De prijs van de voorstelling

De prijs van de voorstelling

Beste lezer,

Vraag een man wat hij doet als er om twee uur ’s nachts iemand met een mes op hem afkomt, en hij vertelt je met overtuiging een verhaal waarin het goed afloopt.

In het kort. Dat verhaal bedenken we in een rustige stoel, en in een rustige stoel kan niemand voelen wat zijn lichaam onder doodsangst gaat doen. Wat dat lichaam doet, is inmiddels goed onderzocht: de aandacht vernauwt tot een koker, de pijn verdwijnt, het nadenken wordt afgeknepen, en er komt alleen uit wat het diepst is ingesleten, wat zelden de training is. Onderzoek onder politiemensen laat zien dat ook de beslissingen kantelen, en dat jarenlange vechtsportervaring daar niet tegen beschermt. Zelfs de beroemde vertraagde tijd blijkt een herinnering achteraf en geen scherpere waarneming. Het onderzoek heeft één zwakke plek, want echte doodsangst laat zich in een laboratorium niet namaken.

Wie zich op het ergste voorbereidt met een verhaal over zichzelf, bereidt de verkeerde man voor.

Vertel me wat jij zou doen, dan vertel ik je wat je nooit hebt geoefend.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.

 

De prijs van de voorstelling

Wat het lichaam besluit zonder jou te raadplegen

Vraag een willekeurige man wat hij zou doen als er om twee uur ’s nachts iemand met een mes op hem afkomt, en je krijgt een verhaal. Een kort, helder verhaal, met hemzelf als hoofdpersoon, en met een einde dat goed uitpakt. Hij weet welke hand hij gebruikt, hij weet dat hij rustig blijft, hij weet dat hij daarna de politie belt. Vraag hem hoe hij aan die kennis komt en het antwoord blijft leeg, want het is geen kennis. Het is een repetitie in een lege zaal, met hemzelf als regisseur, publiek en criticus.

Dat verhaal is systematisch fout. En het is fout in één richting, altijd dezelfde, en die richting kost mensen hun gezondheid.

De repetitie

De psycholoog George Loewenstein gaf het probleem een naam: de hot-cold empathy gap. Wie zich in een koele, rustige toestand bevindt, kan de kracht van een lichamelijke drijfveer niet nabootsen, en, erger, hij weet niet dat hij dat niet kan. Loewenstein beschreef het in 2005 voor medische beslissingen, en samen met Sayette toonde hij het in 2008 met rokers, die hun eigen hunkering keurig konden inschatten zolang ze niet hoefden te roken. Zodra ze wel snakten, bleek de eerdere schatting een verzinsel. Wij zijn slechte profeten van onze eigen lijfelijkheid.

Loran Nordgren en zijn Amsterdamse collega’s legden er in 2009 de tweede helft op: de restraint bias. Wie zichzelf veel zelfbeheersing toedicht, begeeft zich juist in de omstandigheden waarin die beheersing bezwijkt. De overmoed is dus geen onschuldige denkfout, maar een mechanisme dat mensen naar de plek brengt waar ze de rekening krijgen.

Waarom voelt het verhaal dan zo betrouwbaar? Omdat het vlot gaat. Vlotheid is de maat waarmee wij onze eigen kennis meten, zoals Alter en Oppenheimer hebben laten zien. Een gedachte die soepel loopt, voelt als waarheid. Een handeling die je duizend keer op de mat hebt gedaan, voelt als kunnen.

In de sportschool ken je de afstand, de vloer, de partner, het startsignaal en de aanval. Je weet dat niemand echt kapotgaat, en je tegenstander weet dat je het weet. Alle onzekerheid die het echte geval definieert is weggeknipt, en wat overblijft repeteer je tot in je gewrichten. Vijftig jaar oefenen op een situatie die niet bestaat, en het gevoel van vaardigheid groeit met elk jaar. “Mijn handen zijn dodelijke wapens” was in de jaren zestig al een verkooppraatje, en het verkoopt nog steeds uitstekend, om de eenvoudige reden dat de koper zijn aankoop nooit hoeft te testen.

Het begint voordat je weet dat het begint

Het eerste dat anders gaat dan gedacht is niet de techniek, het is het opmerken.

Wat je lichaam doet, hangt niet af van jouw plan maar van de geschatte afstand tot het gevaar. Dieronderzoekers als Michael Fanselow en de Blanchards brachten dat in kaart: verdediging werkt in trappen, en welke trap aangaat wordt bepaald door nabijheid. Dean Mobbs liet in 2007 in Science zien hoe dat bij mensen werkt. Bij dreiging op afstand zijn vooral de voorste hersengebieden actief, de gebieden waar je afweegt en plant. Komt het gevaar dichterbij, dan verschuift de regie naar een oude structuur in de middenhersenen, een structuur die geen plannen kent en er ook niet naar vraagt. Dat is de neurologische versie van het verdampen van je voornemen. De instantie die het plan bewaarde, geeft het stuur over aan een instantie die niet kan lezen.

En daarvoor komt nog iets anders: bevriezen. Karin Roelofs van de Radboud Universiteit heeft dat uitgezocht en het is geen verlamming van angst. Het is een korte, functionele stilstand, met een vertraging van de hartslag en een scherpere waarneming, waarin het lichaam informatie verzamelt en zich klaarzet. Roelofs noemt het aandachtige onbeweeglijkheid, en beschreef het in 2022 met Peter Dayan als een goed georganiseerd systeem in plaats van een kortsluiting. Functioneel, dus, en precies daarom vervelend: die stilstand duurt een halve tot enkele seconden, en dat is bij een aanval van dichtbij het venster waarin je geraakt wordt. Je tegenstander bevriest niet. Hij weet al dat het begonnen is; hij begon het.

Daar ligt de scheve verhouding die geen enkele zelfverdedigingsbrochure vermeldt. Handelen is sneller dan reageren. Reageren op iets wat je verwacht duurt ongeveer twee tienden van een seconde, en elke extra keuzemogelijkheid maakt het langzamer. Wie zelf begint, betaalt die rekening niet. In politiekringen circuleert een grove maar nuttige vuistregel: een man met een mes overbrugt zes en een halve meter in ongeveer anderhalve seconde. Bedenk in die tijd eens iets.

Wat er door je heen gaat, letterlijk

“Een adrenalinestoot” is een volksverhaal van één woord. Er lopen twee systemen, op twee verschillende klokken.

Het eerste vuurt in seconden. Noradrenaline uit de zenuwuiteinden, adrenaline uit het bijniermerg. Hart sneller en krachtiger, luchtwegen open, brandstof uit de lever het bloed in, pupillen wijd, bloedvaten in huid en darm dicht en die in de spieren open. Die dichte bloedvaten zijn geen bijverschijnsel maar voorbereiding op verwonding: minder bloedverlies aan de buitenkant, en het stollingssysteem draait alvast op. Vandaar de bleke huid, het klamme zweet en die koude, vreemde handen die van iemand anders lijken te zijn.

Het tweede systeem is langzamer. Via de hypofyse komt cortisol vrij, met een piek na een kwartier tot een half uur. Cortisol regelt het gevecht niet, het regelt de nasleep en het geheugen. Het versterkt de vastlegging van wat er gebeurde en belemmert het ophalen van wat je al wist. Vandaar de combinatie die overlevenden zo vaak melden: tijdens het voorval kwam er niets boven, en jaren later staat het er nog in gebrand.

Ondertussen dempt het lichaam de pijn met eigen opiaten. Dat is bij mensen aangetoond, onder meer door Willer en collega’s in Science in 1981, en het effect is deels op te heffen met een tegenmiddel voor morfine, wat aantoont welk systeem er aan het werk is. Mensen merken een steekwond niet. Ze lopen door met een gebroken hand en ontdekken de schade pas in de auto naar huis. Nuttig om het gevecht af te maken, ronduit rampzalig voor het inschatten van je eigen toestand.

De ademhaling ontspoort ook. Te snel en te diep ademen verlaagt het koolzuurgehalte in het bloed, waardoor de bloedvaten in de hersenen vernauwen. Gevolg: licht in het hoofd, tintelende vingers en mondhoeken, bij extremen krampende handen. Veel mensen denken dat ze buiten adem zijn van inspanning, terwijl ze het van angst zijn. En dan de kringspieren, die zich ontspannen op een moment dat niemand daarom vroeg. In geen enkel promotiefilmpje van een sportschool zie je iemand in zijn broek schijten. In de verklaringen van mensen die er echt zijn geweest staat het wel.

Je ziet minder dan je denkt, en de tijd gaat niet langzamer

De aandacht vernauwt. James Easterbrook formuleerde dat al in 1959: bij hoge opwinding gebruikt een mens minder signalen uit zijn omgeving, en dat gaat goed zolang alleen de onbelangrijke signalen wegvallen. Elizabeth Loftus liet zien wat er dan gebeurt bij een overval: getuigen onthouden het pistool en niet het gezicht. Simons en Chabris demonstreerden in het laboratorium hoe grondig mensen kunnen missen wat vlak voor hun ogen gebeurt, en in echte incidenten neemt dat groteske vormen aan. Getuigen die de tweede aanvaller niet hebben gezien. Agenten die hun eigen collega niet hebben geregistreerd.

Hier moet een misverstand de deur uit, want het staat in half de lesboeken van de vechtsport. Tunnelvisie zit niet in je ogen. Je randzicht blijft prima werken; wat er binnenkomt wordt alleen niet verwerkt, omdat de aandacht elders vastzit. Hetzelfde geldt voor het niet horen van schoten: je oren doen hun werk, je hersenen doen er niets mee. En de bewering dat wijde pupillen je scherpstelling om zeep helpen is verzonnen fysiologie.

Hoe vaak komt het voor? Vragenlijsten onder politiemensen na vuurgevechten geven percentages van vijftig tot tachtig procent voor vernauwd zicht en voor het wegvallen van geluid. Alexis Artwohl schreef dat in 1997 op, David Klinger in 2004, en de politie van Los Angeles heeft vergelijkbare cijfers. Dat is zwak materiaal, want het is achteraf gevraagd aan mensen met een belang bij hun eigen verhaal. Consistent genoeg om serieus te nemen, te wankel om als natuurwet te verkopen.

Dan de mooiste illusie van allemaal: bijna iedereen vertelt dat de tijd langzamer ging. David Eagleman heeft dat getest, met een methode die ik graag aan iedere instructeur cadeau doe. Hij liet mensen van een toren vallen, in een veilige vanginstallatie, met om hun arm een apparaatje dat cijfers net te snel liet flikkeren om normaal te kunnen lezen. Ging de waarneming echt sneller, dan hadden ze die cijfers moeten kunnen lezen. Dat konden ze niet. Ze schatten de duur van hun val wel ongeveer een derde te lang in. De conclusie, gepubliceerd in 2007: de vertraging is een reconstructie achteraf, gebouwd op de dichtheid van de herinnering, en geen verhoogde waarnemingssnelheid op het moment zelf. Je ziet niet meer. Je herinnert je alleen dat je meer zag, en op die herinnering bouw je je volgende voorstelling. De illusie repareert zichzelf, netjes, van binnenuit.

De chauffeur stapt uit

Nu het deel dat voor iedere trainer telt.

Onder de gecombineerde werking van cortisol en noradrenaline schuift het gedrag van doelgericht naar gewoonte. Lars Schwabe en Oliver Wolf hebben dat direct gemeten: mensen onder stress, en mensen die de stofjes kunstmatig kregen toegediend, stapten over op automatische reactiepatronen, en met een bètablokker bleef die verschuiving uit. Amy Arnsten beschreef de andere kant van dezelfde beweging: hoge concentraties van deze stoffen knijpen de voorste hersengebieden af, precies de gebieden waarin je nadenkt, terwijl de oudere, snellere circuits versterken.

De praktische betekenis is niet aangenaam. Er komt eruit wat het diepst is ingesleten, niet wat het beste past. En het diepst ingesleten is bij de meeste mensen niet hun training maar hun conflictgeschiedenis van vóór hun vijftiende: duwen, wegdraaien, het gezicht bedekken, de zwaaislag van een schooljongen.

Het Nederlandse onderzoek hierover is uitstekend en veel te weinig gelezen. Arne Nieuwenhuys en Raôul Oudejans bouwden een model van angst en bewegingsprestatie en toonden met politiemensen aan dat onder dreiging niet alleen de uitvoering slechter wordt, maar ook de beslissing kantelt: angstige agenten schieten vaker en sneller, ook op mensen die niet schieten. Pete Renden en Annemarie Landman legden er in 2015 een pijnlijk resultaat naast. Aanhoudingsvaardigheden storten in onder hoge angst, en agenten met jarenlange vechtsportervaring deden het niet systematisch beter. Jaren in de zaal leveren dus geen garantie. Het hangt af van waar en hoe je hebt geoefend.

Daar komt het verslikken bij, wat sportpsychologen choking noemen. Richard Masters en Sian Beilock hebben aangetoond dat mensen onder druk hun aandacht gaan richten op de onderdelen van een beweging die juist geautomatiseerd moeten zijn, en dat die aandacht de automatisering sloopt. Wie vijftig jaar heeft geleerd op zijn heup te letten, let onder dreiging op zijn heup en vergeet de man.

Bevriezen, vluchten, vechten, verstijven, omvallen

De tweedeling vechten of vluchten is een schoolboekfossiel. De psychiater Adam Bracha stelde in 2004 een reeks van vijf voor, en die volgorde houdt stand: eerst de stilstand, dan wegkomen, dan verdedigen als wegkomen niet lukt, dan het verstijven bij overweldigende dreiging van dichtbij, en bij een deel van de mensen het omvallen, met een hartslag die keldert en een bloeddruk die meegaat. Dat verstijven is geen lafheid en het is geen keuze. Het is een programma dat ouder is dan de zoogdieren en het gaat aan zonder jouw toestemming.

Wat er in mensenconflicten nog bij komt, is de sociale laag. De socioloog Randall Collins heeft in 2008 met video- en getuigenmateriaal iets aangetoond wat de hele industrie liever niet hoort: geweld is moeilijk. Hij noemt de normale toestand tussen twee mensen die op het punt staan te vechten confrontatiespanning en angst, en die spanning verklaart waarom echt geweld meestal mislukt, kort duurt en beroerd wordt uitgevoerd. Schutters missen op vijf meter. Mensen die “vechten” slaan nauwelijks. Ze grijpen. Handen open, vingers in de jas, in de kraag, om een arm, en dan trekken en duwen tot er iemand valt of tot iemand ertussen komt. Geen gerichte stoot met een gesloten vuist op een doel dat je hebt gezien, maar een houvast zoeken op het grootste en langzaamste dat in de buurt is, namelijk de kleding. Twee redenen daarvoor, en ze werken samen. De grijpbeweging is ouder en grover dan de slag; onder dreiging wint wat grof is. En grijpen doet iets wat slaan niet doet: het vermindert de onzekerheid. Je hebt de ander vast, dus je weet waar hij is, en zolang je hem vasthoudt kan hij minder onverwachts doen. Het is de motoriek van iemand die niet wil winnen maar wil dat het ophoudt. Het gaat pas goed los wanneer de spanning wordt omzeild, door overmacht of door afstand, en dan krijg je wat Collins voorwaartse paniek noemt: een groep die zich op iemand stort die zich al niet meer verweert. De kalme, technische afhandeling die in de zaal wordt geoefend, komt in zijn materiaal niet voor.

Daarna

Als het voorbij is, slaat het zenuwstelsel de andere kant op. Trillen, misselijkheid, overgeven, diarree, een moeheid als lood, soms een huilbui. Handig detail: die terugslag komt vaak op het moment dat er nog gehandeld moet worden.

En het geheugen levert brokstukken, in de verkeerde volgorde. In dossiers van vuurgevechten is het standaard: geen idee hoeveel schoten, geen herinnering aan het trekken van het wapen, volstrekte zekerheid over een afstand die niet klopt. Wat er vervolgens gebeurt, doet de mens vanzelf: hij vult de gaten en levert een verhaal met een begin, een midden en een eind. Dat verhaal wordt de basis voor de training van de volgende generatie. Zo plant de zelfverdedigingsliteratuur zich voort, netjes, met bronvermelding, op fictie.

Wat de branche verkoopt

Er hangt in vrijwel elke vechtsportschool ooit een hartslagkaart met zones: boven de 145 slagen per minuut verlies je je fijne motoriek, boven de 175 raak je in paniek. Dat plaatje komt van Bruce Siddle en Dave Grossman uit 1997 en heeft nooit een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing gekregen. Het logische gat zie je zelf in vijf seconden: fiets naar 180 slagen en strik daarna je schoen. Lukt prima. De hartslag is een gevolg van de dreigingsinschatting, geen oorzaak van het falen. De kaart werkt als een horoscoop voor instructeurs, specifiek genoeg om gezaghebbend te klinken en vaag genoeg om nooit te falen.

Grossman’s boek On Killing leunt op cijfers van S.L.A. Marshall over soldaten die in de Tweede Wereldoorlog niet zouden hebben gevuurd, en die cijfers zijn door historici als Roger Spiller en Robert Engen zo goed als zeker als verzonnen aangemerkt. Joanna Bourke zette in 1999 in An Intimate History of Killing een stapel tegenbewijs neer over mensen die het doden aangenaam vonden. De beroemde OODA-lus van John Boyd is een lesschema dat in cursussen als hersenwetenschap wordt verkocht. En het commerciële circuit dat zich op dit onderzoek heeft gestort, verdient zijn geld aan de dramatiek van zijn eigen bevindingen, wat geen weerlegging is en wel een reden om je rekenmachine bij je te houden.

Wat er dan wel helpt

Oefen in de omstandigheden waarin je het moet kunnen. Oudejans liet in 2008 zien dat schietvaardigheid die onder angst is geleerd, blijft werken onder angst, en dat vaardigheid die in rust is geleerd dat niet doet. De consequentie is onaangenaam voor de gezellige zaalcultuur: je moet ongemak, onzekerheid over het startmoment, pijn en gezichtsverlies binnenlaten, gedoseerd en opbouwend, anders leer je een kunstje met een adres waar het nooit wordt bezorgd.

Minder keuzes. Wanneer de gewoonte het stuur pakt, wint het kleine repertoire van grove bewegingen die ook vanuit een slechte positie werken. Een uitgebreid technisch programma is een verzameling opties voor een man die op dat moment geen opties kan overzien. Beslis je grenzen vooraf, want de instantie die tijdens het voorval zou moeten beslissen, is dan met andere zaken bezig. Langzaam uitademen verhoogt de rem op het hartritme en helpt in de aanloop en in de nasleep; wie er meer van verwacht, is aan het wensdenken.

Het belangrijkste onderricht is niet technisch. Het is mensen laten ondervinden dat hun voorstelling van zichzelf verzonnen is. Dat is het enige deel van de training dat de kloof tussen de koele en de hete toestand kleiner maakt, en het is het enige deel dat niemand wil kopen.

Twee gaten in mijn eigen betoog

Bijna al het onderzoek bij mensen gebruikt vervangingen voor levensgevaar: verfwapens, stroomstootjes, hoogte, een schermbril. Of die situaties zich gedragen als het echte werk, is een aanname en geen bevinding. En de verklaringen van mensen uit echte vuurgevechten zijn precies zo onbetrouwbaar als ik hierboven beweer, en ik gebruik ze toch. Dit vak leunt op twee krukken die elkaar overeind houden. Wie op grond hiervan grote zekerheden verkoopt, verkoopt dezelfde waar als de man die vertelde dat mijn handen dodelijke wapens zijn, nu met voetnoten.

Het lichaam heeft geen enkele belangstelling voor wat je van jezelf vindt. Het schakelt over op een programma van vóór de taal, en de held uit je verhaal blijft achter in de kleedkamer, opgevouwen bij je schone kleren.

 

Literatuur

Alter, A. & Oppenheimer, D. (2009). Uniting the tribes of fluency. Personality and Social Psychology Review.
Arnsten, A. (2009). Stress signalling pathways that impair prefrontal cortex structure and function. Nature Reviews Neuroscience.
Artwohl, A. & Christensen, L. (1997). Deadly Force Encounters.
Blanchard, D.C. & Blanchard, R.J. (1989). Antipredator defensive behaviors in a visible burrow system. Journal of Comparative Psychology.
Bourke, J. (1999). An Intimate History of Killing.
Bracha, H.S. (2004). Freeze, flight, fight, fright, faint. CNS Spectrums.
Butler, R. & Finn, D. (2009). Stress-induced analgesia. Progress in Neurobiology.
Collins, R. (2008). Violence: A Micro-sociological Theory.
Easterbrook, J.A. (1959). The effect of emotion on cue utilization. Psychological Review.
Engen, R. (2011). Canadians Under Fire.
Fanselow, M. & Lester, L. (1988). A functional behavioristic approach to aversively motivated behavior.
Klinger, D. (2004). Into the Kill Zone.
Loewenstein, G. (2005). Hot-cold empathy gaps and medical decision making. Health Psychology.
Loftus, E., Loftus, G. & Messo, J. (1987). Some facts about weapon focus. Law and Human Behavior.
Masters, R. & Maxwell, J. (2008). The theory of reinvestment. International Review of Sport and Exercise Psychology.
Miller, R. (2008). Meditations on Violence.
Mobbs, D. e.a. (2007). When fear is near. Science.
Nieuwenhuys, A. & Oudejans, R. (2012). Anxiety and perceptual-motor performance. Psychological Research.
Nieuwenhuys, A., Savelsbergh, G. & Oudejans, R. (2012). Shoot or don’t shoot? Emotion / Applied Cognitive Psychology.
Nordgren, L., van der Pligt, J. & van Harreveld, F. (2009). The restraint bias. Psychological Science.
Oudejans, R. (2008). Reality-based practice under pressure improves handgun shooting performance of police officers. Ergonomics.
Renden, P., Landman, A. e.a. (2015). Police arrest and self-defence skills: performance under anxiety. Ergonomics.
Roelofs, K. (2017). Freeze for action. Philosophical Transactions of the Royal Society B.
Roelofs, K. & Dayan, P. (2022). Freezing revisited. Nature Reviews Neuroscience.
Sayette, M. e.a. (2008). Exploring the cold-to-hot empathy gap in smokers. Psychological Science.
Schwabe, L. & Wolf, O. (2010, 2011). Stress en de verschuiving van doelgericht naar gewoontegedrag. Journal of Neuroscience.
Siddle, B. & Grossman, D. (1997). Effects of combat stress on performance. Cursusmateriaal.
Simons, D. & Chabris, C. (1999). Gorillas in our midst. Perception.
Spiller, R. (1988). S.L.A. Marshall and the ratio of fire. RUSI Journal.
Stetson, C., Fiesta, M. & Eagleman, D. (2007). Does time really slow down during a frightening event? PLoS ONE.
Willer, J., Dehen, H. & Cambier, J. (1981). Stress-induced analgesia in humans. Science.

 

Ook interessant voor jou!