Beste lezer,
Een columniste noemde ouderen onlangs weer “dor hout” en deelt Nederland in tussen wie uit de ruif vreet en wie ervoor betaalt. Ik ergerde me, tot ik mijn eigen handschrift herkende.
In het kort. Veertig jaar geleden verdeelde ik mijn sportvereniging in betalers, doeners en profiteurs, en die laatsten moesten eruit. In een zaal waar iedereen elkaar kent, werkt dat. In een land van achttien miljoen vervangt het formulier de blik, en groeit een apparaat dat zich als baas gaat gedragen. Wie een mensenleven als momentopname bekijkt, kan iedereen tot profiteur verklaren, ook een baby. En de overwaarde van de oudere huizenbezitter is evenmin verdiend loon; het is gesubsidieerd geluk.
De conclusie: gemeenschap ontstaat niet door klein te wonen, wel door elkaar nodig te hebben, en een bos zonder dood hout is een houtakker. Tel eens hoeveel mensen er zonder jou niet kunnen trainen.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Dor hout
Veertig jaar geleden zat ik aan de keukentafel met een schrijfblok en de vraag wat een vereniging eigenlijk is. Er kwam een model uit dat ik nog altijd kan ophoesten. Een gemeenschap van mensen die elkaar kennen en een belang delen. Geen winst, geen groei. Drie soorten deelnemers: zij die betalen, zij die de handen uit de mouwen steken, en zij die van beide profiteren zonder iets bij te dragen. Die laatste groep hoorde buiten de deur.
Het model werkte. Het werkt nog steeds. Wie op een dinsdagavond de mat niet opruimt, merkt dat aan de blikken, niet aan een reglement. Een controleur is overbodig als iedereen kan zien wie de dweil vasthoudt.
Jarenlang dacht ik dat je het kon opschalen. Een land als een grote vereniging. Dat blijkt een vergissing, en de vergissing zit in het eerste zinnetje: mensen die elkaar kennen.
Het brein telt tot honderdvijftig
Een mens houdt ongeveer honderdvijftig gezichten met een voorgeschiedenis bij. Daarboven houdt reputatie op te werken. In een zaal van veertig weet iedereen wie er alleen komt om te douchen. In een land van achttien miljoen weet niemand iets, en dan neemt het formulier de plaats in van de blik. Elk formulier is een litteken van iemand die ooit vals speelde, of van wie men vreesde dat hij het zou doen.
Daar ontstaat er een bestuurlijke laag waarover iedereen klaagt. Ik heb lang gedacht dat het groeidenken haar voedde. Dat is een deel van het verhaal. Groei is de motor; schaal is de crash. Hoe groter het geheel, hoe minder mensen elkaar kennen, hoe meer wantrouwen in regels gegoten moet worden, en hoe meer mensen er nodig zijn om die regels te handhaven. De marktwerking die de bureaucratie zou wegsnijden, bracht er in de zorg juist meer van: naast elke verpleegkundige iemand die haar minuten telt.
En de werkende mens? Die wordt voor de staat een reeks getallen: burgerservicenummer, inkomen, postcode, risicoscore. Kwade trouw is daar niet voor nodig. Iets van die omvang kan mensen alleen zien door ze meetbaar te maken. Het gevaar begint wanneer het meetbare het enige wordt dat telt. Een algoritme dat gezinnen met een tweede nationaliteit als verdacht markeerde, heeft laten zien waar dat eindigt.
Wie is de parasiet?
Mijn model had een gat dat ik pas zag toen iemand anders het gebruikte. Een columniste deelt de samenleving in tussen hen die uit de ruif vreten en hen die ervoor betalen. Ouderen noemt ze dor hout. Ik voelde de woede opkomen, en kort daarna het ongemak: dit is mijn derde categorie, in krantentaal.
Het verschil zit in de schaal. Een club kiest haar leden. Een samenleving kan haar zuigelingen, haar zieken en haar oudsten niet weigeren. Ieder mens begint aan de ruif, betaalt veertig jaar, en eindigt er weer. Wie een leven in een momentopname bekijkt, kan iedereen tot parasiet verklaren, ook een baby van drie maanden. Mijn model miste een vierde categorie: de afhankelijken. Daar zitten we allemaal twee keer in.
De landen die profiteurs wél buiten de deur wilden zetten, bieden weinig troost. De Sovjet-Unie had een wet tegen sociaal parasitisme en veroordeelde er een dichter mee, omdat gedichten schrijven geen werk was. Ruim twintig jaar later kreeg hij de Nobelprijs. Wie het etiket uitdeelt, plakt het ook zelden naar boven. De meelifter met een uitkering kost een paar duizend euro. De meelifter met een fiscalist en een brievenbus kost miljoenen en doet niets wat verboden is.
Geluk met korting
Dan de huizen. De generatie die nu met pensioen is, zag haar woning in waarde verdrievoudigen, en dat wordt haar verweten. Mijn eerste reactie: waarom wordt winst achteraf veroordeeld, terwijl je over verlies niemand hoort? Ik hoorde Nietzsche in de verte, die de moraal van de zwakken ontmaskerde als afgunst in een net pak.
Die reactie klopt maar half. Verlies wordt wel gedeeld, alleen stiller. Door de renteaftrek betaalt de staat al decennia mee aan de hypotheek. In 2008 werden banken met belastinggeld overeind gehouden. Wie onder water stond, kon vaak terugvallen op een garantie. Die waardestijging was evenmin neutraal geluk, zoals een lot uit de loterij. Ze werd mede gemaakt door beleid: lage rente, fiscaal voordeel, te weinig bouwen. Gesubsidieerd geluk, betaald door wie nu geen huis kan vinden.
“Wij hebben er hard voor gewerkt” gaat voor het pensioen op. Voor de verdrievoudiging van een rijtjeshuis heeft niemand een uur overgewerkt. Wie die meevaller achteraf een moreel verhaal meegeeft, doet precies wat Nietzsche de zwakken verweet, alleen van bovenaf.
Eerlijkheid is evenmin een uitvinding van priesters. Een aap die voor hetzelfde werk een stuk komkommer krijgt terwijl zijn buurman een druif ontvangt, gooit de komkommer terug naar de onderzoeker. Mensen in afgelegen dorpen nemen liever niets dan een oneerlijk bod. Het eerlijkheidsgevoel is het afweersysteem waarmee een groep zich tegen profiteurs beschermt, en het is precies het mechanisme waarop mijn eigen model draait. Ik kan het niet gebruiken om de free-loader uit mijn zaal te zetten en het daarna vervuiling noemen zodra iemand mijn buurman over zijn overwaarde aanspreekt.
Wat ik wel zie: op grote schaal vraagt eerlijkheid om een scheidsrechter. In een groep van veertig regel je het met een blik of een grap op de mat. Bij achttien miljoen bouw je er een apparaat voor. Dat apparaat gaat zich als baas gedragen, en dan vragen we ons af wie het die positie gaf. Wij, toen we om eerlijkheid vroegen in een groep die te groot was om het zelf te regelen.
Het immuunsysteem
Een gastheer roeit zijn parasieten zelden helemaal uit. Opsporen en verdrijven kost meer dan de parasiet vreet. Een immuunsysteem dat te fanatiek jaagt, valt het eigen weefsel aan. Een gezonde gemeenschap kent dus geen nultolerantie; ze waarschuwt eerst, beboet daarna, en zet pas aan het eind iemand op straat. Mijn model van veertig jaar geleden sloeg die tussenstappen over. In een zaal kan dat. Op landsniveau heet het een auto-immuunziekte.
Het hooi
Kleinschaligheid blijft het tegengif tegen onverschilligheid. Een wereld die niet terugpraat, vervreemdt. Een kring van mensen die je kennen, praat terug, soms meer dan je lief is.
Toch mist er iets. Kleinschaligheid valt niet van bovenaf in te voeren; een overheid die haar organiseert, heeft er een directoraat voor nodig, en dan staat de kaste weer in de deuropening. En klein wonen maakt mensen nog niet hecht. Het dorp van 1950 was hecht omdat je zonder je buren het hooi niet binnenkreeg. Het was ook verstikkend: iedereen wist wie er zondag niet in de kerk zat. Welvaart maakte de buurman overbodig en liet het individu vrij, in één en dezelfde beweging. Soldaten die thuiskomen, missen de oorlog. Het geweld missen ze niet; ze missen het gevoel dat iemand zonder hen niet overleeft. Na een overstroming ontstaat binnen een dag een gemeenschap die verdwijnt zodra het water zakt.
Onverschilligheid is een luxeproduct. Kleinschaligheid zonder onderlinge afhankelijkheid is een hobbyclub met koffie. Op de mat weet iedereen het allang: wie geen sparringpartner heeft, kan niet trainen.
Dor hout
De columniste koos haar beeld slecht. Dood hout is in een bos geen afval. Een groot deel van de bossoorten leeft ervan: kevers, zwammen, mossen, spechten. Bosbeheerders die het decennialang opruimden, kregen arme, zieke bossen. Nu laten ze het liggen.
Een bos zonder dor hout is een houtakker.
Literatuur
Brosnan, S. & de Waal, F. (2003). Monkeys reject unequal pay. Nature 425.
Dunbar, R. (2010). How Many Friends Does One Person Need? Faber & Faber.
Graeber, D. (2015). The Utopia of Rules. Melville House.
Henrich, J. e.a. (2005). “Economic man” in cross-cultural perspective. Behavioral and Brain Sciences 28.
Junger, S. (2016). Tribe: On Homecoming and Belonging. Twelve.
Kohr, L. (1957). The Breakdown of Nations. Routledge.
Nietzsche, F. (1887). Zur Genealogie der Moral.
Olson, M. (1982). The Rise and Decline of Nations. Yale University Press.
Ostrom, E. (1990). Governing the Commons. Cambridge University Press.
Rosa, H. (2016). Resonanz. Suhrkamp.
Scott, J.C. (1998). Seeing Like a State. Yale University Press.
Solnit, R. (2009). A Paradise Built in Hell. Viking.
Stokland, J., Siitonen, J. & Jonsson, B.G. (2012). Biodiversity in Dead Wood. Cambridge University Press.
