In de apenkooi kiest niemand vrij

In de apenkooi kiest niemand vrij

Waarom je vrijwillig in een kooi stapt (en dat gezondheid noemt)

 

Beste lezer,

Deze dag begint met een sportschool, een weerstandsband en een opmerking die verkeerd viel. Het essay gaat niet over die opmerking. Het gaat over alles wat eraan voorafging: een les gekozen, een pakje gekozen, een instructeur geloofd, en dat allemaal ervaren als vrije keuze.

Girard, Milgram, Cialdini, Trivers, Festinger, Haidt, ze passeren stuk voor stuk, niet omdat het geleerd staat, maar omdat je zonder hen niet kunt verklaren waarom twintig vreemden op dezelfde ochtend precies hetzelfde denken te willen.

Lees het hieronder, en kijk daarna nog eens goed om je heen. In de rij bij de koffieautomaat, in de sportschool, of waar je ook maar denkt zelf gekozen te hebben.

Peter Koopman

 

In de apenkooi kiest niemand vrij

Een aantrekkelijke jonge vrouw meldt zich vroeg in de ochtend voor apenkooien. De naam is toepasselijker dan hij bedoeld is: een twintigtal oefeningen, een timer, een instructeur met een klembord en een gezag dat niemand ooit heeft geverifieerd. Bij een van de oefeningen, romp voorovergebogen, armen tegen een weerstandsband in, krijgt ze de aanwijzing: meer vooroverbuigen, niet voor de oefening, voor mij. Ze reageert alsof ze door een wesp is gestoken. Dit is ongepast, zegt ze.

Die zin is niet het probleem. Het probleem zit in alles wat eraan voorafging, en daar kijkt niemand naar, want dat deel voelt aan als een vrije keuze.

Ze koos deze les, dit tijdstip, deze instructeur, en, niet toevallig, een felgekleurd pakje dat weinig aan de verbeelding overlaat. Vraag haar waarom, en het antwoord komt zonder aarzelen: voor de conditie, voor mezelf. Vraag een zaal vol crossfitters en spinninggangers hetzelfde, en je krijgt exact hetzelfde antwoord, in exact dezelfde bewoordingen, met exact dezelfde overtuiging. Dat zou iedereen moeten opvallen. Twintig mensen die onafhankelijk van elkaar tot identieke conclusies komen over wat goed voor ze is, is geen toeval. Het is imitatie met een badge van autonomie erop geplakt.

René Girard noemde dit mimetische begeerte: we willen zelden wat we willen, we willen wat de ander al wil, en we zien de ander pas als we zelf iets tekortkomen. Toegepast op een sportschool om zeven uur ochtends klinkt dat overdreven, tot je bedenkt dat niemand daar geboren is met een verlangen naar apenkooien. Het verlangen is aangeleerd, via Instagram, via de collega die er ineens anders uitziet, via de buurvrouw die het ook doet. De les zelf is bijzaak. Het gaat om erbij horen zonder dat te hoeven toegeven, want toegeven dat je meedoet omdat de rest meedoet is nu eenmaal minder overtuigend dan zeggen dat het om je gezondheid gaat.

En dan is er de instructeur. Niemand in die zaal heeft zijn papieren gecontroleerd. Hij draagt het juiste shirt, houdt het juiste klembord vast, spreekt met het juiste soort zelfvertrouwen, en dat is genoeg. Stanley Milgram liet in 1963 zien hoe ver mensen gaan als een witte jas het zegt. Robert Cialdini vatte het decennia later samen in zijn autoriteitsprincipe: we gehoorzamen niet aan expertise, we gehoorzamen aan de uiterlijke kenmerken van expertise. In de apenkooi is dat een shirt met een logo. Iedereen buigt voorover wanneer hij het zegt, zonder een moment stil te staan bij de vraag of hij wel weet waar hij het over heeft. Dat is geen kritiek op deze specifieke instructeur. Het is een constatering over hoe weinig kritisch vermogen er nog over is zodra iemand met genoeg overtuiging een instructie geeft.

Hier wordt het pas echt grappig. Want de seksuele lading die iedereen in die zaal voelt, van de vrouw in het pakje tot de man ernaast die net iets te lang kijkt, wordt niet ontkend. Ze wordt bedekt. Er wordt een verstandig verhaal overheen gelegd, iets met vetverbranding en core stability, en zodra dat verhaal er ligt, is de andere reden verdwenen. Niet weerlegd. Verdwenen, alsof hij er nooit was.

Robert Trivers noemt dit adaptief zelfbedrog: je liegt overtuigender tegen anderen als je eerst jezelf hebt overtuigd, dus is het voordeliger om de eigen motieven niet te kennen dan om ze te verbergen. Leon Festinger had er dertig jaar eerder al een naam voor: cognitieve dissonantie, het ongemak van twee gedachten die niet naast elkaar kunnen bestaan, opgelost door er simpelweg een te laten verdwijnen. Jonathan Haidt maakte er een beeld van dat blijft hangen, een ruiter op een olifant die achteraf verzint waarom de olifant die kant op liep, en dat verzinsel voor rede aanziet. De ruiter in de apenkooi heet gezondheid. De olifant wist allang waarom hij die ochtend als eerste uit bed kwam.

De opmerking van de instructeur trekt vervolgens, zonder enige finesse, het verhaal weg dat iedereen zorgvuldig had opgebouwd. Niet omdat hij iets onthult wat niemand wist, iedereen wist het. Hij zegt het hardop, in een ruimte waar de afspraak was dat je het wist en zweeg. Dat is waarom ze schrikt. Niet omdat ze betrapt is op iets schaamtelijks, maar omdat de fictie waarvoor de hele zaal zich had aangemeld ineens op de vloer ligt, voor iedereen zichtbaar. Ze is niet boos op hem, wel boos dat het spel voorbij is voordat de klok is afgelopen.

Wie hierin nog een verhaal wil lezen over grensoverschrijding, mist het punt. Er wordt hier niemand vrijgepleit en niemand veroordeeld. De vraag is niet of de opmerking door de beugel kon. De vraag is waarom een zaal vol volwassen mensen, elke ochtend opnieuw, dezelfde bewegingen maakt, dezelfde kleding kiest, dezelfde instructeur gelooft en dezelfde reden aanvoert, en dat allemaal beleeft als het product van individuele, weloverwogen keuzevrijheid. Apen in een kooi weten tenminste dat ze in een kooi zitten. Wij hebben er een abonnement voor afgesloten, met korting bij vooruitbetaling.

De volgende keer dat je in de rij staat voor de weerstandsband, met je zorgvuldig gekozen pakje en je zorgvuldig gekozen reden, kijk eens rond. Iedereen daar denkt precies hetzelfde over zichzelf als jij over jezelf denkt. Dat zou iedereen aan het lachen moeten maken, of aan het schrikken. Vaak allebei tegelijk, wat waarschijnlijk de meest eerlijke reactie is die er bestaat.

 

Literatuurlijst

Cialdini, R. B. (1984). Influence: The Psychology of Persuasion. William Morrow. Het autoriteitsprincipe: mensen gehoorzamen niet aan expertise, maar aan de uiterlijke kenmerken ervan.

Festinger, L. (1957). A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford University Press. Waarom twee onverenigbare gedachten niet naast elkaar blijven bestaan, en welke van de twee het onderspit delft.

Girard, R. (1961). Mensonge romantique et vérité romanesque. Grasset. Engelse vertaling: Deceit, Desire, and the Novel: Self and Other in Literary Structure (1965), Johns Hopkins University Press. De grondtekst over mimetische begeerte: verlangen is zelden origineel, het is geleend van een ander.

Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. Pantheon Books. De ruiter en de olifant: rede als achteraf verzonnen verklaring voor wat de intuïtie al had besloten.

Milgram, S. (1963). Behavioral study of obedience. Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371-378.

Milgram, S. (1974). Obedience to Authority: An Experimental View. Harper & Row. Hoe ver mensen gaan zodra een schijn van gezag het vraagt.

Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books. Zelfbedrog als evolutionair voordeel: je liegt geloofwaardiger tegen anderen als je jezelf eerst hebt overtuigd.

 

Ook interessant voor jou!