Zonder aankondiging Over zwemmen, de emmer van achteren, en het lichaam dat niet om toestemming vraagt

Zonder aankondiging Over zwemmen, de emmer van achteren, en het lichaam dat niet om toestemming vraagt

Zonder aankondiging, of waarom een zwembad je altijd een seconde voorsprong geeft die een overval je nooit gunt

Beste lezer,

Een vriend vergelijkt in zijn boek weerbaarheidstraining met leren zwemmen. Ik geloofde dat niet meteen, en hier leg ik uit waarom: het verschil zit niet in de techniek, het zit in de vraag of je lichaam een seconde krijgt om zich voor te bereiden, of dat het van achteren wordt overvallen zonder enig teken vooraf.

Ik neem je mee langs het verschil tussen homeostase en allostase, langs de reflex die niemand kan uitschakelen, langs de extra klok die meeloopt zodra iemand een hand om je keel legt, en langs de vraag waar training nog wél iets kan doen zodra anticiperen zelf onmogelijk is. Niet bij de schrik. Bij het herstel erna.

Zoals altijd: geen troost, wel een stevige bodem eronder.

Peter Koopman

 

Zonder aankondiging

Over zwemmen, de emmer van achteren, en het lichaam dat niet om toestemming vraagt

Mijn vriend Richard van Asdonck vergelijkt in zijn boek Veertig jaar voor de tralies (Gerlof Leistra en Govert Wisse, 2022) weerbaarheidstraining methodisch met leren zwemmen. Beide gaan over overleven, is de gedachte, en dus liggen de trainingsmethodes dicht bij elkaar. Het scherpere tegenvoorbeeld is een emmer ijskoud water die onverwacht van achteren over je hoofd wordt gegooid, of een hand die zich zonder aankondiging om je keel sluit. Twee vergelijkingen die op het eerste gezicht op hetzelfde neerkomen, en die bij nadere beschouwing over iets volledig anders blijken te gaan: het verschil tussen een organisme dat mag anticiperen en een organisme dat dat niet mag.

Walter Cannon beschreef in 1932 in The Wisdom of the Body het klassieke beeld van het lichaam als thermostaat: een verstoring, gevolgd door een terugkeer naar een vast instelpunt via negatieve terugkoppeling. Dat is homeostase, en het beeld heeft decennia standgehouden omdat het klopt voor temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Peter Sterling voegde er in 1988, samen met Joseph Eyer, een tweede begrip aan toe dat de thermostaat-metafoor doorbrak: allostase, stabiliteit door verandering, waarbij het systeem zijn instelpunten niet achteraf herstelt maar vooraf bijstelt, op basis van een verwachting. Sterling maakte dat onderscheid in 2012 nog explicieter door allostase te definiëren als predictive regulation. Daar zit het scharnier van dit essay: predictieve regulatie heeft een voorspelling nodig om op te regelen. Zonder signaal, geen anticipatie. Zonder anticipatie, geen allostase.

Bij zwemles is dat signaal er, hoe vaag ook. Je weet dat je in of bij water bent, je systeem staat op zijn minst een tandje scherper, ook al weet je niet exact op welk moment je onder gaat of een kramp krijgt. Bij de emmer van achteren ontbreekt dat signaal volledig, en dat is geen toevallig detail. Het is de definitie van een overval. Zodra er een signaal was geweest, was het geen overval meer geweest. Op het moment zelf van een echte overval is er dus geen allostase aan het werk, er kán geen allostase aan het werk zijn, want er valt niets te voorspellen. Wat overblijft is de kale homeostatische cyclus van Cannon: verstoring, en een poging tot herstel achteraf.

Dat de mate van voorspelbaarheid zelf een fysiologische variabele is, los van de sterkte van de dreiging, is met dierproeven aangetoond. Jay Weiss liet in 1970 zien dat ratten die onvoorspelbare elektrische schokken kregen aanmerkelijk ernstiger maagzweren ontwikkelden dan ratten die exact dezelfde schokken op een voorspelbaar moment kregen. Martin Seligman en Steven Maier voegden in 1967 met hun onderzoek naar learned helplessness een gedragscomponent toe: dieren zonder enige controle over een schok stopten op den duur zelfs met proberen te ontsnappen wanneer ontsnappen wél mogelijk werd. Onvoorspelbaarheid is dus geen sfeerdetail bij een overval. Het is zelf de factor die de schade verzwaart, boven op wat er feitelijk gebeurt.

Wat er dan in de eerste fractie van een seconde gebeurt, is voor vrijwel iedereen hetzelfde, en het is ouder dan het bewustzijn. De startle-reflex, in 1939 al gedetailleerd beschreven door Landis en Hunt in The Startle Pattern en later neurologisch verder uitgewerkt in het werk van Michael Davis, loopt via de hersenstam: ogen dicht, hoofd naar voren, schouders omhoog, een universele buigreactie die sneller optreedt dan enige bewuste beslissing en die zich niet laat uitschakelen. Tony Blauer bouwde zijn SPEAR-systeem, een veelgebruikte methode in de reality-based zelfverdedigingstraining, volledig op de aanname dat je die reflex niet moet bestrijden maar moet gebruiken als startpositie voor een geoefende beweging. Dat ontwerpprincipe volgt logisch uit de fysiologie van Davis en van Landis en Hunt, en die fysiologie staat als een huis. Het systeem zelf staat een stuk minder vast. Er is, voor zover mij bekend, geen gecontroleerd onderzoek dat SPEAR-getrainden vergelijkt met anders of niet getrainden in een echte overval, alleen praktijkervaring van instructeurs en de innerlijke logica van het ontwerp. De reflex is bewezen. Wat erbovenop is gebouwd, is aannemelijk, geen aangetoond effectief programma zoals het politieonderzoek van Oudejans verderop wel laat zien.

Bij een greep naar de keel specifiek komt er een tweede, hardere klok bij kijken. Druk op de hals kan via de sinus caroticus een vagale reflex opwekken: een plotselinge daling van bloeddruk en hartslag die het bewustzijn binnen enkele seconden kan aantasten, los van de gewone alarmreactie. Strack, McClane en Hawley documenteerden in hun overzicht van driehonderd wurgpogingen (2001) hoe snel slachtoffers functioneel uitvallen. Dat maakt de eerste reactie bij dit specifieke type aanval geen kwestie van goede stijl. Het is een race tegen een fysiologische deadline die in seconden wordt gemeten, niet in de minuten die een zwemles doorgaans gunt.

Er is ook een reële kans dat er helemaal geen reactie komt. H. Stefan Bracha breidde het klassieke fight-flight-model in 2004 uit met freeze, flight, fight, fright, flag en faint. Tonic immobility, de bevriezing die intreedt zodra ontsnappen onmogelijk lijkt, is bij mensen even goed gedocumenteerd als bij prooidieren, onder meer door Marx en collega’s in hun werk over slachtoffers van seksueel geweld (2008). Een trainingsprogramma dat uitgaat van vechten of vluchten als enige opties, traint voor de reactie die je hoopt te zien. Niet voor de reactie die het lichaam daadwerkelijk kan geven.

Bruce Siddle onderbouwde in Sharpening the Warrior’s Edge (1995) met hartslagdata waarom een technisch fraaie, veelkeuzige respons voor dit moment kansloos is: boven een bepaalde hartslag verdwijnt fijne motoriek als eerste, complexe motoriek daarna, en houdt alleen grove motoriek stand. Wat blijft is dus een klein aantal stevige, grove bewegingen, aangeleerd tot ze in dezelfde reflexbaan liggen als de flinch zelf. Niet omdat subtiliteit niet zou werken in theorie, maar omdat er op het moment zelf geen orgaan meer beschikbaar is om subtiliteit uit te voeren.

Hier wringt de zwemvergelijking het hardst, en hier wordt tegelijk zichtbaar waar training nog wél iets te zoeken heeft. Anticipatie trainen voor een overval is een tegenstrijdigheid: lukt het, dan is het geen overval meer. Wat overblijft is dus niet het voorkomen van de schrik, maar twee dingen die er ná de schrik toe doen. Ten eerste de inhoud van de reflex, waar de vorige alinea’s over gingen. Ten tweede, en dit wordt in de meeste programma’s onderbelicht, de snelheid en volledigheid van het herstel. Bruce McEwen beschreef in zijn klassieke artikel over allostatic load (New England Journal of Medicine, 1998) dat niet de piekbelasting zelf een organisme uitput, maar een herstel dat telkens onvolledig blijft. Voor personeel dat een hele carrière lang met dit soort overvallen te maken kan krijgen, is dát de eigenlijke inzet: niet of de schrik te voorkomen is, maar of het systeem er telkens weer volledig van terugveert, of een beetje ontregeld blijft hangen tot de stapeling zelf het probleem wordt. Dave Grossman beschrijft in On Combat ademhalingsprotocollen, tactical breathing, die precies op dat herstel zijn gericht. Niet de schrik voorkomen. De terugkeer versnellen.

Voor het ontwerp van de training zelf geldt een principe dat al veertig jaar in de motorische leerpsychologie ligt te wachten om serieus genomen te worden. William Battig introduceerde in 1979 de term contextual interference, en Shea en Morris toonden datzelfde jaar aan dat geblokkeerde training, dezelfde beweging keer op keer herhalen tot hij foutloos zit, de beste prestatie oplevert tijdens de training zelf en de slechtste zodra de omstandigheden veranderen. Willekeurige, gevarieerde training levert het omgekeerde op: trager en foutgevoeliger in de zaal, sterker op het moment dat het ertoe doet. Timothy Lee en Richard Magill verklaarden dat in 1983 met hun forgetting-reconstruction-hypothese: bij variatie moet je de oplossing telkens opnieuw opbouwen in plaats van een opgeslagen bewegingsband af te spelen, en die herhaalde reconstructie levert een overdraagbaarder bewegingsschema op, precies zoals Richard Schmidts schema-theorie uit 1975 voorspelt. Raôul Oudejans toetste dit rechtstreeks bij een doelgroep die dicht bij justitieel personeel staat: agenten die onder realistische, onvoorspelbare druk hadden geoefend, presteerden in een echte stressvolle schietsituatie aanmerkelijk beter dan agenten die uitsluitend op de statische baan hadden getraind, ondanks dat die laatste groep op de baan zelf de nettere scores haalde (Ergonomics, 2008).

Eén kanttekening voorkomt dat dit advies zelf een dogma wordt. Volledige willekeur werkt alleen als er al een basisrepertoire ligt. De paar grove bewegingen uit Siddles model moeten eerst aanwezig zijn voordat je er variatie op loslaat, anders oefen je vooral verkeerde patronen in en beloon je toeval boven techniek. Schmidt en Lee beschrijven in hun standaardwerk over motor learning een gefaseerde opbouw: kort geblokkeerd om de elementen erin te krijgen, daarna zo snel mogelijk over naar random practice. Niet blok tegenover variatie als permanente tegenstelling. Blok als kort startpunt, variatie als de rest van de carrière.

Voor justitieel personeel is er nog een laag die geen fysiologie is maar beleid. Wat een waardevolle reactie mag zijn, wordt mede bepaald door de geweldsinstructie, niet alleen door wat het lichaam het snelst en het beste kan. Een programma dat de fysiologisch optimale respons traint maar botst met wat een medewerker volgens protocol mag doen, is een programma dat je juridisch weer moet afbreken voor je het operationeel hebt kunnen invoeren.

Terug naar de vriend en zijn zwembad. Zijn vergelijking klopt voor de opbouw: gedoseerde, herhaalde blootstelling die een drempel verlegt, is bij zwemles en bij weerbaarheidstraining hetzelfde mechanisme, en Dienstbiers toughening-model onderschrijft dat voor beide. Maar op het moment zelf houdt de vergelijking op. Een zwembad, hoe onvoorspelbaar het verloop van een zwemles ook wordt gemaakt, blijft een omgeving waarin je wist dat je in het water stapte. De emmer van achteren, de hand om de keel, kondigen zichzelf per definitie niet aan. Er is geen trainingsvorm die dat verschil kan wegpoetsen, en elk programma dat doet alsof, verkoopt zijn deelnemers een vorm van voorbereiding die op het beslissende moment niet bestaat. Het enige eerlijke doel van zo’n programma is dan ook niet het voorkomen van de schrik. Het is zorgen dat wat er na de schrik gebeurt, van jou is, en niet van het toeval.

 

Literatuur

  • Battig, W.F. (1979). The flexibility of human memory. In L.S. Cermak & F.I.M. Craik (Eds.), Levels of Processing in Human Memory. Erlbaum.
  • Bracha, H.S. (2004). Freeze, flight, fight, fright, flag, faint: Adaptationist perspectives on the acute stress response spectrum. CNS Spectrums, 9(9), 679-685.
  • Cannon, W.B. (1932). The Wisdom of the Body. W.W. Norton & Company.
  • Davis, M. (1992). The role of the amygdala in fear-potentiated startle: Implications for animal models of anxiety. Trends in Pharmacological Sciences, 13, 35-41.
  • Dienstbier, R.A. (1989). Arousal and physiological toughness: Implications for mental and physical health. Psychological Review, 96(1), 84-100.
  • Grossman, D. (2004). On Combat: The Psychology and Physiology of Deadly Conflict in War and in Peace. PPCT Research Publications.
  • Landis, C. & Hunt, W.A. (1939). The Startle Pattern. Farrar & Rinehart.
  • Lee, T.D. & Magill, R.A. (1983). The locus of contextual interference in motor-skill acquisition. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition, 9(4), 730-746.
  • Leistra, G., Wisse, G. (2022) Veertig jaar voor de tralies, Just Publishers
  • Magill, R.A. & Hall, K.G. (1990). A review of the contextual interference effect in motor skill acquisition. Human Movement Science, 9(3-5), 241-289.
  • Marx, B.P., Forsyth, J.P., Gallup, G.G. & Fusé, T. (2008). Tonic immobility as an evolved predator defense: Implications for sexual assault survivors. Clinical Psychology: Science and Practice, 15(1), 74-90.
  • McEwen, B.S. (1998). Protective and damaging effects of stress mediators. New England Journal of Medicine, 338(3), 171-179.
  • McEwen, B.S. & Wingfield, J.C. (2003). The concept of allostasis in biology and biomedicine. Hormones and Behavior, 43(1), 2-15.
  • Oudejans, R.R.D. (2008). Reality-based practice under pressure improves handgun shooting performance of police officers. Ergonomics, 51(3), 261-273.
  • Schmidt, R.A. (1975). A schema theory of discrete motor skill learning. Psychological Review, 82(4), 225-260.
  • Seligman, M.E.P. & Maier, S.F. (1967). Failure to escape traumatic shock. Journal of Experimental Psychology, 74(1), 1-9.
  • Shea, J.B. & Morris, C.H. (1979). Contextual interference effects on the acquisition, retention, and transfer of a motor skill. Journal of Experimental Psychology: Human Learning and Memory, 5(2), 179-187.
  • Siddle, B.K. (1995). Sharpening the Warrior’s Edge: The Psychology & Science of Training. PPCT Research Publications.
  • Sterling, P. & Eyer, J. (1988). Allostasis: A new paradigm to explain arousal pathology. In S. Fisher & J. Reason (Eds.), Handbook of Life Stress, Cognition and Health. John Wiley & Sons.
  • Sterling, P. (2012). Allostasis: A model of predictive regulation. Physiology & Behavior, 106(1), 5-15.
  • Strack, G.B., McClane, G.E. & Hawley, D. (2001). A review of 300 attempted strangulation cases: Part I. Journal of Emergency Medicine, 21(3), 303-309.
  • Weiss, J.M. (1970). Somatic effects of predictable and unpredictable shock. Psychosomatic Medicine, 32(4), 397-408.

 

 

Ook interessant voor jou!