Symbolische transformatie Over de behoefte om chaos in een jasje te steken

Symbolische transformatie Over de behoefte om chaos in een jasje te steken

Symbolische transformatie, of waarom niets ooit zomaar een steen is

 

Beste lezer,

Vorige week ging het over morele transformatie, over hoe samenlevingen en individuen van kompas wisselen. Deze week ga ik een laag dieper, naar het mechanisme dat die verschuivingen pas mogelijk maakt: symbolische transformatie. De behoefte om een chaotische wereld draaglijk te maken door er structuur en betekenis aan toe te kennen.

Het is een onderwerp dat overal zichtbaar wordt zodra je het eenmaal ziet, van een grafrite tot een naamsverandering van een plein. En het levert een onderscheid op dat volgens mij te weinig gemaakt wordt: het verschil tussen een symbool dat echt iets verandert, en een symbool dat verandering alleen maar nabootst.

Lees hieronder verder.

Met vriendelijke groet,

Peter Koopman

 

Symbolische transformatie

Over de behoefte om chaos in een jasje te steken

Er loopt een mens rond in de savanne, drie miljoen jaar geleden, omringd door een wereld die hem niets vertelt over wat hij moet doen. Geen instructies, geen waarschuwingsbord. Alleen geluid, gevaar en toeval. Wat die mens vervolgens doet, is de eigenlijke ontstaansgeschiedenis van onze soort: hij begint dingen betekenis te geven die op zichzelf niets betekenen. Een steen wordt een grens. Een streep oker wordt een teken van status. Een dode wordt begraven met een schelp erbij, alsof de schelp ergens toe dient in een wereld na de wereld. Dat is symbolische transformatie in zijn kaalste vorm: chaos wordt draaglijk gemaakt door er structuur overheen te leggen en die structuur van waarde te voorzien.

Peter Berger en Thomas Luckmann noemden dat proces nomos tegenover anomie. De mens bouwt voortdurend een symbolische orde om de dreiging van betekenisloosheid af te weren, en die orde is nooit af. Ze moet permanent onderhouden worden, bevestigd in rituelen, herhaald in taal, herbevestigd in elke generatie opnieuw. Mircea Eliade beschreef hetzelfde mechanisme vanuit de religiewetenschap: het heilige als een axis mundi, een vast punt dat oriëntatie biedt in een verder ongedifferentieerde en dreigende ruimte. Mary Douglas liet zien hoe dat op microniveau werkt, via classificatie. Vuil is niets anders dan matter out of place, materie die de categorieën ontglipt die wij eraan hebben opgelegd. Chaos is niet het gevaar zelf. Chaos is het ontbreken van een raster om het gevaar in te plaatsen.

Tot zover is het een nette, bijna gerieflijke verklaring: de mens als bang wezen dat zichzelf troost met verhalen. Ernest Becker ging daarin het verst, met The Denial of Death, en de terror management theory die daaruit voortkwam, van Greenberg, Solomon en Pyszczynski, heeft dat idee decennialang experimenteel onderbouwd. Confronteer mensen met hun sterfelijkheid en ze klampen zich harder vast aan natie, religie, moraal, elk symbolisch bouwwerk dat belooft dat er iets van hen overblijft. Knap onderzoek, herhaald in tientallen culturen. En precies daarom verleidelijk om er de hele verklaring van symbolische transformatie op te baseren.

Toch is dat een vergissing. Terrence Deacon en Ernst Cassirer laten iets anders zien. Symbolisch denken is geen therapie tegen angst, het is een eigenschap van het brein die niet wacht op existentiële nood om zich te manifesteren. Een kind van twee dat doet alsof een bezemsteel een paard is, is niet bezig zijn doodsangst te bezweren. Cassirer noemde de mens animal symbolicum, niet omdat hij bang is, maar omdat hij niet anders kan dan in symbolen leven. De fysieke wereld is voor ons altijd al gefilterd door een laag van betekenis voordat we er iets van meekrijgen. Reduceer symbolische transformatie tot angstmanagement en je verklaart waarom een grafrite ontstaat, maar niet waarom een kind fantaseert, niet waarom een wiskundige in symbolen droomt, niet waarom muziek bestaat zonder dat er een dreiging aan te pas komt.

De vraag wordt interessanter zodra je het universele mechanisme loslaat en vraagt waarom de ene cultuur deze symbolen ontwikkelt en de andere compleet andere. Joseph Henrich heeft daar het beste antwoord op: symbolen zijn geen neutrale communicatiemiddelen, ze zijn transmissiebanden. Wie de juiste symbolische markers draagt, de juiste taboes eerbiedigt, de juiste rituelen kent, wordt gekopieerd, vertrouwd, opgenomen in de coalitie. Cultuur verspreidt zich niet via argumenten, ze verspreidt zich via imitatie van wie prestige heeft, en symbolen zijn het label waaraan je die prestige afleest. Dat verklaart meteen waarom morele overtuigingen, waar het vorige keer over ging, zo makkelijk meeliften op symbolische systemen. Een vlag, een dieet, een kledingstuk, een voornaamwoord: ze zijn allemaal drager van een moreel signaal geworden, niet omdat het signaal zo logisch is, maar omdat het zichtbaar en overdraagbaar is.

Dan wordt het ook pas echt de moeite waard om te vragen of symbolische transformatie iets doet, of alleen maar iets zegt. Arnold van Gennep en Victor Turner geven daar een stevig antwoord op. Een rite de passage is geen versiering rond een verandering die toch al plaatsvindt, ze is het mechanisme van de verandering zelf. Wie een liminale fase doorloopt, ontheven van oude status, tijdelijk niemand, komt er in een nieuwe positie uit, en die nieuwe positie wordt door de hele gemeenschap als reëel behandeld. Beleefde fictie is dit niet, waar de gemeenschap zich toe verplicht voelt. Wel sociale werkelijkheid, die door het geloof zelf tot stand komt. Symbolische transformatie kan dus daadwerkelijk transformeren, niet als metafoor maar functioneel.

René Girard zet daar een schaduwzijde tegenover die minder comfortabel is. Het zondebokmechanisme is ook symbolische transformatie: collectieve spanning wordt via een offer omgezet in orde, maar er verandert niets aan de onderliggende oorzaak van die spanning. De gemeenschap voelt zich gezuiverd, de rite werkt, en toch is het probleem dat de rite oplost er eigenlijk nooit geweest in de vorm waarin het bestreden werd. Hetzelfde mechanisme als bij Turner, geloof dat werkelijkheid schept, maar hier schept het geloof een werkelijkheid die de eigenlijke bron van onrust verbergt in plaats van adresseert.

En daarmee kom je bij de laag die de meeste beschouwingen over dit onderwerp liever overslaan, omdat hij minder vleiend is. Murray Edelman beschreef in The Symbolic Uses of Politics hoe symbolische transformatie stelselmatig wordt ingezet als vervanging voor daadwerkelijke verandering. Een naam wordt gewijzigd, een standbeeld verdwijnt, een dag wordt ingesteld, een woord wordt verboden, en iedereen die er ongemakkelijk bij zat kan naar huis met het gevoel dat er iets gebeurd is. Er is alleen niets herverdeeld. Niemand heeft macht ingeleverd. De onderliggende verhoudingen staan nog precies zoals ze stonden. Symbolische transformatie is hier geen liminale drempel maar een aflaat, betaald in tekens in plaats van munten, en effectief precies omdat de meeste mensen het verschil met een echte drempel niet meer zien.

Daar moet dit essay op uitkomen. Symbolen transformeren altijd iets, dat is nooit de vraag. De vraag is of ze een drempel markeren of een drempel vervangen. Turner en Girard laten zien dat het geloof in een symbool sociale werkelijkheid kan scheppen, ten goede of ten kwade. Edelman laat zien dat hetzelfde mechanisme ingezet kan worden om verandering juist te voorkomen, door het gevoel van verandering te leveren zonder de kosten ervan. Wie dat onderscheid niet maakt, verwart een monument met een wet, een hashtag met een herverdeling, een verontschuldiging met een correctie. Wie het wel maakt, gaat nooit meer onbevangen om met de vraag of er nu echt iets veranderd is, of alleen het teken ervan.

 

Literatuurlijst

Berger, P. & Luckmann, T. The Social Construction of Reality (1966). De bron van nomos tegenover anomie, nog altijd het beste startpunt voor wie symbolische orde als sociaal bouwwerk wil begrijpen.

Eliade, M. The Sacred and the Profane (1957). Religiewetenschappelijk tegenwicht: het heilige als oriëntatiepunt, niet als illusie.

Douglas, M. Purity and Danger (1966). Classificatie als het micro-mechanisme achter elke grotere symbolische orde.

Becker, E. The Denial of Death (1973). De klassieker achter de angst-hypothese, met alle kracht en alle beperkingen die daarbij horen.

Greenberg, J., Solomon, S. & Pyszczynski, T. The Worm at the Core (2015). De experimentele onderbouwing van Becker via terror management theory.

Deacon, T. The Symbolic Species (1997). Het cognitief-evolutionaire tegenwicht tegen elke puur functionalistische lezing.

Cassirer, E. An Essay on Man (1944). De filosofische bron van animal symbolicum.

Henrich, J. The Secret of Our Success (2016) en The WEIRDest People in the World (2020). Voor wie wil begrijpen hoe symbolen als culturele transmissieband werken, en waarom die band per cultuur zo verschillend is bespannen.

Van Gennep, A. Les rites de passage (1909). Het originele werk achter liminaliteit, nog altijd fris.

Turner, V. The Ritual Process (1969). Bouwt Van Gennep uit tot een volwaardige theorie van sociale transformatie via ritueel.

Girard, R. La Violence et le Sacré (1972). Het zondebokmechanisme, ongemakkelijk en moeilijk te ontlopen zodra je het gezien hebt.

Edelman, M. The Symbolic Uses of Politics (1964, herzien 1985). De cynische sluitsteen: symboliek als vervanging voor herverdeling.

 

Ook interessant voor jou!