De lucky punch – Over toeval, personificatie, en de overwinningsillusie

De lucky punch - Over toeval, personificatie, en de overwinningsillusie

De lucky punch

Beste lezer,

Hierbij een nieuw essay vanuit AfafA Zandvoort. De lucky punch, over toeval, personificatie, en de overwinningsillusie is opgebouwd in zes delen en behandelt een mechanisme dat zich het scherpst openbaart in de boksring maar in werkelijkheid bijna elke maatschappelijke institutie aandrijft die uitkomsten toeschrijft aan personen.

Vertrekpunt is een tafereel dat iedereen kent. De winnaar op de touwen, de bravoure, de extase. De vraag is wat die extase verraadt. Als je werkelijk zo goed was als zij suggereert, was de overwinning geen verrassing geweest, dan was zij een routinematige uitkomst. De uitbundigheid wijst op het tegendeel. De winnaar wist het ook niet zeker. Dat opent een redenering die het hele essay draagt.

Het stuk werkt zich vervolgens een weg door de cognitieve mechanismen die maken dat we niet anders kunnen dan onszelf de oorzaak vinden van wat ons overkomt (Gazzaniga, Libet, Wegner), via een concrete heranalyse van de wedstrijd Aerts versus Hari uit 2008 en een paragraaf over hoe trainers retrospectief het succes van hun vechters claimen, naar het bredere kader van Knight, Taleb, Kahneman en Tetlock over fundamentele onzekerheid en survivorship bias. Het vijfde deel laat zien hoe hetzelfde mechanisme de CEO, de regisseur, de minister, de auteur, de fans, de bookmakers en de media voedt. Het slot beschrijft wat er overblijft voor wie het mechanisme van binnenuit heeft leren zien. Geen vrije wil, wel gekalibreerd meetapparatuur.

Het essay is bewust geschreven in het paratactische register dat ik in mijn boekenreeks gebruik. Direct, mechanistisch, zonder de troostende ornamenten waar succescultuur zelf graag gebruik van maakt. Geen moralisme, geen oplossingen, alleen een poging om te zien wat er feitelijk gebeurt tussen een toevallig succesvol organisme en een maatschappij die van zijn personificatie leeft.

Het stuk is zelfstandig leesbaar voor wie Het Organisme aan de Roulettetafel nog niet kent, en sluit voor wie het wel kent direct aan op de hoofdstukken over toeval, talent, en de interpreter.

Reacties, tegenwerpingen, en aanvullende referenties zijn welkom.

Met vriendelijke groet,

Peter Koopman

De lucky punch

Over toeval, personificatie, en de overwinningsillusie

 

Deel 1. Het tafereel

Bij wedstrijden valt een bekend tafereel waar te nemen. Tijdens een bokswedstrijd plaatst de ene vechter een rake klap, de ander gaat neer, en de winnaar klimt op de touwen om met veel bravoure zijn kwaliteit te etaleren. Hij wijst naar de hemel, slaat op zijn borst, schreeuwt naar het publiek dat hem de hele avond heeft betaald om dit moment te zien. Het publiek schreeuwt terug. De camera zoekt zijn gezicht. De interviewer staat klaar.

In andere sporten zie je hetzelfde. De voetballer scoort, trekt zijn shirt over zijn hoofd, rent over het veld, glijdt naar de cornervlag. Soms imiteert hij een baby in een wieg om aan te kondigen dat zijn vrouw thuis bevallen is. Soms wijst hij naar het scorebord alsof het bord zelf dit moment had voorzien. Bij voetbal is het beeld nog explicieter omdat men met elf man tegelijk speelt en de hele ploeg meedoet met het eerbetoon aan zichzelf. Bij rugby idem. Bij tennis vuist in de lucht. Bij Formule 1 fles champagne over het podium. De vormen verschillen. Het mechanisme is hetzelfde.

Wat is er gebeurd. Twee min of meer gelijkwaardige partijen hebben elkaar bekogeld onder gecontroleerde omstandigheden, en aan het eind is er één over die het beter heeft gedaan dan de andere op dat moment, in die omstandigheden. Niet veel meer. De winnaar suggereert echter veel meer. Hij suggereert dat dit moment de uitkomst was van zijn karakter, zijn voorbereiding, zijn geestkracht, zijn talent, of wat hij verder ook gemonopoliseerd heeft in zijn voorstelling van zichzelf. De ovatie versterkt die suggestie. De media versterken haar verder. En binnen een uur is de mythe rond.

Het probleem zit in een woord. Wedstrijd. Het concept wedstrijd vooronderstelt gelijkwaardigheid. Daarom heet het zo. Twee partijen die voldoende op elkaar lijken om de uitkomst onzeker te maken. Op die onzekerheid werd traditioneel gewed, en dat woord zit nog in de naam. Wie tegen een tegenstander uitkomt die ver onder zijn niveau staat, doet niet aan wedstrijd. Hij doet aan demonstratie. Wedstrijd betekent dat de uitslag niet vaststaat.

Daar zit de paradox die de rest van dit essay zal openleggen. Als je werkelijk zo goed was als de extase suggereert, was de overwinning geen verrassing geweest. Dan was zij een logische consequentie van je kwaliteit, een routinematige uitkomst, iets om met een schouderophalen af te doen. De bravoure verraadt het tegendeel. De winnaar wist het ook niet zeker. Hij heeft drie ronden, of negentig minuten, of vier sets gestaan tegenover iemand die hem net zo goed had kunnen verslaan. De extase is geen viering van zekerheid. Zij is een opluchting die zich vermomt als triomf.

Trainen verandert die structuur niet. Trainen kan de onzekerheid verkleinen, niet wegnemen. Wegnemen kan niet. Twee getrainde organismen, een ring, een tijdslimiet, een tegenstander die ook getraind is en ook iets wil. De variabelen blijven groter dan het kwaliteitsverschil ze kan beheersen. Daarom bestaat het instituut van de wedstrijd. Als de uitslag voorspelbaar was, was er niets te zien.

Hieronder ligt iets dat onmiddellijk politiek wordt zodra je het hardop zegt. Wedstrijden worden in laatste instantie beslist door factoren die buiten de controle van beide partijen liggen. Niet helemaal, want kwaliteit doet ertoe en verkleint de kans op verliezen. Maar wel grotendeels. En de winnaar gelooft het tegenovergestelde, gesteund door een hele cultuur die daar haar bestaansrecht aan ontleent. Hoe dat werkt, vraagt om een uitleg die in dit essay stap voor stap wordt opgebouwd.

Deel 2. Waarom er een reden moet zijn

Het organisme dat hier wordt beschreven, dat is u, is geen ontvanger van gebeurtenissen. Het is een verklaringsmachine. Wat gebeurt, wordt onmiddellijk voorzien van oorzaak en betekenis, vaak voordat de gebeurtenis zelf is afgelopen. Dat is geen filosofische extra. Het is een biologische functie. Een organisme dat niet snel oorzaken toeschrijft, reageert te laat op de volgende dreiging. Evolutie heeft de twijfelaar uitgeselecteerd. Wat overblijft, is een wezen dat overal patronen ziet, ook in ruis, en achteraf altijd een reden vindt waarom iets ging zoals het ging.

Michael Gazzaniga heeft dat mechanisme zichtbaar gemaakt in de jaren zeventig met zijn split-brain studies. Bij patiënten van wie de verbinding tussen linker en rechter hersenhelft chirurgisch was doorgesneden om epilepsie te behandelen, ontstond een merkwaardig fenomeen. De rechter hersenhelft kreeg een instructie toegespeeld via het linker gezichtsveld. Het lichaam voerde de instructie uit. Vervolgens werd de patiënt gevraagd waarom hij dat had gedaan. De linker hersenhelft, waar de taal zit, had de instructie niet gezien. Maar zij weigerde te zeggen “ik weet het niet”. Zij verzon een reden. Een coherente, plausibele, voor de patiënt overtuigende reden, die met de werkelijke oorzaak niets te maken had. Gazzaniga noemde de module die dit doet de interpreter. Een verzinmachine die continu draait, niet om de waarheid te vinden, maar om coherentie te produceren.

Die interpreter zit ook in uw hoofd. Hij draait nu, terwijl u dit leest. Wat u hierboven dacht over wat u zonet las, was niet de output van een neutrale waarnemer. Het was een verhaal dat uw interpreter heeft gemaakt over wat zojuist gebeurde. Soms klopt het, soms niet. De interpreter merkt het verschil niet.

Benjamin Libet liet in de jaren tachtig met EEG-metingen zien dat een eenvoudige handeling, zoals het bewegen van een vinger, in het brein meetbaar begint voordat de proefpersoon zich bewust is van het besluit. Het besluit verschijnt achteraf. De bewuste intentie is geen oorzaak van de handeling. Zij is een verslaggever die te laat arriveert en aankondigt dat hij het allemaal heeft besloten. Latere replicaties hebben het tijdvenster bijgesteld, maar het basisresultaat staat. Bewustzijn is geen bestuurder. Het is commentaar.

Daniel Wegner heeft in 2002 de hele bibliotheek bij elkaar gebracht in The Illusion of Conscious Will. Zijn conclusie is even ongemakkelijk als degelijk onderbouwd. De ervaring “ik heb dit besloten” is een gevoel dat het brein produceert nadat de handeling al onderweg is. Het gevoel correleert niet betrouwbaar met wat de handeling werkelijk heeft veroorzaakt. Soms voelen we ons de auteur van handelingen die we niet hebben veroorzaakt. Soms voelen we ons toeschouwer van handelingen die we juist wel hebben veroorzaakt. De ervaring is een interface, geen meetinstrument.

Voeg deze drie inzichten samen en u krijgt het volgende. Het brein handelt voor het denkt. Het brein produceert achteraf een verklaring. De verklaring voelt vanbinnen aan als waarheid. En de verklaring sluit altijd aan op het zelfbeeld dat het organisme van zichzelf onderhoudt. Dat zelfbeeld is voor het organisme bruikbaarder dan accuratesse. Een wezen dat zichzelf voortdurend zou betrappen op toevallige handelingen en onzuivere motieven, zou functioneel verlamd raken. Zelfbedrog is een product van de evolutie, geen tekortkoming.

Keer nu terug naar de winnaar op de touwen. Wat doet hij. Hij is een organisme waarvan het lichaam zojuist iets heeft gedaan, in dit geval een klap, die toevallig op het juiste moment op de juiste plek landde. De interpreter in zijn hoofd is meteen aan het werk gegaan. De klap was geen toeval. De klap was de uitkomst van zijn training, zijn focus, zijn ringintelligentie. De extase is een lichamelijke uitdrukking van die verklaring. Hij gelooft in zijn eigen verhaal omdat zijn brein zo geconstrueerd is dat het geen alternatief verhaal kan vasthouden. Toeschrijven is goedkoper dan toegeven. En het is niet alleen goedkoper, het is biologisch noodzakelijk. Een organisme dat permanent zou erkennen dat zijn successen toevallig waren, zou niet meer trainen. Niet meer vechten. Niet meer voortplanten. Het zou stilvallen.

Dat is de eerste pijler van het mechanisme dat dit essay onderzoekt. Er moet een reden zijn omdat het organisme niet zonder kan. Maar de reden is verzonnen, samengesteld uit beschikbare bouwstenen, en wordt achteraf gepresenteerd alsof zij vooraf bestond.

Deel 3. Dom geluk in de ring

Op 6 december 2008 stond Peter Aerts in Yokohama tegenover Badr Hari in de kwartfinale van de K-1 World Grand Prix. Aerts was 38 jaar, drievoudig wereldkampioen, de Dutch Lumberjack, een levende legende met meer dan honderd professionele overwinningen op zijn naam. Hari was 24, in opkomst, het nieuwe gezicht van de zwaargewichtdivisie. De pers had de wedstrijd gemarkeerd als “passing the torch”. De oude leeuw tegenover de jonge prins.

Wat er gebeurde, voltrok zich in minder dan twintig seconden van de eerste ronde. Hari ging recht op Aerts af, wild, agressief, zonder respect voor de etiquette die ervaren kickboksers gewoonlijk in acht nemen in de openingsfase. Aerts, die in zijn voorbereiding al maanden last had gehad van blessures, jetlag, gewichtsproblemen en de gebruikelijke wedstrijddruk die hem niet meer goed liet slapen, reageerde een fractie te langzaam. Hij was er niet, of liever, zijn organisme was er niet zoals het had moeten zijn. Hari plaatste de eerste serieuze klap. Aerts ging neer. In de tweede ronde stopte de scheidsrechter de wedstrijd. TKO.

De reacties achteraf waren voorspelbaar. Aerts werd te oud verklaard. Voorbij zijn beste tijd. Hari werd uitgeroepen tot de erfgenaam van de troon. Analyses verschenen die de technische superioriteit van Hari aantoonden. Aerts had te lang stilgestaan in zijn ontwikkeling, te weinig geïnvesteerd in conditie, te veel vertrouwd op zijn ervaring. Hari was sneller, agressiever, hongeriger, mentaal sterker. Een coherent verhaal lag binnen 24 uur op tafel.

Eén figuur verdient hier een paragraaf op zich. Thom Harinck, geboren in 1943, oprichter van de Chakuriki Gym in Amsterdam in 1972, een van de invloedrijkste trainers in de Nederlandse vechtsportgeschiedenis. Harinck publiceerde in 2016 zijn memoires onder de titel Godfather of Muay Thai Kickboxing in the West, met een uitgebreide editie in 2020, en laat zich graag aanspreken als Kancho. In de promotie van het boek wordt hij gepositioneerd als “tactisch meesterbrein achter drie opeenvolgende K-1 kampioenschappen”. Dat is een claim die het mechanisme van dit essay illustreert.

Hier de geleefde correctie. Peter Aerts kwam in 1997 bij mij trainen, nadat zijn samenwerking met Harinck was geëindigd. In 1998 won Aerts onder mijn begeleiding de K-1 Grand Prix op een manier die zelfs in een sport vol toeval als uitzonderlijk gold: drie eerste-ronde knock-outs op één avond. Drie tegenstanders, drie eerste ronden, driemaal de mat. Omdat de sparringscapaciteit in mijn gym beperkt was voor zijn niveau, heb ik hem doorverwezen naar Andre Mannaart voor sparringspartners, met de afspraak dat de trainingsregie bij mij bleef. Die afspraak hield geen stand. Toen de afstemming structureel scheef ging zitten, heb ik mij teruggetrokken. Aerts ging vervolgens bij Mannaart trainen.

In Harinck’s memoires verschijnt deze periode in een ander licht. De doorbraakjaren van Aerts worden retrospectief verbonden aan de Chakuriki-traditie, aan Harinck’s invloed, aan de Chakuriki-stijl als oorzakelijke factor. De feitelijke trainingsgeschiedenis, de tussenfases, de wisseling van coaches, de redenen voor die wisselingen, verdwijnen of worden ingekort tot anekdotes die de hoofdlijn niet verstoren.

Dit is geen persoonlijke aanval. Het is de illustratie van een mechanisme. De interpreter bedenkt achteraf een coherent verhaal waarin de coach centraal staat in het succes, en perifeer in het falen of de breuk. Talent wordt als oorzaak aangewezen, en de coach is de ontdekker van het talent. Wanneer het talent niet aflevert, of bij een andere trainer wordt afgeleverd, verschuift de oorzaak naar buiten de coach. Survivorship bias op trainersniveau. De vechters die hij heeft gezien en niet heeft uitverkoren, de vechters die onder hem hebben getraind zonder doorbraak, de vechters die hij eerst feliciteerde en daarna lieten gaan, hun namen staan niet centraal in de memoires. Hun verhalen passen niet in het frame.

De bredere context maakt het beeld nog uitgesprokener. Harinck is gehuwd met Marjan Olfers, hoogleraar sport en recht, die actief onderzoek doet naar doping en matchfixing in de vechtsportwereld. In een Vrij Nederland-interview uit 2015 staat de openingszin: “Sport biedt de onderwereld aanzien in de bovenwereld.” Twee van Harinck’s beroemdste vechters, Badr Hari en Hesdy Gerges, zijn niet door dopingtests gekomen. Remy Bonjasky heeft publiekelijk verklaard dat tachtig tot negentig procent van de K-1 vechters verboden middelen gebruikte. Dat is geen aantijging tegen Harinck individueel. Het is de wereld waarin hij decennialang opereerde, en die wereld komt in zijn eigen memoires nauwelijks ter sprake.

Harinck is in dit opzicht niet uitzonderlijk. Hij is exemplarisch. Elke vechtsportwereld kent zijn Harincks, en elke andere wereld kent ze ook. De ontdekker van talent, de mentor van kampioenen, de architect achter succes. Dat zij in werkelijkheid voor het grootste deel hun reputatie ontlenen aan winnaars die ook bij andere trainers wel iets hadden bereikt, en aan een retrospectieve narrative die de toevalligheid van de selectie en de gebrokenheid van de samenwerkingen wegpoetst, blijft buiten beeld. De coach die zijn vechters omhoogtilt door hen te claimen, doet exact wat de vechter zelf doet op de touwen. Hij personifieert een toevallige uitkomst en gelooft er zelf in.

Wanneer een coach werkelijk zou doorzien wat hier gebeurt, zou hij minder spreken, minder beloften doen, minder methodes verkopen, en zich beperken tot het organiseren van de omstandigheden waarin het organisme van de vechter zijn ruis kan reduceren. Dat houdt soms in dat hij de vechter doorstuurt naar iemand anders voor wat hij zelf niet kan leveren, en dat hij zich terugtrekt zodra de afspraken niet meer kloppen. Dat is wat goede coaches in stilte doen, en wat zelden in autobiografieën verschijnt. Stilte verkoopt geen boeken. Personificatie wel.

Terug naar Aerts en Hari op 6 december 2008. Bekijk de wedstrijd opnieuw en je ziet iets anders. Je ziet een 38-jarige vechter die op een normale dag, met een normale voorbereiding, deze wilde inkomende jonge tegenstander zou hebben afgestraft met dezelfde technische repertoire waarmee hij al twintig jaar mannen sloopte. Je ziet een 24-jarige vechter die door pure aanvalsdrift en op het juiste moment binnenkwam, zonder dat hij wist dat het op dat moment ging werken. Hari had ook zelf neer kunnen gaan. Hij had ook tegen Aerts’ hoge trap aan kunnen lopen, die hem in een eerdere periode binnen tien seconden had uitgeschakeld. Dat is niet gebeurd. De klap viel. Aerts ging neer. Het verhaal vormde zich.

Wat ik in mijn eigen gym in vijftig jaar heb gezien, en wat iedereen ziet die lang genoeg op de mat staat, is dat dit type uitkomst eerder regel is dan uitzondering. De klap die viel omdat de hoek klopte, omdat de afstand klopte, omdat de tegenstander net even niet keek, omdat de spier net iets sneller vuurde dan de andere kant kon pareren, omdat het ringoppervlak iets gladder was bij die paal dan bij die andere, omdat de scheidsrechter een fractie van een seconde later besloot in te grijpen dan een andere scheidsrechter zou hebben gedaan. Een klein verschil op een groot moment. Het kleine verschil heet talent als de winnaar erover spreekt. Het heet pech als de verliezer erover spreekt.

Het verraderlijke van het verhaal van de winnaar is de retrospectieve logica. Hij won, dus hij was beter. Hij was beter, dus hij won. De cirkel sluit zichzelf zo strak dat alternatieve verklaringen letterlijk geen plek hebben om de redenering binnen te dringen. Maar bedenk wat de winnaar in werkelijkheid claimt. Hij claimt dat hij op het moment van de klap bewuste controle had over zijn eigen vaardigheden, over de reacties van zijn tegenstander, en over de fysieke omstandigheden in de ring. Niemand kan dat. Onder geen omstandigheden. Het tijdvenster waarin een knock-outklap valt, is korter dan het tijdvenster waarin bewustzijn überhaupt kan ingrijpen. Libet wees daar al op. De klap is uitgevoerd voordat het bewustzijn registreert dat de klap aan het vallen is. De winnaar heeft dus geen bewuste klap gegeven. Hij heeft een lichamelijk geconditioneerd patroon laten verschijnen op een moment waarop de omstandigheden samenvielen.

Hier zit een test die in elke gym werkt. Als de vechter werkelijk zo goed was als zijn extase suggereert, waarom viel de klap dan pas in ronde drie. Of in ronde één maar pas na vijftien seconden. Of überhaupt op dat moment en niet eerder. Drie ronden wachten op je eigen kwaliteit is geen kwaliteit. Het is afwachten tot het toeval meewerkt. De vechter die zegt dat hij wist dat de knock-out zou komen, liegt of vergist zich. Meestal vergist hij zich, want zijn interpreter heeft het al goedgepraat voordat hij in de microfoon kan spreken.

Aerts ging na de nederlaag tegen Hari weer trainen, keerde terug, versloeg Errol Zimmerman, knockte Yosuke Nishijima uit, vocht jaren door, won opnieuw wedstrijden, verloor er andere. Hari, intussen voorbestemd tot kampioen, werd in de finale van dezelfde Grand Prix waarin hij Aerts had verslagen, gediskwalificeerd in een wedstrijd die hij domineerde. Hij heeft nooit een K-1 World Grand Prix-titel gewonnen. De pers noemt hem de greatest runner-up in history. De voorbestemde winnaar werd nooit kampioen. De afgeschreven veteraan bokste nog jaren door.

Dat is geen ironie. Dat is hoe het werkt. Voorbestemming bestaat niet. Talent bestaat als kortetermijnverklaring voor wie nu overblijft, niet als causale eigenschap van het organisme. Wedstrijduitkomsten zijn de neerslag van een tijdelijke samenloop van fysieke, mentale, omgevings- en toevalsfactoren. Wie traint, verkleint zijn kwetsbaarheid voor negatieve toevallen. Hij garandeert geen positieve uitkomst. Niemand kan dat. Ook Aerts niet. Ook Hari niet. Ook u niet, in welke wedstrijd u dan ook denkt te leveren.

Deel 4. Knight, Taleb, en de fundamentele onzekerheid

In 1921 publiceerde de Amerikaanse econoom Frank Knight een boek met de titel Risk, Uncertainty and Profit. Het maakte een onderscheid dat zo simpel was dat het bijna niemand opviel, en zo ingrijpend dat een eeuw later de meeste sportcoaches, bedrijfsstrategen en ministers het nog steeds niet hebben begrepen.

Risico, zegt Knight, is onzekerheid die je kunt kwantificeren. Een dobbelsteen heeft zes kanten. De kans op zes is één op zes. Een verzekeringsmaatschappij weet hoeveel mensen statistisch overlijden tussen hun veertigste en vijftigste levensjaar en kan haar premies daarop afstemmen. Een casino weet wat de huiswinst is op een roulettewiel. Dat is risico. Het laat zich beheersen door middeling over grote aantallen.

Fundamentele onzekerheid is iets anders. Dat is onzekerheid die je niet kunt kwantificeren, omdat je niet weet welke variabelen ertoe doen, hoe vaak ze voorkomen, of welke combinatie ze aangaan. Een wedstrijd valt onder fundamentele onzekerheid. Een verkiezing valt onder fundamentele onzekerheid. De volgende oorlog, de volgende pandemie, het succes van een nieuwe technologie, de carrière van een opkomende auteur, het rendement van een investering in een markt die zichzelf voortdurend herdefinieert. Dit zijn geen risico’s. Dit zijn fundamentele onzekerheden. Je kunt er geen kansberekening op loslaten omdat de uitkomstenruimte zelf niet vaststaat.

De meeste sportvoorbereiding behandelt toeval als risico. Dat is de fundamentele vergissing. Coaches berekenen statistieken, analyseren videobeelden, identificeren patronen in het gedrag van de tegenstander, en bouwen daarop een plan dat zogenaamd de waarschijnlijkheid van winst maximaliseert. Tot op zekere hoogte werkt dat. Een goed voorbereide vechter is moeilijker te verslaan dan een slecht voorbereide. Een goed scoutingsrapport voorkomt onnodige verrassingen. Maar de aanname dat goede voorbereiding leidt tot voorspelbare uitkomsten, is een categoriefout. De voorbereiding verkleint negatieve afwijkingen. Zij brengt niet de positieve uitkomst voort. Die laatste is en blijft een functie van fundamentele onzekerheid.

Nassim Nicholas Taleb heeft Knight’s onderscheid in 2001 opnieuw onder de aandacht gebracht in Fooled by Randomness, een boek dat vooral over de financiële wereld ging maar dat over alle competitieve domeinen geldt. Taleb’s centrale observatie is dat winnaars in toevalsgevoelige omgevingen achteraf altijd een verhaal vertellen waarin hun kwaliteit doorslaggevend was. Verliezers, in dezelfde omgeving, vertellen een verhaal waarin pech, oneerlijkheid of slechte timing doorslaggevend was. Beide verhalen zijn even goed onderbouwd. Beide zijn even retrospectief. Geen van beide heeft enige voorspellende waarde voor de volgende ronde.

Wat Taleb laat zien, is dat we systematisch survivorship bias toepassen. We kijken naar wie er overbleef, en we leiden uit hun aanwezigheid hun kwaliteit af. Maar de vier of vijf andere kandidaten met identieke kwaliteiten, die door pech onderweg zijn afgevallen, zien we niet. Zij hebben hun boek niet geschreven, hun bedrijf niet opgericht, hun overwinning niet binnengehaald. Zij zijn statistisch verdwenen. Wat we zien, is de hoek van de verdeling die toevallig boven het zichtbaarheidsniveau is uitgekomen. We noemen die hoek “talent”. Het is geen talent. Het zijn overgebleven exemplaren.

Daniel Kahneman heeft in Thinking, Fast and Slow (2011) hetzelfde mechanisme blootgelegd voor het bedrijfsleven. Studies van honderden CEO’s en hun bedrijfsresultaten laten zien dat de correlatie tussen “leiderschapskwaliteit” zoals beoordeeld door analisten en daadwerkelijk bedrijfsresultaat slechts marginaal boven nul ligt. Statistisch significant, maar zwak. Niettemin lezen we elk jaar opnieuw managementboeken waarin de visionaire CEO als oorzaak wordt aangewezen van het succes van zijn bedrijf, en wordt zijn methode aangeprezen als model voor anderen. Volg die methode, en u krijgt vergelijkbare resultaten. Werkt niet. Werkt nooit. De bestseller-managementliteratuur is een industrie die overleeft op een systematische verwarring tussen risico en fundamentele onzekerheid, geïnvesteerd door een lezerspubliek dat de illusie van controle koestert.

Philip Tetlock heeft in 2005 in Expert Political Judgment de meest gevreesde studie op tafel gelegd. Hij volgde meer dan tweehonderd experts gedurende twee decennia, en mat hun voorspellingen over politieke en economische gebeurtenissen tegen wat er daadwerkelijk gebeurde. Het resultaat was vernederend. De gemiddelde expert presteerde nauwelijks beter dan een dartwerpende chimpansee. Specialisten met diepe kennis presteerden slechter dan generalisten met brede kennis, omdat zij sterker geloofden in hun eigen modellen en daardoor minder ruimte hadden voor het toeval dat het werkelijke verloop bepaalt. De experts die het beste presteerden, waren degenen die het meest onzeker waren over hun eigen voorspellingen. De experts die het meest gehoord werden in de media, waren degenen die het meest zelfverzekerd waren. Geen toeval, want zelfverzekerdheid verkoopt en onzekerheid doet dat niet.

Wat Knight, Taleb, Kahneman en Tetlock gezamenlijk op tafel leggen, is dit. In domeinen met fundamentele onzekerheid wordt de uitkomst grotendeels bepaald door factoren buiten de controle van de actoren. De actoren zelf bepalen de marge. De omgeving bepaalt de uitkomst. Maar de actoren krijgen de eer, en hun handelingsmethode wordt verheven tot principe, dat anderen vervolgens kopiëren, met voorspelbaar teleurstellende resultaten.

Daarmee zijn we terug bij de winnaar op de touwen, maar nu met een breder kader. Het is niet alleen een individueel zelfbedrog. Het is een collectief zelfbedrog dat instituties en industrieën voedt. En het wezen dat zichzelf de oorzaak vindt van zijn toevallige successen, is niet alleen. Hij wordt actief versterkt door alles om hem heen.

Deel 5. De maatschappij draait op personificatie

Stap uit de ring en kijk om je heen. Het mechanisme dat zojuist is blootgelegd, beperkt zich niet tot sport. Het is de motor van bijna elke maatschappelijke institutie die uitkomsten toeschrijft aan personen.

Neem de CEO. Een bedrijf draait drie goede kwartalen onder een nieuwe directeur, en de directeur verschijnt op de cover van zakenbladen, wordt geïnterviewd over zijn visie, uitgenodigd op congressen om zijn methodiek te delen. Zijn boek verschijnt binnen achttien maanden. De gunstige conjunctuur waarin hij toevallig regeerde, het lopende productprogramma dat zijn voorganger had geïnitieerd, de wegvallende concurrent die uit eigen domheid in een schandaal verzeild raakte, de centrale bank die op cruciale momenten de rente verlaagde, dat alles verdwijnt achter zijn gezicht. Hij heeft het gedaan. Vier jaar later draait het bedrijf slechter. Dezelfde CEO blijkt nu visieloos, traag, te oud, niet bij de tijd. Zijn opvolger zal kort daarna op dezelfde cover staan, na drie goede kwartalen die hij niet heeft veroorzaakt.

Neem de regisseur die de hit maakt. Eén film raakt de smaak van het moment, vangt de tijdgeest, of bevat toevallig een acteur die net populair is geworden om redenen die met de film weinig te maken hebben. De regisseur ontvangt een Oscar. Zijn volgende drie films floppen omdat de tijdgeest is verschoven en hij dezelfde formule probeert te herhalen. Hollywood is een bibliotheek van eenmalige genieën die later niet meer reproduceerbaar bleken. Hetzelfde geldt voor uitgevers die de bestseller herkennen, voor a&r-managers die de hit horen, voor agenten die de toptalenten ontdekken. Survivorship bias in zuivere vorm. De ontdekkers van honderd kandidaten zonder doorbraak hebben hun verhaal niet geschreven.

Neem de minister. Een politicus regeert in een rustige periode zonder economische crisis, zonder oorlog, zonder pandemie, met een coalitie die toevallig stabiel blijft, en wordt herinnerd als bekwaam. Een andere politicus regeert in een crisistijd, maakt objectief gezien betere keuzes, maar wordt afgestraft door de omstandigheden waarin hij niet om gevraagd heeft. De geschiedenisboeken schrijven over de eerste als staatsman en over de tweede als mislukkeling. Wie de werkelijke vaardigheden onder de twee zou meten, vindt vermoedelijk weinig verschil. Wie de omstandigheden meet, vindt alles.

Hier verdient de politieke variant een paragraaf op zich, want er zit een systematische asymmetrie in. Links en rechts blinken beide uit in opportunisme en het bedenken van onzin, maar met name links heeft de gewoonte ontwikkeld om de rekening van haar mislukkingen door te schuiven naar volgende generaties of naar groepen die zich niet kunnen verdedigen. Migratiebeleid dat uitloopt, sociale stelsels die onbetaalbaar worden, schuldenbergen die naar de toekomst worden geschoven, klimaatdoelen die luidkeels worden verkondigd zonder enige realistische uitvoeringskracht. Wanneer de gevolgen zichtbaar worden, is degene die het beleid voerde al lang weg, geprezen voor zijn moed, zijn visie, zijn morele kracht. De rekening komt bij anderen. Rechts doet het soms ook, met andere onderwerpen, maar de linkse variant is verfijnder omdat zij gepaard gaat met een moreel vocabulaire dat tegenspraak op voorhand als onethisch wegzet. Wie wijst op de feitelijke kosten, is harteloos. Wie de gevolgen voorspelt, is reactionair. De personificatie van de “morele leider” beschermt het beleid tegen evaluatie. Dat is geen complotdenken. Dat is hoe het mechanisme van toeschrijving in combinatie met morele framing werkt. Een statussignaal dat zichzelf immuniseert tegen feiten.

Neem de auteur. De bestsellerlijst hangt af van een tijdsmoment waarop een bepaalde toon, een bepaald thema, een bepaalde stem aansluit bij wat genoeg lezers tegelijkertijd nodig hebben. Wie dat moment treft, wordt vertaald in dertig talen. Wie het mist met een kwalitatief gelijkwaardig of zelfs beter boek, verkoopt drieduizend exemplaren bij een kleine uitgever. De auteur die de hit had, schrijft daarna een ander boek dat tegenvalt en wordt eenmalig succesvol genoemd. De auteur die de hit miste, blijft schrijven, soms decennialang, en wordt postuum herontdekt als hij geluk heeft. Of vergeten als hij dat niet heeft.

Neem de fans, en hier komt het systeem werkelijk in beeld. Fans zijn organismen die een uitkomst nodig hebben om zich aan vast te klampen, en personificatie levert die uitkomst. Ze identificeren zich niet met een toevalsproces, ze identificeren zich met een persoon. De held. Het idool. De ster. Die persoon is de drager van het verhaal dat ze nodig hebben om hun eigen leven van betekenis te voorzien, want hun eigen leven is in toevalsgevoelige domeinen even toevallig als de uitkomsten waar ze naar kijken. Het verschil is dat de fan zich kan vereenzelvigen met de winnaar zonder de risico’s van het zelf vechten te hoeven dragen. Hij krijgt de identificatie gratis. De winnaar krijgt de cheque.

Dan zijn er de bookmakers. Het bedrijfsmodel van de gokindustrie hangt volledig op de personificatie van uitkomsten. Mensen wedden niet op statistische kansen. Ze wedden op verhalen. De underdog die zal stunten. De kampioen die zijn klasse zal tonen. Het jonge talent dat zijn doorbraak zal beleven. Bookmakers verdienen geld op het verschil tussen de objectieve kansen en de subjectieve waarschijnlijkheden die hun klanten in personen projecteren. De winnaar op de touwen levert het narratief dat de volgende ronde gokkers de markt instuurt. Zonder personificatie zou de hele industrie binnen een maand omvallen.

Tot slot de media. Journalisten kunnen geen verhaal vertellen zonder hoofdpersoon. Een toevalsproces is geen verhaal, het is een statistiek, en statistieken verkopen geen kranten. Een persoon die iets heeft bereikt, of iets heeft verloren, of iets heeft besloten, of iets heeft gezegd, is een verhaal. De journalist zoekt de persoon, vindt hem, geeft hem citaten, framet hem, plaatst hem in een narratieve boog. De lezer leest het verhaal en concludeert dat het iets over de wereld zegt. In werkelijkheid zegt het iets over de behoefte van de lezer aan verhalen waarin personen oorzakelijk verband leveren tussen gebeurtenissen die in werkelijkheid grotendeels los van elkaar staan.

Het systeem is in elkaar geklikt. Het organisme produceert verklaringen omdat het niet anders kan. De maatschappij organiseert zich rond die verklaringen omdat het zonder die organisatie geen samenhang heeft. Bookmakers, media, marketeers, biografen, politici, business consultants, succesgoeroes en sportcommentatoren, ze leven allemaal van hetzelfde mechanisme. De winnaar gelooft erin omdat zijn brein zo werkt. De rest gelooft erin omdat het hen iets oplevert. Geld, betekenis, identificatie, de illusie van controle in een wereld waarin controle een fictie is.

Daar zit de werkelijke schaal van het probleem. De personificatie is geen incidentele fout. Zij is een infrastructuur.

Deel 6. De gekalibreerde vechter

Wat blijft over voor wie dit alles ziet. Niet veel, op het eerste gezicht. De winnaar gaat door met geloven in zichzelf. De verliezer gaat door met zijn excuses. De maatschappij gaat door met haar helden en haar schurken. U als lezer sluit dit essay, schiet onmiddellijk in een herhaling van uw gebruikelijke verklaringspatronen, en bent tegen vanavond vergeten wat hier stond. Dat is voorspelbaar. Dat is ook het organisme dat werkt zoals het is geconstrueerd.

Toch is er iets dat aan dit verhaal ontsnapt. Niet voor wie zich erin verdiept, want verdieping verandert het mechanisme niet. Wel voor wie er lang genoeg in heeft gestaan om het van binnenuit te zien werken. Daar levert de gym iets bijzonders aan wie blijft.

Wie tien jaar of langer in een gym vecht, ziet zijn eigen toevallige overwinningen voorbijkomen. Wedstrijden die hij won waarvan hij weet dat hij ze ook had kunnen verliezen. Klappen die landden omdat de tegenstander zijn dekking liet zakken, niet omdat de getrainde combinatie zo perfect was. Knock-outs die vielen omdat het juiste moment toevallig samenviel met de juiste afstand. En hij ziet zijn eigen toevallige nederlagen. Wedstrijden die hij verloor omdat hij die nacht slecht had geslapen, omdat zijn partner die ochtend ruzie had gemaakt, omdat hij een kleine blessure had verzwegen, omdat de scheidsrechter een fout maakte, omdat het toeval een keer de andere kant op viel.

Wat dan langzaam ontstaat, is geen relativering in de zin van een gemoedstoestand. Het is een kalibratie. Het organisme leert zien wanneer een uitkomst hem toeviel en wanneer hij haar verdiende. Dat klinkt eenvoudig maar het is zeldzaam. De meeste vechters blijven in het ene of het andere kamp. Ze schrijven alles aan zichzelf toe, of ze schrijven alles aan de omstandigheden toe. Beide reflexen zijn goedkoper dan eerlijke kalibratie. Eerlijke kalibratie kost cognitieve energie, omdat ze de interpreter dwingt om verschillende verhalen te vergelijken in plaats van het eerste beste te accepteren.

Wie het wel doet, krijgt iets ervoor terug. Niet zekerheid. Geen vrije wil. Geen controle over de uitkomst. Wel een nauwkeuriger model van wat hij wel en niet kan beïnvloeden. Hij weet dat trainen zijn kwetsbaarheid verkleint, niet dat het hem onverslaanbaar maakt. Hij weet dat zijn nederlaag soms zegt dat hij niet goed genoeg was, en soms dat hij pech had. Hij verwart die twee niet meer. Daarmee wordt hij niet beter in de ring, of liever, hij wordt soms beter en soms niet, maar hij wordt wel beter in het lezen van wat er werkelijk gebeurt. En dat lezen heeft consequenties die buiten de ring reiken.

De gekalibreerde vechter wordt minder makkelijk verleid door succescultuur. Hij koopt geen managementboeken meer waarin de geslaagde CEO zijn methode aanprijst. Hij kijkt naar verkiezingsuitslagen en ziet welke factoren buiten de controle van de winnaar lagen. Hij leest een biografie van een beroemde auteur en ziet de honderd vergelijkbare auteurs die het niet hebben gehaald. Hij wordt geen cynicus, want cynisme is een andere reflex, even goedkoop als de geloofsreflex. Hij wordt iemand die ziet wat er is en niet automatisch een verhaal eroverheen legt. De interpreter draait nog steeds, dat valt niet uit te zetten, maar de gekalibreerde vechter herkent zijn eigen interpreter aan het werk en weet wanneer hij hem moet wantrouwen.

Dat is geen verlossing. Het is een betere instelling van de meetapparatuur. De wereld blijft toevalsgevoelig. De maatschappij blijft op personificatie draaien. De winnaars blijven op de touwen klimmen. Maar wie zijn eigen klimpogingen heeft meegemaakt en daar eerlijk over heeft gerapporteerd aan zichzelf, klimt er na verloop van tijd zelf niet meer op. Niet omdat hij verlicht is. Omdat hij weet wat de extase verraadt, en dat geheim is geen prettig geheim om openlijk te etaleren.

Aerts, na de nederlaag tegen Hari weer aan het trainen, ging gewoon door. Hij won, hij verloor, hij bleef vechten tot ver in zijn veertiger jaren. Hij heeft nooit publiekelijk gezegd dat de Hari-wedstrijd op een betere dag anders zou zijn afgelopen. Dat hoeft ook niet. Wie zijn carrière kent, ziet het zelf. Hari, intussen, bleef belovend. Hij won meer wedstrijden dan hij verloor, knock-outs van legendarische schoonheid, en hij verloor op cruciale momenten door diskwalificaties, blessures, gevangenisstraffen voor mishandeling buiten de ring. Voorbestemd tot kampioen, nooit kampioen geworden. De personificatie van toeval ten voeten uit, zou je kunnen zeggen. Maar dat is ook weer een verhaal. De werkelijkheid is dat twee toevalsgenererende organismen tegenover elkaar stonden in een toevalsgenererend systeem, en de uitkomsten zijn geweest wat ze zijn geweest.

Het toeval lacht. Het lacht naar de winnaars en het lacht naar de verliezers. Het lacht naar de coaches die methodes aanprijzen en naar de fans die verhalen kopen. Het lacht naar de CEO’s, de ministers, de regisseurs, de auteurs. Het lacht naar de bookmakers die van zijn lach hun bedrijfsmodel maken. Het lacht naar iedereen die zichzelf de oorzaak vindt van wat hem overkomt.

Wie het toeval ziet lachen, lacht een seconde later mee. Niet uit cynisme. Uit herkenning. Dat is alles wat aan dit verhaal ontsnapt. Maar het is meer dan niets.

Literatuur

Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. New York: Ecco.

Harinck, T. & Punch, J. (2020). Thom Harinck: Godfather of Muay Thai Kickboxing in the West (geactualiseerde editie). Amsterdam: Amsterdam Publishers.

Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. New York: Farrar, Straus and Giroux.

Knight, F. H. (1921). Risk, Uncertainty and Profit. Boston: Houghton Mifflin.

Libet, B. (1985). Unconscious cerebral initiative and the role of conscious will in voluntary action. Behavioral and Brain Sciences, 8(4), 529–566.

Olfers, M. & Harinck, T. (2015, augustus). Marjan Olfers en Thom Harinck over sport en misdaad. Vrij Nederland.

Taleb, N. N. (2001). Fooled by Randomness: The Hidden Role of Chance in Life and in the Markets. New York: Random House.

Tetlock, P. E. (2005). Expert Political Judgment: How Good Is It? How Can We Know? Princeton: Princeton University Press.

Wegner, D. M. (2002). The Illusion of Conscious Will. Cambridge, MA: MIT Press.

Ook interessant voor jou!