Waarom niemand op dat eiland ooit een kans had
Beste lezer,
Zet twintig mensen op een tropisch eiland, haal hun partner weg, schenk rum en zet er een camera bij. Iedereen kijkt mee alsof het toeval is wie er zwicht. Het is geen toeval. Het is biologie met een productiebudget.
In het nieuwe essay ga ik met die vraag aan de slag: hoe monogaam is de mens eigenlijk, en waarom voelt weerstand bieden tegen verleiding zo zwaar? Ik leen daarvoor het gereedschap van mensen die er hun carrière aan hebben gewijd. Christopher Ryan en Cacilda Jethá beweren dat wij helemaal niet voor exclusiviteit gebouwd zijn, en krijgen daarvoor stevige tegenspraak van Lynn Saxon en Sarah Blaffer Hrdy. Geoffrey Miller legt uit waarom een grap bij het kampvuur een hormonale respons uitlokt die een cv nooit zou halen. Helen Fisher ontleedt de chemie die maakt dat je gehecht kunt zijn en tegelijk kunt verlangen, zonder dat een van beide een leugen is. Esther Perel laat zien waarom veiligheid en begeerte elkaar in de weg zitten. En Michel Foucault ontmaskert de hele biechtstoel-met-camera’s als een machtsinstrument, geen bevrijding.
Geen moraal aan het eind, wel een diagnose die eerlijker is dan de huilende gezichten in de aflevering erna.
Het essay staat als bijlage, plus een literatuurlijst voor wie verder wil lezen.
Met vriendelijke groet,
Peter Koopman
Eiland der verzoeking. Waarom trouw zijn het moeilijkste is wat we ooit hebben verzonnen
I
Zet twintig aantrekkelijke, gebruinde mensen op een eiland, geef ze rum, ontneem ze hun vaste partner en zet er een camera bij. Wat volgt is geen experiment, het is een voorspelling die je met een rekenmachine had kunnen maken. Toch kijkt half Nederland elk seizoen weer mee alsof het om een onvoorspelbaar drama gaat, en elk seizoen weer volgt dezelfde reeks: gegniffel bij het kampvuur, een hand op een knie, een huilbui in de biechthut, en aan het eind een eindredacteur die stiekem het gelukkigst is van iedereen. De publieke vraag die daarbij steevast opduikt is een morele: hoe kon hij, hoe kon zij, hadden ze zich niet kunnen beheersen. Dat is de verkeerde vraag. De juiste vraag is waarom we een soort zijn waarbij je voor zo’n uitkomst niet eens een format nodig hebt, alleen een strand en verveling.
Dit essay probeert die vraag serieus te nemen, met hulp van mensen die er hun leven aan hebben gewijd: de evolutionair antropologen Christopher Ryan en Cacilda Jethá, de bioloog Geoffrey Miller, de antropoloog Helen Fisher, de therapeut Esther Perel, en de filosoof Michel Foucault. Ze zijn het onderling grondig oneens, en dat is precies waarom ze samen meer opleveren dan welke van hen alleen.
Het format zelf is inmiddels internationaal een franchise op zich, van het Amerikaanse Temptation Island tot Britse, Vlaamse en Nederlandse varianten, plus een hele familie van neefjes als Ex on the Beach en Love Island. Die commerciële levensvatbaarheid is zelf al een datapunt. Een format overleeft twintig jaar en tientallen landen niet toevallig; het overleeft omdat het iets aanraakt dat universeel genoeg is om in elke cultuur kijkcijfers te trekken, ondanks verschillen in seksuele moraal, religie en wetgeving tussen die landen. Wat universeel werkt, is zelden cultuur. Meestal is het biologie met een vleugje marketing.
II
Begin bij het lichaam, want het lichaam liegt niet, ook al doet de mond dat wel. Bij zoogdieren correleert relatieve testisgrootte, dus testisgewicht ten opzichte van lichaamsgewicht, sterk met het paringssysteem van de soort. Harcourt, Harvey, Larson en Short lieten dat in 1981 in Nature al zien voor primaten: een gorillamannetje, dat als enige met de vrouwtjes van zijn harem paart, heeft verhoudingsgewijs piepkleine testikels nodig, want er is geen concurrentie in het lichaam van het vrouwtje. Een chimpanseemannetje, dat met een vrouwtje deelt die dezelfde week ook met vijf andere mannetjes paart, heeft juist enorme testikels nodig om zijn sperma een kans te geven in wat spermacompetitie heet, een concurrentiestrijd die niet in de boomtoppen plaatsvindt maar in de eileider.
Waar staat de mens in dat rijtje? Ergens in het midden, en dat midden is precies het probleem. Onze testikels zijn groter dan die van de strikt monogame gorilla, kleiner dan die van de chimpansee en veel kleiner dan die van de bonobo, de soort waar vrouwtjes seks gebruiken als sociale lijm en waar bijna niemand exclusief is. Bij de bonobo lost seks conflicten op, bezegelt het voedsel delen en verstevigt het bondgenootschappen tussen vrouwtjes die daarmee de agressie van mannetjes de baas blijven. Bij de chimpansee draait diezelfde seks juist om status en coalitievorming tussen mannetjes, met geweld nooit ver weg. Twee naaste verwanten van de mens, evolutionair even ver van ons verwijderd, met compleet tegengestelde seksuele sociologie. Dat zou iedereen die met stelligheid beweert dat “de natuur” een eenduidig antwoord geeft op hoe mensen horen te paren, wat bescheidener moeten stemmen. Die tussenpositie is het startpunt van Ryan en Jethá in Sex at Dawn (2010): de mens is, anatomisch en gedragsmatig, gebouwd voor iets dat meer lijkt op de gematigde promiscuïteit van foragersamenlevingen dan op het levenslange tweetal dat de kerk, de staat en de romantische komedie ons als natuurlijk verkopen. Zij wijzen behalve op testisgrootte ook op verborgen ovulatie, op de vorm van de penis, die volgens sommige onderzoekers functioneert als een soort zuigertje dat concurrerend sperma wegschept, en op de luidruchtige seksualiteit van vrouwen, iets waar een puur monogame soort weinig aan zou hebben.
Er is nog een tweede lichamelijk argument, minder bekend maar niet minder ongemakkelijk. De bioloog Robin Baker en de zoöloog Mark Bellis onderzochten in de jaren negentig de samenstelling van menselijk ejaculaat en vonden dat het volume en de celtypes verschillen naargelang de tijd die een stel apart heeft doorgebracht, alsof het lichaam rekening houdt met de mogelijkheid dat er in de tussentijd concurrentie is geweest. Hun sperm competition-hypothese voor mensen is omstreden en de repliceerbaarheid ervan staat ter discussie, maar het feit dat serieuze biologen de vraag serieus stellen zegt op zichzelf al iets. Een dier waarbij vrouwelijke trouw absoluut vaststond, zou zich zulk kostbaar fysiologisch maatwerk nooit hebben ontwikkeld.
Het is een aantrekkelijk verhaal, en dat is meteen de reden om er niet blind in te trappen. Ryan en Jethá bouwen hun these vooral op een handvol zorgvuldig gekozen voorbeelden, de Barí in Venezuela met hun partible paternity, waarbij een kind meerdere biologische vaders kan hebben die allemaal een beetje zorgplicht voelen, en de Mosuo in China met hun losse “wandelhuwelijken”. Dat zijn echte samenlevingen met echte gewoonten, maar ze zijn uitzonderingen, geen representatieve steekproef. Lynn Saxon zette in Sex at Dusk (2012) vrijwel dezelfde bronnen naast elkaar en kwam tot een heel ander oordeel: veel van de aangehaalde antropologie is selectief gelezen, en de auteurs negeren dat evolutie niet draait om hoeveel seks je hebt maar om hoeveel nageslacht overleeft. Sarah Blaffer Hrdy voegt in Mothers and Others (2009) een derde weg toe die minder om exclusiviteit draait en meer om samenwerking: mensenkinderen zijn zo hulpbehoevend en zo lang afhankelijk dat onze soort alleen heeft kunnen overleven dankzij coöperatief ouderschap, alloparenting, waarbij niet alleen de biologische ouders maar een heel netwerk meehielp. Dat maakt de vraag of we monogaam zijn eigenlijk een verkeerd gestelde vraag. We zijn geen van beide in de zuivere vorm. We zijn een soort die pair-bonding combineert met een flinke bijsmaak van gelegenheidsgedrag, en welke van de twee de overhand krijgt hangt af van omstandigheden, schaarste, status en, zoals we nog gaan zien, alcohol en afzondering.
De antropoloog Frank Marlowe onderzocht tientallen hedendaagse foragersamenlevingen, van de Hadza in Tanzania tot de Ache in Paraguay, en vond een patroon dat noch bij Ryan en Jethá noch bij de traditionele monogamie-verdedigers helemaal past. De meeste van die volkeren zijn overwegend monogaam in de praktijk, met een minderheid aan polygynie voor mannen met status of jachtsucces, en met scheidingscijfers en buitenechtelijke contacten die ruim boven het westerse ideaal liggen maar ver onder het beeld van vrije liefde dat Sex at Dawn soms suggereert. Kortere pair-bonds die makkelijk worden verbroken en makkelijk opnieuw worden aangegaan, dat is een preciezere samenvatting dan monogaam of promiscue. Serieel, niet exclusief. Dat is minder pakkend als boektitel, maar wel dichter bij wat er in het fossiel- en antropologisch bewijs overblijft als je de anekdotes wegstreept.
III
Waarom voelt verleiding dan zo onweerstaanbaar, los van de vraag of onze voorouders nu wel of niet vreemdgingen? Hier komt Geoffrey Miller om de hoek kijken. In The Mating Mind (2000) stelt hij een vraag die de klassieke Darwiniaanse natuurlijke selectie niet goed beantwoordt: waarom heeft de mens een brein dat drie keer groter is dan je voor overleven alleen nodig hebt, en waarom besteden we zoveel energie aan dingen als muziek, humor, poëzie en filosofie, stuk voor stuk activiteiten die je calorieën kosten en je kansen om opgegeten te worden vergroten? Zijn antwoord: seksuele selectie, niet natuurlijke selectie, is de motor. Intelligentie, welbespraaktheid en creativiteit zijn geen bijproduct van overleven, ze zijn een pauwenstaart, een kostbaar, moeilijk te vervalsen signaal van genetische kwaliteit dat potentiële partners overtuigt.
Dat verklaart meteen waarom die jongen met de gitaar op het strand zo’n effect heeft, en waarom een geestige opmerking bij het kampvuur een hormonale respons uitlokt die een cv nooit zou veroorzaken. De verleidingsscène op zo’n eiland is geen verval van normen, het is een lek, een baltsplaats waar precies de eigenschappen worden uitvergroot die miljoenen jarenlang de doorslag gaven bij partnerkeuze. Wie daar ongevoelig voor blijft, is niet sterker, die is waarschijnlijk gewoon minder aandachtig.
De vergelijking met de vogelwereld is hier niet decoratief maar analytisch nuttig. De bioloog Amotz Zahavi introduceerde het handicapprincipe: een signaal is pas geloofwaardig als het kostbaar is om te produceren, want alleen een werkelijk sterk exemplaar kan zich de kosten ervan veroorloven. De staart van de pauw kost energie en maakt hem trager voor roofdieren, en juist daarom is hij een eerlijk signaal in plaats van een goedkope leugen. Bij de mens vervult humor, muzikaliteit en verbale vaardigheid dezelfde functie: ze zijn moeilijk te faken onder druk, en een geslaagde grap op het juiste moment, live, zonder revisie, is een kostbaarder bewijs van cognitieve souplesse dan welk cv-punt ook. Dat is precies waarom flirten op tv zo effectief oogt en waarom zoveel kijkers zich, half tegen wil en dank, aangetrokken voelen tot dezelfde persoon als de deelnemer in beeld.
IV
Voor de chemie achter dat gevoel moet je bij Helen Fisher zijn. Fisher onderscheidt in Anatomy of Love (1992) en Why We Love (2004) drie afzonderlijke hersensystemen die zich rond mating hebben ontwikkeld: lust, aangestuurd door testosteron en oestrogeen en gericht op vrijwel elke geschikte partner; romantische aantrekking, aangestuurd door dopamine en norepinefrine en gericht op één specifiek iemand; en gehechtheid, aangestuurd door oxytocine en vasopressine en gericht op het volhouden van de band lang genoeg om een kind groot te brengen. Het cruciale punt, en meteen het punt waar de meeste mensen zich op verkijken, is dat die drie systemen onafhankelijk van elkaar kunnen vuren. Je kunt oprecht en diep gehecht zijn aan je partner via systeem drie en tegelijk een acute aantrekking voelen voor iemand anders via systeem één en twee. Dat is geen paradox die om therapie vraagt, dat is gewoon hoe het brein is gebouwd.
Sterker nog, herhaalde blootstelling aan dezelfde partner verzwakt op zichzelf al de respons van het dopaminesysteem. Bij dieren heet dat het Coolidge-effect: een mannetje dat uitgeput raakt van het paren met een bekend vrouwtje hervat onmiddellijk zijn interesse zodra er een nieuw vrouwtje wordt binnengebracht. Bij mensen is het minder plat, maar het onderliggende mechanisme, gewenning van het beloningssysteem aan een bekende stimulus en herstel van diezelfde respons bij een nieuwe stimulus, staat niet ter discussie. Tien jaar op de bank naast dezelfde persoon is voor je dopaminesysteem een heel andere ervaring dan een onbekende hand op je onderrug in het maanlicht, en geen enkele huwelijksbelofte verandert daar iets aan.
Fisher onderbouwde dat niet alleen met hersenscans maar ook met scheidingsstatistieken uit tweeënzestig samenlevingen wereldwijd, van Zweden tot de Seychellen. Daarin vond ze een opvallende piek in het aantal scheidingen rond het vierde huwelijksjaar, wat zij de vier-jaar-jeuk noemt, ongeveer de tijd die een kind nodig heeft om de meest kwetsbare peuterfase te doorstaan. Haar interpretatie: het pair-bond-systeem is niet ontworpen voor levenslange exclusiviteit maar voor een periode die lang genoeg is om één kind door de gevaarlijkste jaren te loodsen, waarna serieel opnieuw beginnen, met een andere partner en dus meer genetische variatie in het nageslacht, evolutionair evengoed lonend kan zijn. Er is ook moleculair bewijs dat in dezelfde richting wijst: bij de prairiewoelmuis, een van de weinige knaagdieren die wel paarbanden vormt, hangt trouw samen met de dichtheid van vasopressinereceptoren in een specifiek hersengebied, en de Zweedse onderzoeker Hasse Walum vond bij mensen een vergelijkbare, zij het veel zwakkere, samenhang tussen een variant van hetzelfde gen en de kwaliteit van huwelijksbanden. Trouw blijkt voor een deel letterlijk in de receptordichtheid te zitten, niet alleen in het karakter.
V
Esther Perel bouwt op precies dat gegeven haar klinische these in Mating in Captivity (2006) en The State of Affairs (2017). Haar stelling: veiligheid en verlangen zijn geen bondgenoten maar tegenpolen. Gehechtheid vraagt om voorspelbaarheid, vertrouwdheid, herhaling, precies de ingrediënten van een goed huwelijk. Verlangen vraagt om afstand, mysterie, het idee dat de ander nog iets te ontdekken heeft. Een langdurige relatie is in zekere zin een machine die precies de voorwaarden voor gehechtheid optimaliseert en daarmee, ongewild, de voorwaarden voor erotisch verlangen om zeep helpt. Perel merkt in haar klinische praktijk ook iets op dat de gangbare morele lezing van overspel ondermijnt: ontrouw is zelden het symptoom van een slecht huwelijk. Vaker is het een zoektocht naar een verloren of nooit ontwikkeld deel van de eigen identiteit, een poging om je weer levend te voelen, niet om van je partner af te komen. Dat maakt het niet minder pijnlijk voor wie wordt bedrogen, maar het verandert wel de vraag die je erover moet stellen. Niet “wat mankeert er aan ons huwelijk”, eerder “wat mist deze persoon in zichzelf”.
Perel wijst daarnaast op een historische verschuiving die het probleem alleen maar zwaarder heeft gemaakt. Waar een huwelijk vroeger één van de vele instituties was, naast familie, kerk, buurtschap en gilde, die samen in de behoeften van een mens voorzagen, moet een moderne partner tegenwoordig alles tegelijk zijn: beste vriend, minnaar, financieel medeplichtige, opvoedpartner en avonturier. Van één mens vragen dat hij levenslang zowel de veilige haven als de storm zelf is, is volgens Perel een historisch unieke en oneerlijke opdracht. Dat verklaart mede waarom net de generatie die het meest gelooft in “soulmates” ook de generatie is met de hoogste verwachtingen van, en teleurstellingen in, het huwelijk.
Op het eiland wordt die dynamiek in versneld tempo zichtbaar. De vaste partner is fysiek afwezig, dus de vertrouwdheid die het verlangen normaal dempt valt weg, terwijl de nieuwe onbekende, met zijn onopgeloste mysterie, de volle laag krijgt. Het is geen wonder dat precies dat de setting is waarin mensen “zichzelf niet meer herkennen”. Ze herkennen zichzelf juist wel, alleen een versie die de gewoonte van thuis normaal onderdrukt hield.
VI
Hier moet Michel Foucault worden binnengehaald, en niet als decoratie. In Histoire de la sexualité, deel I, La volonté de savoir (1976), keert Foucault zich tegen het idee dat seksualiteit een natuurlijk gegeven is dat door macht wordt onderdrukt. Zijn omkering: het discours over seksualiteit produceert seksualiteit als onderwerp, niet andersom. Sinds de zeventiende eeuw is het Westen geobsedeerd geraakt door het spreken over seks, classificeren, bekennen, analyseren, tot in de biechtstoel, de psychiatrie en later de talkshow. Die drang om te bekennen, scientia sexualis noemt hij het, is zelf een instrument van macht, geen bevrijding ervan. Wie denkt dat een realityshow over verleiding “authentiek” of “bevrijd” is omdat de deelnemers eindelijk mogen zeggen wat ze voelen, mist het punt volledig. Het format is een moderne biechtstoel met een camera erbij, een dispositief dat mensen dwingt hun verlangen te verklaren, te rechtvaardigen, te huilen over, precies zoals de zeventiende-eeuwse biechteling zijn zondige gedachten aan de priester moest opbiechten.
De deelnemers denken dat ze iets over zichzelf ontdekken. Wat ze feitelijk doen is meewerken aan een machinerie die winst maakt op precies dat moment van zelfontdekking, verpakt als openbaring, verkocht als drama. Foucault zou de kijkcijfers niet verrassend vinden. Hij zou vooral geïnteresseerd zijn in de vraag waarom een cultuur die zich vrij van victoriaanse preutsheid waant, nog altijd zo veel plezier beleeft aan het zien bekennen van seksueel verlangen door anderen.
Er is een tweede Foucaultiaans mechanisme dat minstens zo relevant is, en dat komt niet uit het boek over seksualiteit maar uit Surveiller et punir, zijn studie over de gevangenis. Het panopticon, de architectuur waarin een enkele bewaker vanuit een centrale toren alle cellen kan zien zonder zelf gezien te worden, werkt volgens Foucault vooral doordat de gevangene niet weet wanneer hij wordt bekeken en zich daarom voortdurend gedraagt alsof hij bekeken wordt. Een deelnemer aan een realityshow leeft in precies zo’n toren, voortdurend zichtbaar voor camera’s die hij na een tijdje vergeet, en gedraagt zich daardoor niet minder maar juist opvallend ongeremd, alsof de permanente zichtbaarheid een soort omgekeerde tucht produceert: wie toch wordt gezien, kan zich net zo goed volledig laten zien. Diezelfde dynamiek is inmiddels naar buiten het format gelekt. De verontschuldigende Instagram-post, de emotionele bekentenisvideo op TikTok na een schandaal, het zijn seculiere varianten van dezelfde biechtstoel die Foucault drie eeuwen terug al zag ontstaan, nu met likes in plaats van aflaten.
VII
Nu de praktijk, want de makers van dat soort formats zijn geen sociologen maar wel scherpe gedragskundigen bij toeval. Zet vier knoppen tegelijk om en de uitkomst is voorspelbaar. Alcohol schakelt de prefrontale cortex uit, het hersengebied dat impulsen normaal afremt, waardoor systeem één en twee van Fisher vrij spel krijgen. Schaarste van aandacht werkt als een versterker: een aantrekkelijke vreemde die zijn interesse toont voelt zich waardevoller naarmate hij minder vanzelfsprekend beschikbaar is, en die dynamiek activeert precies de fitnesssignalen die Miller beschrijft. Afzondering van de vaste partner haalt de sociale rekening tijdelijk weg; ontdekking, schaamte en verantwoording verschuiven naar een hypothetische toekomst, en het brein weegt een verre kost altijd lichter dan een onmiddellijke beloning. En verveling, dagenlang niets omhanden hebben op een eiland zonder telefoon, maakt elke nieuwe prikkel disproportioneel groot.
Dat is geen zedenexperiment. Het is een goed opgezet, ongelooflijk grof gedragsexperiment, en de bedenkers ervan hadden waarschijnlijk nooit een universitaire ethische commissie gehaald als ze het als wetenschap hadden aangemeld.
VIII
Toch zou het te makkelijk zijn om hier te eindigen met “wij zijn allemaal slaven van onze hormonen, verzet is zinloos”. Dat is slordig determinisme en het doet geen recht aan de andere kant van dezelfde evolutionaire munt. David Buss laat in The Evolution of Desire (1994) zien dat jaloezie zelf een aangepast mechanisme is, precies bedoeld om paarbanden te bewaken en cuckoldry, het onbewust grootbrengen van andermans nageslacht, te voorkomen. Robert Trivers wees in zijn klassieke werk over ouderlijke investering (1972) op de asymmetrie tussen de seksen: wie meer investeert in het nageslacht, bij mensen doorgaans de vrouw door zwangerschap en zoogtijd, is kieskeuriger in partnerkeuze en gevoeliger voor signalen van toewijding. Robert Wright vat dat samen in The Moral Animal (1994): onze morele intuïties, inclusief onze afkeer van overspel, zijn zelf producten van diezelfde evolutionaire logica, geen cultureel vernislaagje eroverheen.
Buss vond met Randy Larsen, Drew Westen en Jennifer Semmelroth in 1992 nog een sekseverschil dat sindsdien herhaaldelijk is gerepliceerd, ook door Buss zelf nog in 2018: gevraagd wat hen het meest zou kwellen, koos zestig procent van de mannen voor seksuele ontrouw van hun partner, tegen zeventien procent van de vrouwen, die veel vaker emotionele ontrouw als ergste scenario aanwezen. De verklaring is opnieuw asymmetrisch en opnieuw ongemakkelijk: een man kan door seksuele ontrouw van zijn partner negen maanden en jaren aan opvoeding investeren in een kind dat niet het zijne is, terwijl een vrouw met absolute zekerheid weet dat elk kind dat zij baart genetisch van haar is; haar risico zit in het weglekken van tijd, geld en toewijding van haar partner naar een ander gezin. Niet elke vervolgstudie repliceert de omvang van dit verschil even sterk, en critici als Christine Harris wezen er terecht op dat meetmethode en culturele context uitmaken, maar het patroon is te vaak teruggevonden om als toeval af te doen.
Met andere woorden, het verlangen naar nieuwigheid en de drang tot gehechtheid en bewaking zijn geen twee losse verschijnselen waarvan er een “echt” en een “cultureel” is. Beide zijn even oud, even biologisch, en staan in permanente spanning. Cultuur, huwelijk, religie, sociale controle, zijn geen kunstmatige onderdrukkers van een natuurlijke vrijheid, zoals Ryan en Jethá soms suggereren. Ze zijn precies het gewicht dat een van de twee natuurlijke krachten helpt winnen van de andere, in een systeem dat zonder dat gewicht evenveel kanten op zou kunnen.
IX
Wat betekent dit voor de toekomst, want stilstaan bij de oorsprong van een drift is aardig maar niet genoeg. Drie ontwikkelingen zijn de moeite waard om in de gaten te houden. Ten eerste destigmatiseren dating-apps en de groeiende zichtbaarheid van consensuele non-monogamie, polyamorie, ethisch non-monogame afspraken, het idee dat er maar één legitieme relatievorm bestaat. Dat verandert niets aan de onderliggende biologie, maar het verandert wel wie zich schuldig hoeft te voelen over welk verlangen, en dat is sociaal gezien geen kleinigheid. Ten tweede maken apps zelf een permanente markt van romantische alternatieven zichtbaar op een schaal die evolutionair ongekend is: waar een dorpeling vroeger hooguit tientallen potentiële partners kende, ziet een gemiddelde stedeling er per maand honderden voorbijkomen op een scherm. Het Coolidge-effect hoeft niet meer te wachten op toeval, het wordt continu getriggerd door een schermveeg, en dat zet elke langdurige relatie onder een chemische druk die onze voorouders nooit hebben gekend. Diezelfde markt blijkt daarnaast schrijnend ongelijk verdeeld. Analyses van Tinder-data laten een Gini-coëfficiënt voor mannelijke aantrekkelijkheid zien van rond de 0,58, ongelijker dan vrijwel elke nationale economie ter wereld, waarbij de onderste tachtig procent van de mannen concurreert om de onderste twee procent van de vrouwen en de bovenste twintig procent van de mannen het gros van de aandacht wegkaapt. Miller zou dat geen verrassing vinden: een digitale lek waarin de baltsdans is gereduceerd tot een foto en een biotekst versterkt het pauwenstaarteffect eerder dan dat het het afzwakt. Ten derde zal gedragswetenschap zelf, met beeldvormend hersenonderzoek en betere longitudinale data, waarschijnlijk een genuanceerder beeld opleveren dan zowel het polyamore optimisme van Ryan en Jethá als het strikte monogamie-ideaal van de traditionele moraal. Vermoedelijk komt daar iets uit wat allang bekend voelt aan iedereen die eerlijk naar zichzelf kijkt: mensen zijn tot van alles in staat, de context bepaalt voor een groot deel welk deel van dat repertoire wordt aangesproken, en wie zijn context slim inricht, weinig alcohol, weinig afzondering, weinig verveling, weinig anonimiteit, wint het gevecht met zijn eigen dopamine vaker dan wie zijn context aan het toeval overlaat.
Bescheidenheid is hier wel op zijn plaats, en die geldt voor het hele vakgebied waar dit essay op leunt. De evolutionaire psychologie heeft, net als grote delen van de sociale psychologie, te kampen gehad met een repliceerbaarheidscrisis: sommige klassieke bevindingen bleken bij herhaling zwakker of afwezig, steekproeven waren vaak westers, hoogopgeleid en verrassend homogeen, en niet elke elegante evolutionaire verklaring achteraf is ook een bewezenverklaring vooraf. Dat is geen reden om het hele project te verwerpen, zoals sommige criticasters graag doen zodra een enkele studie sneuvelt, maar het is wel reden om elke stellige uitspraak in dit essay, inclusief die van mijzelf, met een korreltje wetenschappelijke argwaan te lezen. Wie zekerheid zoekt over de menselijke natuur, zoekt op de verkeerde plek.
X
Dus toch nog een antwoord op de oorspronkelijke vraag. Is het moeilijk om seksuele aantrekkingskracht te weerstaan? Ja, en de reden daarvoor is geruststellend noch beschamend, hij is gewoon biologisch. Het systeem dat je moet gebruiken om weerstand te bieden, namelijk je prefrontale cortex, je zelfbeeld, je sociale contract, is jonger, zwakker en makkelijker uit te schakelen dan het systeem dat de aantrekking genereert. Zet er alcohol, afzondering, schaarste en verveling bij en de uitkomst is niet zozeer een keuze als wel een resultante van krachten.
Dat betekent niet dat mensen geen verantwoordelijkheid dragen voor wat ze op zo’n eiland doen, of daarbuiten. Het betekent wel dat het kijken naar de huilende gezichten met een soort morele voldoening, alsof wijzelf natuurlijk anders zouden hebben gehandeld, een vorm van zelfbedrog is die minstens zo interessant is als het gedrag op het scherm zelf.
Er zit trouwens een aardige wraak in de manier waarop de media daarna over de nasleep berichten. De man die zwichtte wordt weggezet als player, de vrouw die zwichtte krijgt vrijwel altijd een zwaardere morele veroordeling in tabloids en op sociale media, precies het patroon dat je zou verwachten van een soort waarbij vaderschapszekerheid en moederschapszekerheid nooit gelijk zijn geweest. De verontwaardiging voelt eigentijds, het patroon erachter is stokoud.
De volgende keer dat er weer een seizoen begint, met precies dezelfde ingrediënten en precies dezelfde tranen, is de vraag niet waarom de deelnemers zwichten. De vraag is waarom een cultuur die haarfijn weet hoe die machine werkt, hem elk jaar opnieuw enthousiast aanzet, en waarom zij, de kijker, daar zelf nog nooit een avond geen deel van heeft willen uitmaken.
Literatuurlijst
Baker, R.R. & Bellis, M.A. (1995). Human Sperm Competition: Copulation, Masturbation and Infidelity. Chapman & Hall.
Buss, D.M. (1994). The Evolution of Desire: Strategies of Human Mating. Basic Books.
Buss, D.M., Larsen, R.J., Westen, D. & Semmelroth, J. (1992). Sex differences in jealousy: Evolution, physiology, and psychology. Psychological Science, 3(4), 251-255.
Buss, D.M. (2018). Sexual and emotional infidelity: Evolved gender differences in jealousy prove robust and replicable. Perspectives on Psychological Science, 13(2), 155-160.
Fisher, H. (1992). Anatomy of Love: A Natural History of Mating, Marriage, and Why We Stray. Norton.
Fisher, H. (2004). Why We Love: The Nature and Chemistry of Romantic Love. Henry Holt.
Foucault, M. (1975). Surveiller et punir: Naissance de la prison. Gallimard.
Foucault, M. (1976). Histoire de la sexualité I: La volonté de savoir. Gallimard.
Foucault, M. (1984). Histoire de la sexualité II: L’usage des plaisirs. Gallimard.
Foucault, M. (1984). Histoire de la sexualité III: Le souci de soi. Gallimard.
Harcourt, A.H., Harvey, P.H., Larson, S.G. & Short, R.V. (1981). Testis weight, body weight and breeding system in primates. Nature, 293, 55-57.
Hrdy, S.B. (2009). Mothers and Others: The Evolutionary Origins of Mutual Understanding. Belknap Press.
Marlowe, F.W. (2003). The mating system of foragers in the standard cross-cultural sample. Cross-Cultural Research, 37(3), 282-306.
Miller, G. (2000). The Mating Mind: How Sexual Choice Shaped the Evolution of Human Nature. Doubleday.
Perel, E. (2006). Mating in Captivity: Unlocking Erotic Intelligence. HarperCollins.
Perel, E. (2017). The State of Affairs: Rethinking Infidelity. Harper.
Ryan, C. & Jethá, C. (2010). Sex at Dawn: The Prehistoric Origins of Modern Sexuality. Harper.
Saxon, L. (2012). Sex at Dusk: Lifting the Shiny Wrapping from Sex at Dawn. CreateSpace.
Trivers, R.L. (1972). Parental investment and sexual selection. In B. Campbell (red.), Sexual Selection and the Descent of Man, 1871-1971 (pp. 136-179). Aldine.
Walum, H., Westberg, L., Henningsson, S. e.a. (2008). Genetic variation in the vasopressin receptor 1a gene (AVPR1A) associates with pair-bonding behavior in humans. Proceedings of the National Academy of Sciences, 105(37), 14153-14156.
Wright, R. (1994). The Moral Animal: Why We Are the Way We Are. Pantheon.
Zahavi, A. (1975). Mate selection: A selection for a handicap. Journal of Theoretical Biology, 53(1), 205-214.
