De schrik is eerlijk, het verhaal niet (1) – Je schrok, maar je weet niet waarom

De schrik is eerlijk, het verhaal niet (1) - Je schrok, maar je weet niet waarom

Beste lezer,

Een deur slaat dicht en binnen dertig milliseconden heeft een zenuwbaan in je hersenstam zijn werk al gedaan, ruim voordat het deel van je brein dat “ik” zegt ook maar wakker is. Wat je daarna voelt, denkt en vertelt, is een reconstructie, gebouwd op puin dat al lag voordat de aannemer arriveerde.

Dit essay begint bij die reconstructie, van hersenstam naar cortex, van een wiebelige hangbrug naar een spookhuis in Pittsburgh, maar eindigt ergens anders: bij Helmuth Plessner en het idee dat de mens geen vaste plek in zichzelf heeft, en dus voortdurend opnieuw moet bepalen wie hij is, aan de hand van een context die nooit stilstaat en een geheugen dat daar achteraf een verhaal van bakt.

Er zit ook een adder onder het gras. Niet alles is reflex, niet elk zelf is verhaal, en wie te makkelijk concludeert dat er “niets onder de motorkap zit dan geheugen”, verkoopt filosofie als bioscoopfeit.

Lees door, en reken niet op een geruststellende afsluiter.

Veel leesplezier,

Peter Koopman

 

De schrik is eerlijk, het verhaal niet (1)

 

Een deur slaat dicht, iemand springt overeind, adem stokt, en pas een halve seconde later volgt de zin “ik schrok me kapot”. Die zin is gelogen, niet uit oneerlijkheid maar uit onvermogen. Het oog knijpt binnen dertig tot veertig milliseconden dicht, de romp buigt kort daarna, en de hele reflex is binnen een fractie van een seconde voltooid. De cortex, waar taal en zelfbeeld zetelen, heeft op dat moment nog niets geregistreerd. Wat volgt, de zin, het verhaal, de gêne omdat je gilde bij een dichtslaande deur, is achteraf gebouwd. Niet gelogen om te misleiden, maar gelogen omdat het orgaan dat de zin uitspreekt er nog niet bij was toen het gebeurde.

De schrikreflex is een van de oudste, meest stereotiepe patronen die het zenuwstelsel kent, en dat is precies waarom hij zo weinig ruimte laat voor interpretatie. Er loopt een snelle, grove route van thalamus naar amygdala, en een langzamere, preciezere route via de cortex (LeDoux, 1996). De exacte tijdwinst van die snelle route ligt in de literatuur minder vast dan populaire samenvattingen suggereren, maar het punt overleeft de precisie: er bestaat een pad dat een dreiging beantwoordt voordat er iets van herkenning, laat staan taal, aan te pas komt. Angstconditionering versterkt dat pad zonder dat er een bewuste gedachte bij nodig is (Davis, 1992).

Vervolgens gebeurt er iets interessanters dan de reflex zelf. Het lichaam levert een golf van fysiologische opwinding, hartslag, zweet, adrenaline, en dat is alles wat het levert. Emotie bestaat voor een groot deel uit het label dat je achteraf aan die opwinding plakt, niet uit de opwinding zelf (Schachter & Singer, 1962), en dat label kan volledig mis zijn: mannen op een wiebelige hangbrug schreven hun verhoogde hartslag toe aan aantrekkingskracht tot een onderzoeksassistente, in plaats van aan angst voor de diepte (Dutton & Aron, 1974). Het lichaam wist niet beter, het brein wel, en het brein had het mis.

Hier wordt het pas echt interessant, want dit is geen curiositeit van de schrikreflex, het is de architectuur van het zelf in het klein. Plessner beschreef de mens als excentrisch gepositioneerd: anders dan een dier, dat samenvalt met zijn plek in de omgeving, staat de mens ook buiten zichzelf en moet hij zich voortdurend opnieuw tot die omgeving verhouden, omdat er geen vaste, ingebakken passing bestaat. Gehlen noemde de mens om die reden een wezen met een tekort, gedwongen om het ontbreken van instinctieve programma’s te compenseren met cultuur, gewoonte en verhaal. Dat is filosofie uit de vorige eeuw, maar de cognitiewetenschap komt op hetzelfde uit langs een andere weg: er is een moment-tot-moment lichaamsbewaking die geen taal of geheugen nodig heeft, en daarboven een autobiografisch zelf dat pas ontstaat wanneer die momentopnamen worden aaneengeregen tot geschiedenis (Damasio, 2010). Hoe letterlijk dat aaneenrijgen gaat, laat onderzoek bij patiënten met een doorgesneden hersenbalk zien: de ene hersenhelft verzint, zonder enige gêne, een verklaring voor gedrag waarvan de oorzaak in de andere helft lag (Gazzaniga, 2011). Recenter werk beschrijft het zelf niet als vaste kern maar als een model dat continu wordt bijgesteld op basis van fouten tussen verwachting en binnenkomende prikkels, van buiten en van binnen het eigen lichaam (Friston, 2010; Seth, 2021). Geen bestuurder achter het stuur, eerder een boordcomputer die zijn eigen kaart voortdurend herschrijft.

Dat mag niet uitmonden in de simpele conclusie dat er onder die kaart helemaal niets ligt. Sommige mensen ervaren hun leven wel degelijk als aaneengesloten verhaal, anderen juist niet, zonder dat die laatste groep minder samenhangend functioneert (Strawson, 2004), en er is een gevoel van agency en eigenaarschap over een handeling dat al aanwezig is voordat er ook maar iets van geheugen of verhaal bij komt kijken (Gallagher, 2000). De heroriëntatie is onmiskenbaar echt en voortdurend, maar het idee dat er niets onder ligt dan een opeenstapeling van herinneringen, is zelf een filosofische keuze, geen vaststaand feit.

Ook de schrikreflex zelf is minder blind dan hij lijkt zodra je inzoomt op wat erop volgt. Verrassing is niet hetzelfde als schrikken: een onverwachte gebeurtenis triggert wel degelijk een cognitief moment, een korte onderbreking van lopende verwachtingen gevolgd door een check op de relevantie van wat er net gebeurde, en die onderbreking kost meetbare tijd (Meyer, Reisenzein & Schützwohl, 1997). De reflex is blind en snel, de verrassing erna is traag en beoordelend, en wie deze twee door elkaar haalt, verwart een ruggenmergreactie met een gedachte.

Waar het confronterend wordt, is in de spreiding van herstel. De meeste mensen schrikken, herstellen binnen seconden en zakken terug naar hun oude baseline, een proces dat habituatie heet en te saai is om ooit verfilmd te worden. Bij angststoornissen faalt precies dat: de reflex blijft versterkt, ook zonder directe dreiging, als een alarmsysteem dat is blijven hangen op een stand die ooit nuttig was en nu alleen nog uitput (Grillon, 2008). Aan de andere kant van het spectrum staat een minstens zo ongemakkelijke bevinding: bij psychopathische gevangenen bleek de schrikreflex helemaal niet versterkt te worden door onaangename beelden, een patroon dat bij de meeste mensen juist heel voorspelbaar optreedt (Patrick, Bradley & Lang, 1993), verklaard vanuit een falend mechanisme dat normaal agressie afremt zodra signalen van angst of pijn bij een ander verschijnen (Blair, 1995). Dezelfde reflex, twee tegenovergestelde storingen: bij de een slaat het alarm nooit meer uit, bij de ander gaat het nooit meer af.

En dan is er de groep die dit hele systeem vrijwillig opzoekt en er geld voor betaalt. Bezoekers van een extreem spookhuis die zich vooraf moe, verveeld of gestrest voelden, rapporteerden achteraf een merkbaar verbeterde stemming, samen met een gedempte neurale reactie op stress (Kerr, Siegle & Orsini, 2019). De reflex was identiek aan die van de man bij de dichtslaande deur. Het verhaal erna niet. Waar de een zich schaamt voor zijn schrik, noemt de ander het een avond uit, en dat verschil zit niet in het lichaam maar in de kaart die het brein er na afloop overheen legt.

Dat is precies waar dit op uitkomt, en het is minder geruststellend dan het klinkt. Het organisme heeft geen vaste, blijvende positie ten opzichte van zijn omgeving, moet zich bij elke verandering opnieuw oriënteren, en het “zelf” is het resultaat van die heroriëntatie, samengesteld uit welk geheugen er op dat moment toevallig voorhanden is. De schrikreflex van dertig milliseconden is daarvan gewoon de snelste, best gedocumenteerde demonstratie. Het is ook waar het vakgebied de komende jaren waarschijnlijk naartoe beweegt: niet langer de vraag wat het zelf is, maar hoe het bijstelproces faalt, bij depersonalisatie, bij dissociatie, bij chronische paraatheid, wanneer de kaart niet meer wil kloppen met het terrein.

Literatuur

Blair, R. J. R. (1995). A cognitive developmental approach to morality: investigating the psychopath. Cognition, 57(1), 1-29.

Damasio, A. (2010). Self Comes to Mind: Constructing the Conscious Brain. Pantheon Books.

Davis, M. (1992). The role of the amygdala in fear and anxiety. Annual Review of Neuroscience, 15, 353-375.

Dutton, D. G., & Aron, A. P. (1974). Some evidence for heightened sexual attraction under conditions of high anxiety. Journal of Personality and Social Psychology, 30(4), 510-517.

Friston, K. (2010). The free-energy principle: a unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11, 127-138.

Gallagher, S. (2000). Philosophical conceptions of the self: implications for cognitive science. Trends in Cognitive Sciences, 4(1), 14-21.

Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. Ecco.

Gehlen, A. (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Junker und Dünnhaupt.

Grillon, C. (2008). Models and mechanisms of anxiety: evidence from startle studies. Psychopharmacology, 199(3), 421-437.

Kerr, M., Siegle, G. J., & Orsini, J. (2019). Voluntary arousing negative experiences (VANE): Why we like to be scared. Emotion, 19(4), 682-698.

LeDoux, J. (1996). The Emotional Brain: The Mysterious Underpinnings of Emotional Life. Simon & Schuster.

Meyer, W. U., Reisenzein, R., & Schützwohl, A. (1997). Toward a process analysis of emotions: The case of surprise. Motivation and Emotion, 21(3), 251-274.

Patrick, C. J., Bradley, M. M., & Lang, P. J. (1993). Emotion in the criminal psychopath: Startle reflex modulation. Journal of Abnormal Psychology, 102(1), 82-92.

Plessner, H. (2019). Levels of Organic Life and the Human: An Introduction to Philosophical Anthropology (M. Hyatt, Trans.). Fordham University Press. (Oorspronkelijk gepubliceerd 1928)

Schachter, S., & Singer, J. (1962). Cognitive, social, and physiological determinants of emotional state. Psychological Review, 69(5), 379-399.

Seth, A. (2021). Being You: A New Science of Consciousness. Dutton.

Strawson, G. (2004). Against narrativity. Ratio, 17(4), 428-452.

 

Ook interessant voor jou!