juist minder? Het antwoord was overal en altijd hetzelfde: minder. Jong en oud, links en rechts, in Amerika en in Japan, iedereen ziet verval. Vervolgens legden ze er de metingen van feitelijk gedrag naast, over dezelfde periode en dezelfde landen. Hoeveel mensen zeggen dat ze vorige maand een vreemde hebben geholpen, hoeveel vertrouwen ze een onbekende, hoe vaak wordt een verloren portemonnee teruggebracht. Die lijnen zijn vlak. Niet stijgend, niet dalend; vlak. Het verval zit niet in het gedrag. Het zit in de kijker.
III
Hoe komt zo’n illusie tot stand, zo hardnekkig dat ze een halve eeuw en zestig culturen overleeft? Twee bekende defecten van het organisme, netjes op elkaar gestapeld.
Het eerste defect gaat over de invoer. Slecht nieuws weegt zwaarder dan goed nieuws; psychologen noemen dat de negativity bias, en Roy Baumeister vatte het samen in een titel die geen samenvatting meer nodig heeft: bad is stronger than good. Een verkeersongeluk trekt meer aandacht dan duizend auto’s die veilig thuiskomen, en dat is geen defect van de media maar van de aandacht zelf, waar de media alleen maar op meeliften. Wie je informatie over vreemden levert, of dat nu de dorpsroddel is of een algoritme, selecteert daarom op ellende, omdat ellende wordt doorverteld en fatsoen niet. Het heden komt dus binnen als een uitzonderlijk slecht monster van wat er werkelijk gebeurt.
Het tweede defect gaat over de opslag. Negatieve herinneringen verliezen hun lading sneller dan positieve; de fading affect bias, uitvoerig beschreven door Richard Walker en John Skowronski. De vernedering van dertig jaar terug is een anekdote geworden, de zomer van dertig jaar terug een verloren paradijs. Het verleden wordt met de jaren dus milder dan het was, niet omdat het beter was, maar omdat het geheugen zijn eigen archief opschoont in het voordeel van de eigenaar.
Leg die twee naast elkaar. Het heden wordt gemeten met een instrument dat het slechtste uitvergroot, het verleden met een instrument dat het slechtste wist. Wie beide uitkomsten vergelijkt, krijgt vanzelf een dalende curve, zonder dat er ooit iets is gedaald. Mastroianni en Gilbert leverden er nog een elegant bewijs bij: vraag mensen naar de moraal van hun eigen kennissenkring, de mensen die ze werkelijk zien, en het verval verdwijnt. Het bestaat alleen bij vreemden, precies de categorie waarover je informatie via het roddelkanaal binnenkrijgt. En vraag mensen wanneer het verval begon, dan blijkt het ongeveer samen te vallen met hun eigen geboortejaar. De wereld begon te rotten op het moment dat u zelf begon op te letten. Toeval bestaat, maar dit is het niet.
IV
Ik zie dezelfde machinerie elke week in de sportzaal. Vraag een veteraan naar de vechters van dertig jaar terug en je hoort dat ze harder waren, taaier, met meer eer in het lijf. Vervolgens zet je de bewaarde wedstrijdbeelden op. Wat je ziet is trager werk, stijvere heupen, dekking die openhangt waar een jongen van nu instinctief sluit, en tactisch een armoede die vandaag geen amateurpartij meer haalt. De veteraan kijkt mee, en ontkent. Het beeld ligt op tafel en de herinnering wint toch. Dat is geen koppigheid; het is hetzelfde archief dat zijn eigen gebroken neus tot anekdote heeft gepromoveerd en de gemiste kansen tot heldendom. Het organisme herschrijft, en de eigenaar tekent bij het kruisje.
V
Er is een tegenwerping die het essay niet mag ontlopen: soms is verval echt. Robert Putnam telde in Bowling Alone werkelijk dalende ledenaantallen van verenigingen, en de eenzaamheidscijfers die Jean Twenge bij jongeren meet zijn geen geheugenfout. Dat klopt, en het maakt het punt eerder scherper dan zwakker. Echte achteruitgang is meetbaar, en wordt vrijwel nooit gemeten door wie haar beweert. De klager levert zijn eigen bewijs, uit eigen hoofd, en dat hoofd is precies het instrument dat ongeschikt is gebleken. Wie verval wil aantonen, heeft een cijferreeks nodig, geen jeugd.
Daar zit de politieke oogst. “Vroeger was het beter” is het enige verkiezingsprogramma dat nooit gefalsifieerd kan worden, omdat de kiezer zijn bewijsmateriaal zelf meebrengt. Elke partij die de gemeenschap terug wil, het respect terug wil, de grootheid terug wil, oogst geen geschiedenis maar een geheugendefect, en wel op industriële schaal. Het is de bestverkopende grondstof sinds de landbouw, en de leverancier hoeft er niets voor te doen; het organisme produceert haar gratis, elke ochtend opnieuw, bij het lezen van de krant.
Wie zegt dat de mensen slechter zijn geworden, rapporteert dus de leeftijd van zijn geheugen, niet de staat van de wereld. Mijn opa had ongelijk, mijn vader had ongelijk, en de jongens in de zaal zullen over dertig jaar exact hetzelfde ongelijk hebben, met dezelfde stelligheid en dezelfde afwezigheid van cijfers. Ik ook, vermoedelijk. Het enige verschil is dat ik nu weet waar het vandaan komt, en dat helpt precies niets tegen het gevoel.
Literatuur
Baumeister, R. F., Bratslavsky, E., Finkenauer, C. & Vohs, K. D. (2001). Bad is stronger than good. Review of General Psychology, 5(4), 323–370.
Hesiodus. Werken en dagen (ca. 700 v.Chr.), vs. 174–201, over het ijzeren geslacht.
Livius. Ab urbe condita, Praefatio 9.
Mastroianni, A. M. & Gilbert, D. T. (2023). The illusion of moral decline. Nature, 618, 782–789.
Putnam, R. D. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. Simon & Schuster.
Rozin, P. & Royzman, E. B. (2001). Negativity bias, negativity dominance, and contagion. Personality and Social Psychology Review, 5(4), 296–320.
Twenge, J. M. (2017). iGen. Atria Books.
Walker, W. R. & Skowronski, J. J. (2009). The fading affect bias: But what the hell is it for? Applied Cognitive Psychology, 23(8), 1122–1136.
