Beste lezer,
Een essay over de beruchtste zin die een latere president ooit in een bus uitsprak, en over de vraag waarom die zin zo weinig met genot te maken heeft.
In het kort. Bij een eerste ontmoeting beslist ons brein in een fractie van een seconde twee dingen: is dit veilig, en is dit neukbaar. Dat oude systeem draait nog steeds, alleen staan er tussen oordeel en hand nu regels, instemming en camera’s. Wat opwindt is zelden de aanraking zelf; het is de beschikking over een ander. Macht haalt de rem eraf, zoals bij een puber, maar dan met een creditcard. Bijna iedere man heeft dezelfde aandrang en de meesten doen er niets mee: de biologie levert de munitie, de omgeving haalt de trekker over. De zin ging niet over lust, maar over toestemming die al was gekocht. Een maand nadat de opname uitlekte, won hij de verkiezingen.
Wie zich hier niet had aangepast, mag u zelf invullen.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Krepdembaajdepoesie
Het is 2005. Een man van negenenvijftig zit in een bus op weg naar een opname van een amusementsprogramma. Hij praat met de presentator over vrouwen. Hij zegt dat hij ze gewoon begint te kussen, dat hij niet eens wacht. En dan de zin die elf jaar later de wereld over gaat: als je een ster bent, laten ze je begaan. Je kunt alles doen. Krepdembaajdepoesie.
Niemand in de bus denkt aan de microfoon op zijn revers.
In die ene zin zit alles, en hij verklaart niets. Er zit een hand in, er zit een ander lichaam in, en er zit een voorwaarde in die bijna iedereen overhoort: laten ze je begaan. Wie de zin wil begrijpen, moet hem uit elkaar halen zoals je een motor uit elkaar haalt. Niet om te beslissen of de motor deugt. Om te zien wat hem laat lopen.
Twee knoppen
Een eerste ontmoeting duurt korter dan je denkt. Laat iemand een gezicht een tiende van een seconde zien en het oordeel over betrouwbaarheid en dreiging ligt er al. Langer kijken verandert het oordeel nauwelijks; het maakt je er alleen zekerder van.
Onze voorouders hadden aan die snelheid genoeg. Bij een vreemde op het pad liepen twee kanalen tegelijk, lang voordat er een woord aan te pas kwam. Het eerste: is dit veilig? Het tweede: is dit neukbaar? Het eerste gaat voor, om de eenvoudige reden dat wie het tweede laat voorgaan zelden oud genoeg wordt om er spijt van te hebben. Steen werpen of dichterbij komen. De meeste ontmoetingen eindigden overigens in geen van beide, maar in een blik en doorlopen. Ook dat is een uitkomst van de rekensom.
Wat het tweede kanaal laat aanslaan, is voor een groot deel de beperkte kosten. Een gezicht dat makkelijk te verwerken is, symmetrisch, gemiddeld, vertrouwd, voelt prettig omdat het brein er weinig energie in hoeft te steken. Schoonheid is voor een flink deel een korting op rekenwerk. De eerste indruk is een boekhouder, geen dichter.
Wat verwarrend werd
Die boekhouder draait nog steeds, op dezelfde snelheid, met dezelfde twee knoppen. Veranderd is wat er na de knop mag gebeuren. Tussen het oordeel en de hand staan nu wetten, afspraken, instemming, collega’s, telefoons met camera’s en een hele taal over grenzen. Het organisme merkt daar niets van. Het levert zijn uitkomst in een tiende seconde af; de rest van de avond is het brein bezig die uitkomst in te pakken in iets wat in deze eeuw toonbaar is.
Dat is wat verwarrend werd. Het signaal is hetzelfde gebleven; de ontvangst niet.
De hand die niets beleeft
Een paar essays terug schreef ik over de hand in het broekje. Ik bedoelde een hand die er met instemming zit, van beide kanten, en die er lang blijft. Welk plezier beleeft die hand anders dan vermoeidheid en verkramping?
Geen. Dat is het punt. Een hand die een rug krabt en een hand die een intieme plek aanraakt, voelen voor de hand ongeveer hetzelfde: huid, warmte, wat textuur. Toch is het eerste een dienst en het tweede een gebeurtenis. De opwinding zit niet in de vingertoppen. Ze zit in de beschikking: over een ander, over een moment, over wat er misschien nog komt.
De hersenen maken dat onderscheid zelf ook. Willen en genieten zijn twee gescheiden systemen. Het ene draait op dopamine en jaagt; het andere draait op het eigen opium van het lichaam en proeft. Het jagen kan doorgaan terwijl het proeven allang is gestopt. Dat verklaart de verslaafde die zijn middel nog wil zonder er iets aan te beleven, en het verklaart de hand die in het broekje blijft zitten terwijl er aan de hand zelf niets meer te halen valt.
Lees de zin uit de bus nog eens met dat in je achterhoofd. Er staat niets over genot in. Er staat in dat hij niet wacht, dat hij alles kan doen, dat ze hem laten begaan. Het gaat over toegang. Over beschikking zonder onderhandeling. Het genot, als het er al is, is bijzaak; de begeerte is een begeerte naar ongestoord willen.
Laten ze je begaan
En dan de voorwaarde, het stukje dat iedereen overslaat omdat het vierde woord zo luid is.
Macht doet iets meetbaars met gedrag. Wie macht heeft, of zich machtig voelt, gaat sneller op dingen af en remt minder. Hij kijkt minder naar wat de ander doet, onderbreekt vaker, pakt het laatste koekje, zegt wat er in hem opkomt. Het remsysteem wordt niet uitgezet. Het krijgt gewoon minder werk, omdat de omgeving het werk heeft overgenomen: er is altijd iemand die opruimt, sust, betaalt of zwijgt.
Leg daar het brein van een puber naast. De delen die remmen, afwegen en vooruitkijken, rijpen pas halverwege de twintig. Dat is geen ontwerpfout. In een leeftijd waarin risico nemen status, partners en een plek in de groep oplevert, loont een brein dat eerst springt en dan kijkt. De vertraging is afgestemd op een wereld waarin een jongeman van zeventien geen hypotheek had en wel rivalen.
De man in de bus was negenenvijftig. Zijn prefrontale schors was allang uitgerijpt. Maar de omgeving had hem teruggezet in de toestand van een zeventienjarige: alle aandrang, geen rem, en iemand anders die de rekening betaalt. Macht is puberteit met een creditcard.
Dezelfde hardware zit in vrijwel elke man. Dezelfde twee knoppen, hetzelfde jagende systeem, hetzelfde snelle oordeel. De overgrote meerderheid zegt en doet nooit wat in de bus gezegd wordt. Het organisme levert de munitie; de context haalt de trekker over, of niet. Wie dit verklaart, spreekt niemand vrij en klaagt niemand aan. Hij kijkt alleen waar de trekker zit.
Sterven aan aanpassing
De meeste mensen die niet door een ongeluk of een infectie worden weggehaald, sterven aan een lichaam dat is gebouwd voor een wereld die er niet meer is. Suiker was schaars en ligt nu overal. Stilzitten dat vroeger rust heette en nu een levensstijl is. Suikerziekte, hart en vaten, een flink deel van wat ons uiteindelijk velt: het organisme doet wat het altijd deed, in een omgeving die dat niet meer beloont.
Een individu past zich niet aan. Het heeft wat het heeft, en het loopt daarmee tot het ophoudt. Aanpassen is iets wat een populatie doet, en de methode is weinig verfijnd: wie niet past, valt af. Wie niet past en sterft, is geen bedrijfsongeval van de evolutie maar haar werkwijze.
Dus had de man in de bus zich moeten verslikken in zijn eigen zin. Een oude uitkomst, uitgesproken in de eeuw van de microfoon. Het fossiel stond op tape.
Op 7 oktober 2016 werd de opname openbaar. Op 8 november won hij de verkiezingen.
Wie zich hier niet had aangepast, is nog steeds de vraag.
Literatuur
Berridge, K.C. & Robinson, T.E. (1998). What is the role of dopamine in reward: hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28(3), 309-369.
Ellis, B.J. e.a. (2012). The evolutionary basis of risky adolescent behavior: Implications for science, policy, and practice. Developmental Psychology, 48(3), 598-623.
Keltner, D., Gruenfeld, D.H. & Anderson, C. (2003). Power, approach, and inhibition. Psychological Review, 110(2), 265-284.
Lieberman, D.E. (2013). The Story of the Human Body: Evolution, Health, and Disease. New York: Pantheon.
Reber, R., Schwarz, N. & Winkielman, P. (2004). Processing fluency and aesthetic pleasure: Is beauty in the perceiver’s processing experience? Personality and Social Psychology Review, 8(4), 364-382.
Steinberg, L. (2008). A social neuroscience perspective on adolescent risk-taking. Developmental Review, 28(1), 78-106.
Todorov, A. & Willis, J. (2006). First impressions: Making up your mind after a 100-ms exposure to a face. Psychological Science, 17(7), 592-598.
