Beste lezer,
Vandaag een essay dat begon als grap in de sportzaal: als liefdesverdriet een geldig excuus is voor een slappe training, waar blijft dan lustverdriet?
In het kort. Wie verlaten wordt, rouwt niet alleen om een persoon; zijn brein blijft ook hunkeren naar een beloning die niet meer komt, zoals bij het afkicken. Liefdesverdriet mag je hardop zeggen, want het heeft een naam en een gezicht en dus recht op medeleven. Gemis aan lust heeft geen gezicht en is daardoor gênant; wie het toch uitspreekt, belandt al snel in een cultuur van wrok. Toch is liefdesverdriet geen verkapte lust: hunkeren naar één persoon en iemands aanwezigheid missen werken anders dan zin in seks. En het enige lustverdriet dat ooit is gemeten, komt merkwaardig genoeg ná de seks.
De conclusie: lustverdriet is rouw zonder dode, en omdat er niemand te begraven valt, houdt het ook nooit op.
Wie het herkent, zegt het niet hardop. Daarom bestaat het woord niet.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Lustverdriet
Rouw zonder dode
Vanmorgen, les. Een jongen van een jaar of twintig hangt in de touwen alsof iemand hem daar te drogen heeft gehangen. Zijn stoten hebben de overtuigingskracht van een excuusbrief. Ik vraag wat er is. “Liefdesverdriet.” Het woord valt de zaal in als een doktersverklaring: iedereen knikt, niemand vraagt door, en de trainer hoort zijn toon te matigen. Ik matig niets en vraag of hij ook last heeft van lustverdriet. Gelach. Hij ook, gelukkig.
De grap bleef hangen, en grappen die blijven hangen hebben meestal iets geraakt wat de rest van de taal zorgvuldig ontwijkt. Liefdesverdriet mag. Het is een erkende toestand met een eigen repertoire: songteksten, vriendinnen met wijn, een week slecht slapen die niemand je kwalijk neemt. Lustverdriet bestaat als woord niet eens. Opmerkelijk, voor een soort die zich via precies die lust in stand houdt.
* * *
Wie afgewezen verliefden in een hersenscanner legt en ze een foto van de ex laat zien, ziet geen verheven zielensmart oplichten. Wat oplicht is het beloningscircuit: het ventrale tegmentum, de nucleus accumbens, dezelfde gebieden die bij cocaïnegebruikers op volle toeren draaien. Hunkering dus, met daarbovenop activiteit in gebieden die winst en verlies wegen. Het brein van de verlatene rekent. Het rekent op een beloning die niet meer komt en weigert de post af te boeken.
In het model waar ik mee werk is dat geen verrassing. Een organisme is een voorspellingsmachine op een energiebudget, en een relatie is een langlopende voorspelling: deze persoon, deze huid, deze momenten, volgende week weer. Wat opwinding geeft is niet in de eerste plaats de aanraking zelf. Het is de beschikking, de toekomst waar je een optie op hebt. Valt die optie weg, dan blijft het systeem de voorspelling afvuren en krijgt het elke keer een foutmelding terug. Dat noemen we liefdesverdriet. Neurologisch is het een ontwenningsverschijnsel met een betere pr-afdeling.
De verslavingsliteratuur kent het mechanisme als het verschil tussen willen en genieten. Het genieten kan allang verdwenen zijn terwijl het willen doordraait. Wie een ex nog steeds wil terwijl hij haar allang niet meer leuk vindt, kent dit van binnenuit. Twee sporen, en alleen het spoor van het genieten heeft remmen.
* * *
Waarom krijgt het ene gemis een woord en het andere niet? Het eerste antwoord is kaal. Rouw vraagt om een object. Je rouwt om iemand, met naam en gezicht, onvervangbaar. Lust is vervangbaar; ze richt zich op een categorie, hooguit op een type. Wie om één vrouw treurt, heeft een tragedie. Wie om vrouwen in het algemeen treurt, heeft een probleem, en over problemen schrijft niemand gedichten.
Het tweede antwoord is sociaal, en venijniger. Liefdesverdriet is een fictie in de zin waarin ik dat woord gebruik: een gedeeld model dat gedrag coördineert, los van de vraag of het klopt. Het geeft recht op mededogen, op een ziekmelding, op een slechte training. Het maakt van een tekort een verhaal. Lustverdriet heeft zo’n fictie niet. Wie het aanvoert, meldt geen verlies maar een behoefte, en behoeften zijn gênant zolang er geen object is dat ze adelt. De taal verdeelt gevoelens niet naar hun omvang. Wel naar hun presentabiliteit.
Waar lustverdriet toch hardop wordt uitgesproken, zie je wat er gebeurt met een gemis zonder erkende vorm: het zoekt een andere. Onderzoek naar onvrijwillig celibaat liet rond de eeuwwisseling al zien hoe langdurig seksueel tekort samengaat met schaamte, isolement en wrok. Online is daar sindsdien een complete subcultuur uit gegroeid, met eigen jargon, eigen schuldigen en een eigen martelaarschap. Lustverdriet dat geen woord krijgt, bouwt een ideologie. Slechte ruil. Een woord is goedkoper.
Er is nog een groep die zwijgt, en die is groter. Het huwelijk waarin het bed al jaren een meubelstuk is. De weduwnaar die om zijn vrouw rouwt en van wie niemand wil weten dat hij ook haar lichaam mist. Rouwbegeleiding heeft voor het eerste een protocol en voor het tweede een ongemakkelijke stilte.
* * *
En dan de pointe die de wetenschap er zelf aan geeft. Er bestaat een gedocumenteerd lustverdriet, alleen zit het aan de onverwachte kant van de daad. Postcoïtale dysforie: tranen, somberheid of prikkelbaarheid direct na seks die gewild was en naar tevredenheid verliep. Bijna de helft van de ondervraagde vrouwen meldt het minstens één keer in haar leven; bij mannen, later onderzocht, is het ruim vier op de tien. Een kleine groep heeft het regelmatig.
Dat past in het beeld. De voorspelling wordt ingelost, de hunkering valt stil, de dopamine zakt, en de chemie van gehechtheid vult het gat niet altijd op. Het organisme krijgt precies de beloning die het voorspelde en ontdekt dat er daarna niets meer te voorspellen valt. De negentiende-eeuwse pessimist die de liefde afdeed als een list van de soort om het individu voor haar karretje te spannen, had hier zijn illustratie: de soort int, het individu blijft achter met de bon.
* * *
Tot zover de verleiding om liefdesverdriet volledig op te lossen in lust. Die verleiding houdt geen stand, want de data laten het niet toe.
Ten eerste onderscheidt het onderzoek zelf drie systemen die elkaar overlappen zonder samen te vallen: lust, aantrekking en gehechtheid. De hunkering in de scanner hoort bij aantrekking, die op één persoon gericht is, en niet bij lust, die met vrijwel iedereen genoegen neemt. Wie de scan opvoert als bewijs voor lustverdriet, verwisselt twee systemen die de onderzoekers juist uit elkaar hielden. Dat deed ik zelf ook, de eerste keer dat ik de grap doordacht.
Ten tweede is er het scheidingsverdriet van zoogdieren, het jong dat roept om de moeder. Dat loopt grotendeels via opioïden en heeft met paringsdrift niets te maken. De weduwe van tachtig die na zestig jaar het ontbijt nog voor twee dekt, heeft geen lustverdriet. Zij is aan het afkicken van een aanwezigheid.
Ten derde de scans zelf: vijftien proefpersonen, zelf aangemeld, allemaal nog smoorverliefd, en de bekende valkuil van de omgekeerde conclusie. Dat een gebied oplicht bij verslaafden en bij verlatenen, bewijst niet dat het in beide gevallen hetzelfde doet. Het rijmt. Rijm is geen identiteit.
Dus herzie ik. Liefdesverdriet is geen lust in zondagse kleren. Het is een samengestelde ontwenning, de hunkering naar één persoon plus het wegvallen van een vertrouwde aanwezigheid, met lust hooguit als bijgerecht. Lustverdriet blijft over als eigen categorie, en juist daardoor wordt het bruikbaar: verdriet om het wegvallen van beschikking over toekomstige lust, zonder specifiek object. Het mist wat rouw heeft, een naam en een gezicht, en daarom mist het ook wat rouw krijgt: erkenning, een termijn, een einde. Het is rouw zonder dode.
Liefdesverdriet slijt, omdat het object verbleekt. Lustverdriet heeft geen object dat kan verbleken en kan daardoor chronisch worden zonder dat iemand het ziet, de drager incluis. Een gemis met een einde kun je delen. Een gemis zonder einde deel je liever niet, want dan vraagt iemand wat eraan te doen valt, en het eerlijke antwoord is een zin die niemand hardop wil horen.
* * *
Volgende week staat die jongen weer gewoon te trainen. Zijn verdriet had een naam en dus een houdbaarheidsdatum. Achter hem, op de bank, trekt een man van vijftig zijn handschoenen dicht. Hij heeft nooit gezegd wat hij mist. Er is ook geen woord voor. Dus slaat hij.
Peter Koopman
Literatuur
Berridge, K.C. & Robinson, T.E. (1998). What is the role of dopamine in reward: hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28(3), 309-369.
Donnelly, D., Burgess, E., Anderson, S., Davis, R. & Dillard, J. (2001). Involuntary celibacy: a life course analysis. Journal of Sex Research, 38(2), 159-169.
Fisher, H. (2004). Why We Love: The Nature and Chemistry of Romantic Love. New York: Henry Holt.
Fisher, H.E., Brown, L.L., Aron, A., Strong, G. & Mashek, D. (2010). Reward, addiction, and emotion regulation systems associated with rejection in love. Journal of Neurophysiology, 104(1), 51-60.
Maczkowiack, J. & Schweitzer, R.D. (2019). Postcoital dysphoria: prevalence and correlates among males. Journal of Sex & Marital Therapy, 45(2), 128-140.
Panksepp, J. (1998). Affective Neuroscience: The Foundations of Human and Animal Emotions. New York: Oxford University Press.
Schopenhauer, A. (1844). Metaphysik der Geschlechtsliebe. In: Die Welt als Wille und Vorstellung, deel II, hoofdstuk 44.
Schweitzer, R.D., O’Brien, J. & Burri, A. (2015). Postcoital dysphoria: prevalence and psychological correlates. Sexual Medicine, 3(4), 235-243.
