Waarom voorbereiding een harde grens heeft
Beste lezer,
Het slotstuk. Na drie afleveringen over hoe opwinding werkt en waarom je hem opzoekt, eindigen we bij de vraag waar alle voorbereiding op vastloopt. Stoïcijnen oefenden zich al eeuwen op rampspoed, met wisselend succes, en cybernetica legt uit waarom je je principieel niet kunt voorbereiden op iets wat je nog niet kunt bedenken. Met als klinische testcase een blik op PTSS die de gangbare aannames op zijn kop zet.
Essay 4: De grens van voorbereiding.
Veel leesplezier
Peter Koopman
Essay 4 — De grens van voorbereiding
Er bestaat een uitspraak, toegeschreven aan zowel Niels Bohr als de Deense cartoonist Robert Storm Petersen, dat voorspellen moeilijk is, vooral als het de toekomst betreft. Zelfs die uitspraak weet niemand met zekerheid aan wie hij toebehoort, wat op zich al een aardige illustratie is van het probleem.
De Stoïcijnen bedachten er een tegenwicht voor, praemeditatio malorum, het dagelijks doorleven van toekomstig onheil om de klap te breken voordat hij valt. Seneca schreef er brieven vol over. Het moderne equivalent heet stress inoculation training, uitgewerkt door Donald Meichenbaum in de jaren tachtig, en het werkt niet door de specifieke ramp te voorspellen, want dat kan niemand, maar door een generieke responsklasse te oefenen: verlies van gezondheid, van status, van controle. Wie zich klaarmaakt voor het idee dat het leven onder je kan wegzakken, hoeft niet te raden welke vorm dat wegzakken precies aanneemt.
Klinkt solide, en voor sommigen werkt het ook echt. Julie Norem onderzocht wat ze defensive pessimism noemt en vond dat het doorleven van worstcasescenario’s alleen helpt bij mensen die van nature al laag ingestelde verwachtingen combineren met scherp doorrekenen. Bij mensen met een optimistischer basisinstelling verstoort exact dezelfde oefening juist de prestatie en verhoogt hij de angst, omdat je ze uit een strategie haalt die voor hen al werkte. Er is dus geen universeel recept, er is een recept dat bij een deel van de bevolking averechts werkt.
Maar zelfs voor wie het wel werkt, zit er een harde wiskundige grens aan wat voorbereiding kan doen. W. Ross Ashby formuleerde in 1956 zijn Law of Requisite Variety: een regelsysteem kan alleen die verstoringen opvangen waarvoor het zelf voldoende interne representatie bezit. Alles wat buiten het gemodelleerde bereik valt, kan het systeem per definitie niet reguleren, niet een beetje, niet bij benadering. Frank Knight maakte in 1921 het onderscheid tussen risico, een uitkomst met een bekende kansverdeling, en onzekerheid, een uitkomst waarvan je de kansverdeling zelf niet kent. Nassim Taleb populariseerde dat later als black swans, gebeurtenissen die buiten elk model liggen en pas achteraf van een verklaring worden voorzien. Praemeditatio malorum, defensive pessimism, elke vorm van mentale voorbereiding, dat opereert allemaal binnen risico. Voor onzekerheid bestaat geen oefening, want je kunt niet trainen op een categorie die je nog niet kent.
Onder dit alles zit nog een laag die geen enkele techniek raakt, en dat is de simpele wil van het organisme om door te gaan. Spinoza noemde dit conatus, elk ding streeft ernaar in zijn eigen bestaan te volharden, en dat is bij hem de essentie van het ding zelf, niet iets wat het verstand erbij verzint. Schopenhauer maakte er een blinde, onredelijke wil van het leven van, met het bewuste verstand als hooguit een dienaar die achteraf uitlegt wat de wil al besloten had. Kinderen laten dit zien op de meest onopgesmukte manier die er is: bij een breath-holding spell houdt een gefrustreerde peuter de adem in tot hij blauw aanloopt en soms kort het bewustzijn verliest, en op dat moment herneemt de ademhaling zichzelf altijd, zonder uitzondering. Geen niveau van wilskracht of meditatie breekt daar doorheen, want het zit onder het niveau waarop wilskracht en meditatie aangrijpen.
Hier moet ook een correctie op tafel, want niet elke filosofische traditie die met onthechting werkt valt in hetzelfde mandje. Camus verzette zich in De mythe van Sisyphus juist expliciet tegen wat hij filosofische zelfmoord noemde, elke vorm van wegduiken voor het absurde, inclusief onthechting. Zijn antwoord op de rots is geen afstand nemen maar juist volle betrokkenheid volhouden ondanks de zinloosheid. Zen en de Stoa vragen om het omgekeerde. Ze staan filosofisch loodrecht op elkaar, ook al citeren mensen ze graag in één adem.
De klinische testcase voor dit hele verhaal is posttraumatische stressstoornis, en die levert een verrassing op die de intuïtieve versie van het verhaal onderuithaalt. Je zou verwachten dat een systeem dat chronisch paraat staat hoge cortisolwaarden laat zien, aanhoudend opgejaagd. Rachel Yehuda vond bij oorlogsveteranen en Holocaust-overlevenden met PTSS juist het omgekeerde, lagere cortisolwaarden met een versterkte negatieve terugkoppeling. Wat wel chronisch overactief blijft is de amygdala, terwijl de ventromediale prefrontale cortex en de hippocampus, de structuren die zouden moeten seinen dat een omgeving nu veilig is, onderactief en slechter functioneren, zoals Scott Rauch, Lisa Shin en Elizabeth Phelps in 2006 in kaart brachten. Het probleem bij PTSS is dus minder een systeem dat nooit uitschakelt door te veel hormoon, en meer een uitschakelknop die kapot is, een falen van precies het contextleren dat ook bij Bouton’s renewal effect al opdook. Exposuretherapie voor PTSS werkt daarom niet door iemand harder te maken. Hij werkt door dat kapotte seintje stap voor stap te herstellen.
De conclusie is minder troostrijk dan de zelfhulpindustrie je wil verkopen. Je kunt jezelf voorbereiden op de categorie rampen die je al kunt bedenken, en zelfs dat werkt niet voor iedereen even goed. Op de ramp die je nog niet kunt bedenken, en op de simpele wil van je lijf om door te gaan wat er ook gebeurt, heeft geen enkele techniek vat. Dat is geen reden om te stoppen met voorbereiden. Het is wel een reden om nooit te geloven dat je klaar bent.
Literatuurlijst
Seneca, L.A. Epistulae Morales ad Lucilium (o.a. brief 24, over praemeditatio malorum).
Meichenbaum, D. (1985). Stress Inoculation Training. Pergamon Press.
Norem, J.K. (2001). The Positive Power of Negative Thinking. Basic Books.
Ashby, W.R. (1956). An Introduction to Cybernetics. Chapman & Hall.
Knight, F.H. (1921). Risk, Uncertainty, and Profit. Houghton Mifflin.
Taleb, N.N. (2007). The Black Swan: The Impact of the Highly Improbable. Random House.
Spinoza, B. (1677). Ethica, deel III (conatus).
Schopenhauer, A. (1818). Die Welt als Wille und Vorstellung.
Camus, A. (1942). Le Mythe de Sisyphe. Gallimard.
Yehuda, R. (2002). Post-traumatic stress disorder. New England Journal of Medicine, 346(2), 108-114.
Rauch, S.L., Shin, L.M. & Phelps, E.A. (2006). Neurocircuitry models of posttraumatic stress disorder and extinction: human neuroimaging research, past, present, and future. Biological Psychiatry, 60(4), 376-382.
Sterling, P. (2012). Allostasis: a model of predictive regulation. Physiology & Behavior, 106(1), 5-15.
McEwen, B.S. & Stellar, E. (1993). Stress and the individual: mechanisms leading to disease. Archives of Internal Medicine, 153(18), 2093-2101.
