Wendbaarheid: het verschil tussen snel zijn en op tijd zijn

Hoe de snelste speler de wedstrijd verliest, en waarom uw club nog steeds met ladders traint

Beste lezer,

Iedereen die ooit naar een voetbalwedstrijd heeft gekeken weet wie de snelste speler op het veld is. Hij is de jongen die langs de zijlijn voorbij zijn directe tegenstander stuift, applaus krijgt, en in de tweede helft moe is omdat hij dezelfde sprint achttien keer heeft gemaakt zonder dat het iets opleverde. Hij is uw snelheid kampioen. Hij verliest de wedstrijd.

De winnaar is een andere speler. Meestal langzamer in een rechte lijn, vaak ouder, soms met een buikje. Hij staat er gewoon eerder. Hij ziet wat er gebeurt voordat het gebeurt, hij beweegt voordat hij eigenlijk hoort te bewegen, en wanneer de bal komt is hij er al. U denkt dat hij geluk heeft. Hij heeft geen geluk. Hij heeft een zenuwstelsel dat de toekomst beter voorspelt dan dat van zijn tegenstander.

Dit essay gaat over dat verschil. En over waarom de fitness- en sportcoachindustrie dat verschil al twintig jaar verkeerd traint, terwijl de wetenschap er sinds Sheppard en Young in 2006 helder over is. Wendbaarheid, in de zin die er werkelijk toe doet, is geen fysieke eigenschap. Het is een perceptueel-motorische vaardigheid waarvan de fysieke uitvoering het zichtbare topje is. Wat onder water gebeurt, anticipatie, beslissing, automatisering, is moeilijker te trainen, moeilijker te certificeren, en moeilijker in een commerciële cursus te verpakken.

Daarom verkoopt de branche u liever ladders, hoeden, en kleurrijke kegels. Die zien er professioneel uit op Instagram, ze passen in een gymtas, en u kunt erop oefenen zonder dat de coach hoeft toe te geven dat hij niet weet wat hij doet zodra het spel onvoorspelbaar wordt. Het werkelijke trainen van wendbaarheid is rommelig, ziet er onordelijk uit, en heeft de pech dat het werkt.

In wat volgt leg ik uit wat agility eigenlijk is, hoe het verschilt van change of direction (de twee worden permanent verward, ook door mensen die u dit tegen betaling onderwijzen), wat de huidige wetenschap zegt over wat wel en niet werkt, en waarom uw club waarschijnlijk de verkeerde 70 procent van haar trainingstijd besteedt aan de minst belangrijke component. Ik baseer me op meta-analyses uit 2024 en 2025, niet op de wijsheid van de SAQ-trainer (Speed, Agility and Quickness training) met een driedaagse certificering en een Powerpoint vol bewegende pijltjes.

Het korte advies, voor wie verder niet hoeft te lezen: de speler die wedstrijden wint is degene die eerder beslist, niet degene die harder rent. Train dus zijn besluitvorming, niet zijn voetenwerk. Het kost minder, het werkt beter, en u hoeft er geen apparatuur voor te kopen die in een grote tas met logo’s wordt geleverd.

Voor wie wel verder leest: u krijgt de mechanismen, de literatuur, een praktisch programma, en een aantal observaties over de coach-industrie die u na lezing waarschijnlijk niet meer met dezelfde ogen zult zien. Een waarschuwing en een belofte tegelijk.

Met groet,

Peter Koopman

 

Wendbaarheid: het verschil tussen snel zijn en op tijd zijn

Een essay over agility, change of direction, en waarom de meeste sportscholen het verkeerde trainen

Inleiding

In iedere voetbalclub, basketbalvereniging en hockeyveld wordt al decennia geroepen dat snelheid het belangrijkste fysieke kenmerk is. De snelste speler wint, de langzaamste verliest. Het probleem is dat dit niet klopt. Of liever, het klopt op een manier die zo onvolledig is dat het in de praktijk misleidend wordt.

De snelste speler wint niet. De speler die op het juiste moment op de juiste plek is, wint. En die twee dingen, snelheid en de juiste plek, hebben minder met elkaar te maken dan u denkt. Een sprinter met een 10,8 op de 100 meter zou bij een Eredivisiewedstrijd nog steeds een gemiddelde middenvelder zijn als hij niet weet waar hij heen moet rennen voordat de bal er is. Het werk van Sheppard en Young (2006), nog steeds de definitieve theoretische ontleding van wat agility eigenlijk is, was de eerste die expliciet maakte wat coaches intuïtief al wisten: wendbaarheid is geen fysieke eigenschap, het is een perceptueel-motorische vaardigheid waarvan de fysieke uitvoering slechts één element is.

Daar komt het hele agility-veld vandaan. En daar gaat de meeste sportschool-marketing nog steeds aan voorbij.

  1. De definitiekwestie: agility is geen COD, en omgekeerd

Eerst even de begrippen op een rij, want hier wordt veel verwarring veroorzaakt door coaches die de termen door elkaar gebruiken alsof het synoniemen zijn.

Change of direction (COD) is het puur fysieke vermogen om te vertragen, van richting te veranderen, en weer te versnellen. Het is een geplande, geoefende beweging, vaak getest met cones in een vooraf vastgelegd patroon (T-test, Illinois agility test, 505 test). U weet waar u heen moet, u weet wanneer u moet draaien, u voert de beweging uit. Niets cognitiefs, alles motorisch.

Agility (in de zin van Sheppard en Young) is COD onder cognitieve belasting. U moet vertragen, draaien, en versnellen, maar de richting wordt op het laatste moment bepaald door een externe stimulus: de beweging van een tegenstander, de baan van de bal, een visueel signaal. Hier komt de besluitvorming, de perceptie, de anticipatie bij. Het is wat in de literatuur sinds 2018 steeds vaker reactive agility wordt genoemd, om het onderscheid expliciet te maken.

Het verschil is niet academisch. Lockie et al. (2014) en Henry et al. (2011) hebben in een serie studies laten zien dat reactive agility tests betrouwbaar onderscheid maken tussen elite-spelers en sub-elite spelers, terwijl COD-tests dat veel minder doen. Een topvoetballer en een derde-divisiespeler hebben vaak vrijwel identieke COD-scores. Het verschil zit in wat ze doen wanneer ze niet weten waar ze naartoe moeten. De topspeler beslist sneller, leest het spel beter, anticipeert eerder, en zijn fysieke uitvoering hoeft daarom niet sneller te zijn. Hij begint eerder.

Dit heeft consequenties voor training die in veel sportscholen nog niet zijn doorgedrongen.

  1. Wat we weten over het trainen van COD: de saaie maar betrouwbare onderbouwing

COD is, zoals ik in je tekst aangeeft, gerelateerd aan een aantal andere fysieke kwaliteiten. Brughelli et al. (2008) hebben dit als eerste systematisch in kaart gebracht, en de relaties die zij vonden zijn sindsdien meermaals bevestigd. De correlatie tussen COD-prestatie en lineair sprintvermogen is matig sterk (r ongeveer 0,5 tot 0,7), met verticaal springen iets zwakker (0,3 tot 0,6), en met been-kracht en -vermogen wisselend afhankelijk van de specifieke test. Dat betekent dat sterk en snel zijn helpt, maar niet voldoende is. COD heeft eigen, gespecialiseerde adaptaties nodig.

De recente meta-analyses van de afgelopen twee jaar hebben de hiërarchie van trainingsmethoden voor COD-verbetering vrij scherp uitgekristalliseerd. Wei et al. (2025) onderzochten in een netwerk-meta-analyse de effecten van complex contrast training (CNT, afwisselen van zware krachtoefeningen en explosieve plyometrie binnen dezelfde set), en vonden dat CNT superieur was aan zowel plyometrie alleen (effect size 0,65), krachttraining alleen (0,88), als controle (1,24). Het effect was bijzonder sterk bij atleten onder 18, vrouwen, en amateurs, wat aangeeft dat ongetrainde populaties veel ruimte voor verbetering hebben en de meer ervaren atleten subtielere stimuli nodig hebben.

Chen et al. (2025), in een netwerk-meta-analyse specifiek voor adolescente teamsporters, kwamen tot een vergelijkbare ranglijst, met combined training (kracht plus plyometrie plus COD-specifieke oefeningen) bovenaan, gevolgd door plyometrische training, en eccentric overload training. Pure krachttraining alleen kwam relatief laag uit, wat aangeeft dat brute kracht zonder de explosieve en richtingsspecifieke componenten beperkt overdraagbaar is naar COD-prestatie.

He et al. (2025) onderzochten resisted sprint training (RST) bij voetballers, en vonden zowel verticale als horizontale resistantie effectief, met een licht voordeel voor horizontale resistantie (sleds, weerstandskoorden) voor COD-specifieke verbeteringen, en verticale resistantie (vest, gewichten) voor sprintacceleratie. Dit bevestigt het oude principe dat de richting van de weerstand de specificiteit van de adaptatie bepaalt.

Kong et al. (2025) keken naar repeated sprint training met COD-componenten, en vonden dat multidirectionele protocollen (RS-MCOD) superieur waren aan unidirectionele (RS-OCOD) voor zowel sprint, jump, als COD-prestaties. De boodschap: variatie in richting tijdens herhaalde sprints draagt extra bij aan adaptatie boven de sprint-component alleen.

Akhmad et al. (2025) onderzochten het populaire SAQ-format (speed, agility, quickness training, doorgaans drills met ladders, hoeden, en korte sprints) en vonden moderate effecten op sprint en COD bij voetballers, basketballers, tennissers, en handballers. Dit is interessant omdat SAQ-training in veel gyms en clubs nog steeds als wondermiddel wordt verkocht, terwijl de effecten in werkelijkheid bescheiden zijn en vooral bij ongetrainden goed werken.

De praktische synthese die uit deze data komt is helder:

Voor COD-verbetering werkt een combinatie van zware krachttraining (squat, deadlift, eenzijdige varianten), plyometrie (sprongen, hops, bounds, met name multidirectionele), en sport-specifieke COD-drills, idealiter in dezelfde sessie of in close-spaced sessies. Twee tot drie sessies per week, minimaal zes weken voor merkbare verbetering, twaalf weken voor robuuste adaptatie. Geen wonderprotocol, geen zes weken transformatie, gewoon consequente belasting van de juiste kwaliteiten.

Pure SAQ-drills (ladders, hoeden, mini-cones) zijn bij ongetrainden nuttig en bij elite-atleten van beperkte waarde. Ze trainen vooral coördinatie en footwork, niet de onderliggende kracht- en vermogenscapaciteiten die COD-prestaties op hoog niveau bepalen. Een Champions League-voetballer die ladders doet, vertelt dat hij ze leuk vindt. Hij wordt er niet sneller van.

  1. De cognitieve component: waar de echte verschillen liggen

En nu komen we bij het deel dat in de meeste training wordt overgeslagen, terwijl het waarschijnlijk de grootste leverage biedt voor het werkelijke spel. Want zoals Henry et al. (2011) en sindsdien tientallen andere onderzoekers hebben laten zien: het verschil tussen elite-spelers en sub-elite spelers zit niet in hun fysieke uitvoering van een verandering van richting, maar in de tijd tussen perceptie en initiatie van de beweging.

De perceptueel-cognitieve literatuur is hier verrassend rijk geworden. Guo et al. (2025), in een meta-analyse in Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports, en Liu et al. (2024) in een eerdere systematische review, laten zien dat perceptueel-cognitieve training (PCT) anticipatie en besluitvorming bij elite-atleten significant verbetert. De effect sizes zijn aanzienlijk: 1,51 voor laboratorium-prestaties, 0,65 voor real-game transfer. Dat laatste cijfer is interessant: de transfer naar werkelijke wedstrijdsituaties is reëel maar lager dan de winst in de testomgeving. Toch blijft 0,65 een klinisch relevante effectgrootte, vergelijkbaar met of groter dan veel pure fysieke trainingsinterventies.

Wang et al. (2025) gingen nog een stap verder en analyseerden het concept van perception-action coupling, het idee dat perceptie en actie niet als losse fasen moeten worden getraind maar als een geïntegreerd geheel. Hun analyse, gebaseerd op de dual-process theory van Furley en collegas, suggereert dat geoefende atleten geleidelijk verschuiven van Type 2 verwerking (gecontroleerd, deliberatief, langzaam) naar Type 1 verwerking (automatisch, intuïtief, snel). Repeated exposure aan representatieve perceptueel-motorische contexten versnelt deze verschuiving. In gewone taal: spelers die in trainingen veelvuldig in realistische, gevarieerde, onvoorspelbare situaties moeten beslissen en handelen, ontwikkelen sneller automatische responsen dan spelers die alleen geïsoleerde drills doen.

Dit verklaart waarom small-sided games (SSGs) en reactive COD training in real-time meta-analyses consequent beter scoren dan geïsoleerde drills. Niet omdat ze toevallig populair zijn, maar omdat ze de perceptie-actie koppeling intact houden die bij het werkelijke spel ook intact moet zijn. Een speler die in een 4v4 op een klein veld traint, perceiveert de tegenstander, anticipeert zijn beweging, beslist welke richting hij neemt, en voert de beweging uit, allemaal binnen tijdspannen van enkele honderden milliseconden. Dezelfde speler die op een rij cones afwerkt in een vooraf vastgelegd patroon, traint zijn cone-drill capaciteit. Niet zijn agility.

Engelbrecht et al. (2016, en herhaaldelijk geciteerd sindsdien) lieten dit prachtig zien in een rugby-studie waarin video-based perceptual training werd vergeleken met standaard COD-training. Beide groepen verbeterden hun fysieke COD-tests, maar alleen de perceptueel getrainde groep verbeterde hun reactieve agility, gemeten met live-stimulus tests. Het bewijs voor specificiteit is hier sterk.

  1. Wat dit mechanistisch betekent voor het organisme

Nu vertaal ik dit naar het mechanistische framework dat we in de eerdere essays hebben opgebouwd. Want hier wordt het interessant in relatie tot het bredere verhaal over wat het lichaam doet en waarom.

Het organisme dat besluit en beweegt, is geen rationeel bestuurder. Het is een verzameling neurologische subsystemen die parallel werken, ontworpen door evolutie om snelle voorspellingen te maken in onvoorspelbare omgevingen. De jager die een prooi achtervolgt, of liever, de prooi die een roofdier ontwijkt, deed dat zonder eerst een cone-drill te oefenen. Hij las de beweging, voorspelde de baan, en handelde, allemaal binnen een tijdsbestek dat bewuste cognitie niet toelaat. De snelle, intuïtieve respons die elite-atleten onderscheidt van sub-elite is dezelfde respons die onze voorouders de overleving in scheef gebalanceerde confrontaties met sneller of sterkere dieren toestond.

Dat is het eerste mechanistische punt: agility is geen vaardigheid die we hebben aangeleerd. Het is een vaardigheid die we kwijtraken door verkeerde training. Ons organisme is uitgerust voor reactieve respons op onvoorspelbare stimuli, en de moderne sportbeoefening, met haar voorgeprogrammeerde drills en gestructureerde patronen, traint vaak juist die capaciteit weg ten gunste van efficiëntie in voorspelbare situaties.

Het tweede punt is dat de spier en het zenuwstelsel niet los van elkaar werken. De zware kniestrekkers helpen u niet alleen om harder te springen, ze veranderen de input-output relatie van uw centrale zenuwstelsel als u snel moet vertragen en draaien. Krachttraining heeft een neurologische component, en plyometrie heeft een biomechanische component, en perceptueel-cognitieve training heeft een neuromotorische component. Het zijn drie ingangen op hetzelfde systeem, en wie er een verwaarloost, mist een dimensie.

Het derde punt, en het meest praktische, is dat specificiteit hier hard regeert. Het organisme adapteert zich precies aan wat er gevraagd wordt. Wie altijd cones in vaste patronen doet, wordt cone-vaardig. Wie altijd geïsoleerde sprongen oefent, wordt sprong-vaardig. Wie altijd in 4v4 spel beslissingen moet nemen onder perceptuele druk, wordt agility-vaardig. Specificiteit is geen modewoord, het is de kernregel van de neuromotorische adaptatie.

  1. Het pragmatische kader: hoe een serieus agility-programma eruit ziet

Laat me het concreet maken, want abstract theorie verandert niets aan iemands wedstrijdprestatie. Een gestructureerd agility-programma voor een teamsporter, gebaseerd op de huidige beste evidence, ziet er ongeveer zo uit:

Fundering, het hele jaar door, twee tot drie sessies per week. Krachttraining van het onderlichaam, met focus op zware bilaterale en unilaterale oefeningen (squat, deadlift, Bulgarian split squat, single-leg Romanian deadlift). Niet om er een powerlifter van te maken, maar omdat de basale kracht- en vermogenscapaciteit het plafond bepaalt waaronder COD-vermogen kan functioneren. Een speler die niet sterk is, wordt nooit echt wendbaar.

Plyometrie en explosieve elementen, twee sessies per week. Met een mix van bilaterale (squat jump, drop jump, depth jump) en unilaterale (single-leg hop, lateral bound), en, cruciaal, multidirectionele variaties. Sprongen voorwaarts zijn niet hetzelfde als sprongen zijwaarts of diagonaal. Het organisme adapteert specifiek aan de richting.

COD-specifieke training, één tot twee sessies per week. Dit kan in de vorm van resisted sprints met richtingveranderingen, multidirectionele repeated sprint protocollen, of gestructureerde COD-drills (T-test, 505, pro agility). Hier traint u de pure fysieke capaciteit om te vertragen en versnellen onder belasting. Niet meer, niet minder.

Reactive agility en perceptueel-cognitieve training, twee tot drie sessies per week (geïntegreerd in technische training). Small-sided games, 1v1 en 2v2 situaties, drills met externe stimuli (licht-signalen, partner-signalen, verbal cues), eventueel video-based decision-making oefeningen. Dit is waar de elite-spelers worden gevormd, en het is de minst getrainde component in de meeste amateurprogramma’s.

Sportspecifieke transferoefeningen, in elke wedstrijdtraining. Want uiteindelijk moet alles wat u in de gym en op het oefenveld doet, terugkeren in de wedstrijdcontext. Een speler die fantastische COD-tests scoort maar geen wedstrijden wint, traint zijn testen, niet zijn spel.

De typische amateur-club of sportschool besteedt 70 procent van haar tijd aan algemene conditionering, 20 procent aan COD-drills, en 10 procent (of nul) aan reactive agility en perceptueel-cognitieve training. Een verstandige verdeling, gebaseerd op de literatuur, ligt eerder op 40-30-30. Dat is een herziening die in veel programma’s nooit zal plaatsvinden, omdat 4v4 spelletjes minder professioneel ogen dan een gestructureerde drill, en omdat coaches die niet weten waar ze op moeten letten in een open spel-context, terugvallen op wat ze wel kunnen observeren.

  1. De cynische voetnoot: wat de SAQ-coach industrie u verkoopt

Ik kan dit niet afronden zonder een zijdelingse opmerking over de SAQ- en agility-industrie, want die heeft de afgelopen vijftien jaar goud gevonden in het verkopen van producten en cursussen die er aanzienlijk professioneler uitzien dan ze daadwerkelijk werken.

De ladders, de hoeden, de speed cones, het kleurrijke parcours die in elke fitnesscertificering worden behandeld als de heilige graal van moderne training, hebben in de wetenschappelijke literatuur een matige reputatie. Akhmad et al. (2025) en Lee et al. (2024) bevestigen dat SAQ-protocollen modeste effecten hebben op sprint en COD bij ongetrainden, maar dat ze als geïsoleerde interventie zelden iets toevoegen voor getrainde atleten. Ze trainen footwork en coördinatie, en dat heeft zijn plek, maar ze trainen geen agility in de zin van Sheppard en Young, en ze trainen geen kracht of vermogen waarop agility rust.

De branche verkoopt ze als “sport-specific” en “neuromusculaire activatie”, twee marketingtermen die het wetenschappelijk gewicht van een tortelduif hebben. Voor een 14-jarige beginner zijn ze prima. Voor een serieuze sporter zijn ze opwarming, niet hoofdmaaltijd. Wie u beweert dat zijn ladder-cursus van 200 euro u sneller en wendbaarder maakt, verkoopt u iets dat dezelfde resultaten oplevert als gratis 4v4 spelen op een klein veld twee keer per week.

Het echte probleem is dat veel agility-coaches het cognitieve element niet kunnen of niet willen trainen. Het cognitieve element vraagt om creativiteit, om variatie, om het ongemak van het loslaten van controle. Een coach die een 4v4 partijtje opzet, kan niet voorspellen wat er gebeurt. Een coach die een ladder-drill opzet, weet precies hoe het er uit gaat zien. De eerste traint agility, de tweede traint zijn eigen comfortzone.

Dit is geen samenzwering. Het is selectiedruk: gestructureerde drills zijn makkelijker te certificeren, makkelijker te verkopen, makkelijker te demonstreren in een Instagram-Reel. Het werkelijke spel is rommelig, onvoorspelbaar, en lijkt minder professioneel. Dat het beter werkt, is voor de marketing-machine een nadeel.

  1. Slot: het organisme dat anticipeert wint van het organisme dat reageert

De diepere observatie achter dit alles, in de geest van de mechanistische lijn van Het Organisme aan de Roulettetafel, is dat agility uiteindelijk een vorm is van predictive processing in real time. De atleet die wint, is degene wiens organisme de toekomst eerder en accurater voorspelt dan dat van de tegenstander. De fysieke uitvoering is daar de uiterlijke manifestatie van, niet de bron.

Wie agility wil trainen, moet dus accepteren dat hij niet alleen het bewegingsapparaat traint, maar ook het voorspellings-apparaat. Het zenuwstelsel dat patronen leert herkennen, anticiperende bewegingen automatiseert, en uiteindelijk handelt voordat het bewustzijn weet dat er gehandeld is. Dit is geen mystiek verhaal, het is gewone neurobiologie, mooi uitgewerkt door Friston, Clark, Pezzulo en anderen, en het is precies wat onderscheid maakt tussen een speler die alles op de juiste plek doet en een speler die wedstrijden wint.

De rest, de cones, de ladders, de gestructureerde drills, de gecertificeerde SAQ-cursussen, is gereedschap. Soms nuttig, soms minder, maar nooit een vervanging voor het werkelijke spel onder werkelijke onzekerheid. Het organisme leert door blootstelling aan de variabiliteit waarin het later moet functioneren, niet door blootstelling aan een schoongepoetste laboratorium-versie ervan.

Of, om het in de gymtaal te zeggen die u inmiddels van mij gewend bent: u kunt iemand niet voor het strijdperk klaarstomen door hem alleen in de wachtruimte te laten oefenen.

Literatuurlijst

Akhmad, I., Nugraha, T., Sembiring, P., et al. (2025). Effects of speed, agility, and quickness training on athletic performance: A systematic review and meta-analysis. BMC Sports Science, Medicine and Rehabilitation, 17(1), Article 1101.

Brughelli, M., Cronin, J., Levin, G., & Chaouachi, A. (2008). Understanding change of direction ability in sport: A review of resistance training studies. Sports Medicine, 38(12), 1045-1063.

Chen, Y., Tulhongjiang, M., Ling, T., Feng, X., Mi, J., & Liu, R. (2025). The optimal training intervention for improving the change of direction performance of adolescent team-sport athletes: A systematic review and network meta-analysis. PeerJ, 13, e18971.

Engelbrecht, E., Terblanche, E., & Welman, K. (2016). Video-based perceptual training as a method to improve reactive agility performance in rugby union players. International Journal of Sports Science and Coaching, 11(6), 799-809.

Furley, P., Bertrams, A., Englert, C., & Delphia, A. (2015). Ego depletion, attentional control, and decision making in sport. Psychology of Sport and Exercise, 14(6), 900-904.

Guo, X., Romeas, T., Chaumillon, R., Labbé, D., et al. (2025). Does visual training enhance athletes’ decision-making skills and sport-specific performance? A systematic review and meta-analysis. Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports, 35(10), e70140.

He, Z., Duan, T., Li, D., & Zhang, X. (2025). Effects of resisted sprint training on agility and change-of-direction performance in soccer players: A systematic review with meta-analysis. PeerJ, 13, e20084.

Henry, G., Dawson, B., Lay, B., & Young, W. (2011). Validity of a reactive agility test for Australian football. International Journal of Sports Physiology and Performance, 6(4), 534-545.

Kong, R., Cao, L., & Li, D. (2025). The chronic effects of change of direction during repeated-sprint training on jumping, sprinting, and change-of-direction abilities in players: A systematic review and meta-analysis. PeerJ, 13, e19416.

Lee, Y. S., Lee, D., & Ahn, N. Y. (2024). SAQ training on sprint, change-of-direction speed, and agility in U-20 female football players. PLoS ONE, 19(3), e0299535.

Li, C., Chen, L., & Zhang, Q. (2025). Effects of resisted sprint training on sprint, jump, and change-of-direction performance in athletes: A systematic review and meta-analysis. Frontiers in Physiology, 16, 1711992.

Liu, H., Wang, J., Chen, Y., et al. (2024). Effects of perceptual-cognitive training on anticipation and decision-making skills in team sports: A systematic review and meta-analysis. Frontiers in Psychology, 15, 1448298.

Lockie, R. G., Jeffriess, M. D., McGann, T. S., Callaghan, S. J., & Schultz, A. B. (2014). Planned and reactive agility performance in semiprofessional and amateur basketball players. International Journal of Sports Physiology and Performance, 9(5), 766-771.

Sheppard, J. M., & Young, W. B. (2006). Agility literature review: Classifications, training and testing. Journal of Sports Sciences, 24(9), 919-932.

Wang, L., Zhang, Y., et al. (2025). Optimizing agility training in team sport players: The role of perception-action coupling: A systematic review with multi-level meta-analysis. Sports Medicine, advance online publication.

Wei, P., Liu, X., Wang, Y., & Zhao, J. (2025). Effect of complex contrast training on change of direction performance in team-sport athletes: A meta-analysis. Applied Sciences, 15(13), 7385.

Ook interessant voor jou!