Beste lezer,
Vorige week schreef een neurobioloog in Het Financieel Dagblad dat wie Paarse Vrijdag afkeurt de natuur niet kent: ruim vijftienhonderd diersoorten zouden homoseksuele stelletjes vormen.
In het kort. Dat getal komt van een museumtentoonstelling, niet uit onderzoek, en het gooit gedrag en geaardheid op één hoop. Belangrijker: de natuur bewijst niets, voor geen van beide kampen. Dieren plegen ook kindermoord, verkrachting en necrofilie; wat aanvaardbaar is, bepaalt de mens en niet de pinguïn. De geschiedenis van de psychiatrie laat zien dat ook “normaal” een menselijke afspraak is, die verschuift als mensen hun hand opsteken. Of een dag paarse kleding pesten tegengaat, is nauwelijks onderzocht, en de scholen die meedoen zijn meestal de scholen waar het probleem het kleinst is.
Wie de natuur als getuige oproept, krijgt een getuige die beide partijen gelijk geeft en een seizoen later van verklaring verandert.
Lees het voordat je iets paars aantrekt. Of juist daarna.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
De pinguïn in de getuigenbank
Twee mannetjes en een steen
In 1998 zagen verzorgers in de dierentuin van Central Park dat twee kinbandpinguïns, Roy en Silo, al wekenlang samen op een steen zaten te broeden. Twee mannetjes. Ze bouwden een nest, losten elkaar af, joegen indringers weg en deden alles wat een broedpaar doet, met als enige onvolkomenheid dat er uit een steen niets komt. In 2000 schoof een verzorger hun een ei toe dat bij een ander paar niet werd uitgebroed. Er kwam een kuiken uit, Tango, en vijf jaar later een prentenboek dat in Amerikaanse schoolbibliotheken jarenlang tot de meest aangevochten titels hoorde. Twee pinguïns waren een politiek document geworden.
Wat in het prentenboek ontbreekt, staat in de verslagen van de dierentuin. In 2004 kwam er een vrouwtje uit een Californisch park naar New York. Ze heette Scrappy. Silo ging met haar mee.
Dat verhaal hoort bij een column die vorige week in Het Financieele Dagblad stond. Brankele Frank, neurobioloog, podcastmaker en schrijver, nam Paarse Vrijdag tot aanleiding, de jaarlijkse dag waarop scholen solidariteit tonen met lhbti-leerlingen. Haar stelling: wie zegt dat homoseksualiteit onnatuurlijk is, heeft de natuur nooit bekeken. Er zijn ruim vijftienhonderd diersoorten die homoseksuele stelletjes vormen, van pinguïns tot gieren tot libellen. Wie dat niet weet, sleept volgens haar een onderontwikkelde grijze massa met zich mee. Ze besloot met de zin dat queer zijn zo natuurlijk is als de wind, zo oud als de Grieken en zo normaal als een boterham met pindakaas.
Het is een column die je met instemming leest als je het al met haar eens was, en met ergernis als je dat niet was. Juist daardoor is hij de moeite waard. Wat hij beweert, interesseert me minder dan hoe het betoog in elkaar zit, en wat er overblijft als je de bouwstenen één voor één optilt.
Het argument dat terugslaat
Frank richt haar pijlen op wat zij het natuurargument noemt: het is niet natuurlijk, dus het hoort niet. Dat het een slecht argument is, klopt. Haar weerlegging is alleen hetzelfde argument, achterstevoren aangetrokken. Het is wél natuurlijk, dus het hoort wél.
Dat je van “zo is het” niet bij “zo hoort het” komt, staat al sinds de achttiende eeuw op papier. Een Schotse filosoof merkte op dat schrijvers over moraal steevast beginnen met beschrijvingen van hoe de wereld is, en ongemerkt eindigen bij hoe ze zou moeten zijn, zonder ooit uit te leggen waar die overstap vandaan komt. Ruim honderd jaar geleden kreeg de fout een naam: de naturalistische drogreden. Wie uit de natuur een norm afleidt, heeft die norm er eerst zelf in gestopt.
De fout heeft een spiegelbeeld, en daar bevindt Frank zich. Het heet de moralistische drogreden: wat wenselijk is, moet ook natuurlijk zijn. Wie vindt dat homoseksualiteit aanvaard moet worden en daarom op zoek gaat naar dieren die het voordoen, redeneert niet vanuit de natuur. Hij redeneert ernaartoe. De pinguïn wordt niet bestudeerd; hij wordt opgeroepen, als getuige à decharge.
Het pikante is dat Frank de oplossing zelf boven haar stuk zet. De kop luidt: “Wat natuurlijk is, bepaalt blijkbaar de mens.” Die zin klopt, alleen niet op de ironische manier waarop hij bedoeld is. De natuur reikt geen keurmerken uit. Mensen beslissen wat ze natuurlijk noemen en wat ze daaraan verbinden. Had ze die gedachte serieus genomen, dan was de column na de kop af geweest en hadden de pinguïns in hun verblijf kunnen blijven.
Vijftienhonderd soorten, van dichtbij bekeken
Het getal dat de column draagt, verdient een tweede blik. Ruim vijftienhonderd soorten met homoseksuele stelletjes. Het staat er met de stelligheid van een volkstelling.
Het komt niet uit een telling. De bron van vrijwel alle dierenvoorbeelden in dit debat is een lijvig Amerikaans overzichtswerk uit 1999, dat gedrag tussen dieren van hetzelfde geslacht documenteerde bij een kleine vijfhonderd soorten. Het getal vijftienhonderd verscheen in 2006 op een tentoonstelling van het natuurhistorisch museum in Oslo, als ruwe schatting van alle soorten waarbij zoiets ooit is gezien. Een museumbordje is een eerbiedwaardige bron, maar het is geen meta-analyse.
Wat die schatting telt, is ook iets anders dan wat Frank beschrijft. Het gaat om waargenomen seksueel gedrag tussen soortgenoten van hetzelfde geslacht: bestijgen, baltsen, genitaal contact. Bij veel soorten één keer gezien, soms in gevangenschap, soms bij dieren die verder gewoon met het andere geslacht paren.
Een stelletje is iets anders. Duurzame paarvorming tussen dieren van hetzelfde geslacht is gedocumenteerd, maar zeldzaam. Op Oahu, een van de Hawaïaanse eilanden, bleek bijna een derde van de broedparen in een kolonie Laysan-albatrossen uit twee vrouwtjes te bestaan. Spectaculair, tot je leest waarom. In die kolonie zijn flink meer vrouwtjes dan mannetjes, en een albatros krijgt een kuiken niet in z’n eentje groot. Twee vrouwtjes die samen een ei uitbroeden dat door een elders gebonden mannetje is bevrucht, doen wat onder die omstandigheden werkt. Het zegt veel over flexibiliteit in broedgedrag en weinig over geaardheid.
En geaardheid is het derde begrip, het enige waar de discussie over Paarse Vrijdag werkelijk over gaat: een blijvende, exclusieve voorkeur voor partners van hetzelfde geslacht. Buiten de mens is die alleen overtuigend aangetoond bij een kleine minderheid van gedomesticeerde rammen, ongeveer één op de twaalf, die consequent andere rammen verkiezen boven ooien en bij wie ook een meetbaar verschil in de hersenen is gevonden. Bij de rest van het dierenrijk zien we gedrag. Bij de mens zien we een identiteit. Wie die twee op één hoop gooit, vergelijkt een handdruk met een huwelijk.
Bij bonobo’s is seks tussen vrouwtjes alledaags, maar het dient als sociale lijm, om spanning te dempen en bondgenootschappen te smeden. Het vervangt de voortplanting niet. Bij sommige soorten bestijgen mannetjes elkaar als machtsvertoon. Bij andere lijkt het een vergissing die weinig kost: wie elke soortgenoot bespringt die stilstaat, mist minder kansen dan wie eerst controleert. Een groep evolutiebiologen opperde een paar jaar geleden zelfs dat seksueel gedrag zonder onderscheid naar geslacht de oorspronkelijke toestand zou kunnen zijn, en dat juist het kieskeurige gedrag het latere verschijnsel is dat om verklaring vraagt. Een prikkelende gedachte. Ze staat niet in de column.
Een neurobioloog kent het onderscheid tussen gedrag, paarvorming en oriëntatie. Het is het eerste wat je zou uitleggen als je het onderwerp serieus wilde behandelen. Onwetendheid kan het dus niet zijn; gemakzucht wel. Het grote getal klinkt beter dan het precieze, en wie het met haar eens is, gaat het toch niet narekenen.
De eend van Rotterdam
Op 5 juni 1995 hoorde een conservator van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam een doffe klap tegen de glazen gevel van de nieuwe vleugel. Een woerd, een mannetjeswilde eend, was ertegenaan gevlogen en lag dood op de grond. Een tweede woerd landde ernaast en besteeg het lijk. Vijfenzeventig minuten lang. De conservator keek, noteerde, nam de dode eend daarna mee naar binnen en publiceerde zes jaar later een kort wetenschappelijk artikel over het eerste gedocumenteerde geval van homoseksuele necrofilie bij de wilde eend. In 2003 kreeg hij er een Ig Nobelprijs voor, de prijs voor onderzoek dat je eerst laat lachen en dan laat nadenken.
Ik vertel dit niet om te choqueren. Ik vertel het omdat het precies laat zien wat er misgaat als je de natuur in de getuigenbank zet. Wilde eenden staan ook bekend om gedwongen paringen; mannetjes jagen in groepen achter vrouwtjes aan en verdrinken ze soms. Een leeuw die een troep overneemt, doodt de welpen van zijn voorganger, zodat de leeuwinnen sneller weer vruchtbaar zijn. Het vrouwtje van de bidsprinkhaan eet het mannetje geregeld op, tijdens of na de paring. Chimpansees voeren oorlog met naburige groepen en doden daarbij ook jongen. Seks met onvolwassen dieren, met dode soortgenoten, met andere soorten: het is allemaal ergens waargenomen. Wat een mensensamenleving in haar wetboek als verboden heeft opgeschreven, vind je met wat zoeken ergens in de natuur terug.
Wie zegt “het komt bij dieren voor, dus het is natuurlijk, dus het is in orde”, heeft een argument dat te veel bewijst. Het bewijst dan niet alleen dat homoseksualiteit in orde is, maar ook dat kindermoord, verkrachting en necrofilie dat zijn. Niemand gelooft dat, Frank evenmin. Dus bewijst het argument niets. De natuur is geen zondagsschool, en de tegenpartij van de zondagsschool is ze ook niet. Ze is het hele repertoire, zonder etiketten.
Dan rest de vraag waar de etiketten wel vandaan komen. Waarom vindt een moderne samenleving het ene seksuele gedrag aanvaardbaar en het andere niet, als de natuur geen uitsluitsel geeft? Wie kijkt hoe de grens in de praktijk wordt getrokken, in het recht en in de publieke opinie, ziet dat zeldzaamheid en natuurlijkheid er geen rol in spelen. Wat telt, is of alle betrokkenen kunnen instemmen en of iemand schade lijdt. Een kind kan niet instemmen. Een dier evenmin. Een lijk al helemaal niet. Twee volwassenen van hetzelfde geslacht wel. Dat is geen natuurwet en geen eeuwige waarheid. Het is de lijn die westerse samenlevingen sinds ruwweg anderhalve eeuw steeds consequenter trekken, sinds een Engelse filosoof betoogde dat de staat alleen mag ingrijpen in gedrag dat anderen schaadt. Een menselijke keuze, met de nadruk op allebei de woorden.
Wat “onwenselijk” heet, bepaalt dus inderdaad de mens. In Franks column staat dat als sneer; het hoort er te staan als uitgangspunt.
Hoe normaal wordt gemaakt
Als de natuur niet bepaalt wat aanvaardbaar is, wie dan wel? De twintigste eeuw geeft een helder antwoord, en het is minder fraai dan beide kampen zouden willen.
Tot 1973 stond homoseksualiteit in het Amerikaanse handboek van psychiatrische stoornissen, het naslagwerk waarmee psychiaters wereldwijd diagnoses stellen. Een diagnose is meer dan een woord. Wie een stoornis heeft, kan worden behandeld, en die behandelingen bestonden: aversietherapie waarbij een man elektrische schokken of braakmiddelen kreeg terwijl hij naar afbeeldingen van mannen keek, hormoonkuren, gedwongen opnames. In de Verenigde Staten was de diagnose jarenlang grond om mensen uit overheidsdienst en leger te weren. In Nederland stond tot 1971 een wetsartikel dat seksueel contact tussen een volwassene en een minderjarige van hetzelfde geslacht zwaarder strafte dan hetzelfde contact tussen man en vrouw. Medisch etiket en juridische ongelijkheid hielden elkaar overeind.
Hoe de diagnose verdween, is het leerzaamste deel van het verhaal. Er kwam geen doorbraak uit het laboratorium. Er kwamen rellen bij een New Yorkse homobar in 1969. Daarna een paar jaar activisten die de congressen van de Amerikaanse psychiatrische vereniging verstoorden, en een psychiater die met een masker op en een stemvervormer het podium op ging, omdat hij anders zijn baan kwijt zou zijn. Ten slotte een besluit van het bestuur, dat een jaar later in een ledenraadpleging werd bekrachtigd. Psychiaters stemden over de vraag wat een ziekte is. Daarna duurde het nog tot 1987 voordat de laatste restcategorie uit het handboek was verdwenen, en tot 1990 voordat de Wereldgezondheidsorganisatie volgde. Op die datum, 17 mei, valt nog altijd de internationale dag tegen homofobie.
Het etiket bepaalde dus mede hoe de samenleving homoseksuelen behandelde, en de samenleving bepaalde uiteindelijk het etiket. Het handboek schreef de maatschappij voor, de maatschappij herschreef het handboek. Wie wil weten waar “normaal” vandaan komt, vindt hier geen natuur. Wel een zaal vol mensen die hun hand opsteken.
Dat brengt een tweede verwarring aan het licht, die aan beide kanten van het debat opduikt. Het woord “normaal” heeft twee betekenissen die stilzwijgend door elkaar lopen. Statistisch normaal betekent: veel voorkomend. Normatief normaal betekent: aanvaardbaar, in orde. Homoseksualiteit is statistisch afwijkend, want een minderheid, en in Nederland normatief allang gewoon. Linkshandigheid net zo. Tot in de jaren vijftig werden Nederlandse kinderen op school omgeschoold naar rechts, omdat links als onhandig en zelfs verdacht gold. De taal draagt het nog altijd mee, van “twee linkerhanden” tot het Latijnse woord voor links dat ons “sinister” gaf.
Hier verdient Frank krediet, en dat mag gezegd voordat de kritiek verdergaat. Haar weerlegging van het frequentieargument, de gedachte dat iets wat minder vaak voorkomt daarom niet deugt, is raak. Er zijn veel minder linkshandigen dan rechtshandigen en niemand wil de linkshandige schaar verbieden. Dat is het onderscheid tussen de twee betekenissen van normaal, in één beeld gevangen. Jammer genoeg vergeet ze het een paar alinea’s later zelf. Haar slotzin, queer zijn is zo normaal als een boterham met pindakaas, gebruikt normaal ineens weer statistisch. En statistisch is het nét niet zo normaal als een boterham met pindakaas. Het is zo normaal als een linkshandige. Dat had genoeg moeten zijn.
De spotlight
Nu Paarse Vrijdag zelf. Wie de dag bekritiseert, krijgt doorgaans te horen dat hij tegen homo’s is. Het loont om te kijken of er ook een kritiek bestaat die daar los van staat.
Die bestaat, en ze komt uit de taalkunde. Taalkundigen spreken van gemarkeerde en ongemarkeerde vormen. De ongemarkeerde vorm is de standaard, die geen label nodig heeft. De gemarkeerde vorm krijgt er wel een. Niemand zegt “heterohuwelijk”, “rechtshandige schaar” of “witte schrijver”. Het label hangt aan de uitzondering, en het label houdt de uitzondering ook in stand.
Elke themadag werkt als zo’n markering. Hij zet een groep in de schijnwerpers, en wie in de schijnwerpers staat, valt op. Dat is de bedoeling ook: aandacht vestigen op iets wat anders onopgemerkt blijft. De prijs wordt zelden genoemd. Een emancipatie is voltooid op de dag dat het label verdwijnt, en een dag die het label elk jaar ververst, houdt de uitzondering in leven die hij wil opheffen. Frank schrijft zelf dat het treurig is dat de dag nodig is. Ze ziet niet dat de dag aan die treurigheid meeschrijft.
Daar staat een tegenwerping tegenover die even serieus genomen moet worden. Op 5 mei vieren we de vrijheid. Vrijheid zou normaal moeten zijn, en we vieren haar juist omdat ze dat ooit niet was. Wie stelt dat je het normale niet hoeft te vieren, moet uitleggen waarom Bevrijdingsdag wel mag. Het verschil zit waarschijnlijk in de tijd. Bevrijdingsdag herdenkt een afgesloten verleden; de bezetting is voorbij en niemand verwacht haar morgen terug. Paarse Vrijdag gaat over een heden dat nog niet af is. Wie de dag op die grond verdedigt, erkent dat er nog iets te doen valt. Dan verschuift de vraag. Of er iets te vieren is, doet er niet meer toe; of paars dragen het juiste gereedschap is, des te meer.
Het woord “vieren” helpt daarbij niet. Paarse Vrijdag is in opzet geen feest. Het is een signaal: het laat de leerling die twijfelt of zich verbergt zien dat de school aan zijn kant staat. Wie het een viering noemt, belooft een feest dat de dag niet kan leveren en geeft critici een open doel: wat valt er te vieren aan iets wat normaal is? Niets. Te signaleren valt er wel iets, en dan wordt het interessant of het signaal ook aankomt.
Wat het oplevert
Hier wordt het betoog empirisch, en dat maakt het voor beide kampen ongemakkelijk.
Paarse Vrijdag begon in 2010 in Nederland, overgewaaid uit Canada en gedragen door de netwerken van GSA’s op scholen: Gender and Sexuality Alliances, groepen leerlingen die opkomen voor lhbti-medeleerlingen. De aanleiding is reëel. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat keer op keer zien dat lhbti-jongeren op school vaker worden gepest, zich vaker onveilig voelen en vaker met gedachten aan zelfdoding rondlopen dan leeftijdgenoten. Wie de dag zinloos noemt, moet weten waartegen hij bedoeld is. Dat het probleem bestaat, staat vast. Of een dag paars dragen er iets aan verandert, staat nergens.
Het meest aangehaalde bewijs voor het nut van zulke initiatieven is een meta-analyse uit 2016, waarin twee Amerikaanse onderzoekers de studies naar GSA’s samenvoegden. Hun conclusie: op scholen met zo’n groep melden lhbti-leerlingen minder slachtofferschap. Overtuigend, tot je drie dingen bekijkt.
Het eerste is het land. Vrijwel alle onderliggende studies komen uit de Verenigde Staten, uit schoolsystemen waar het verschil tussen een vijandige en een veilige school voor een homoseksuele leerling groot kan zijn. Een maatregel heeft het meeste effect waar de nood het hoogst is. In Nederland, waar de acceptatie al decennia tot de hoogste ter wereld behoort, ligt de vloer hoger en valt er minder te winnen. Een Amerikaans effect laat zich niet één op één over de grens tillen.
Het tweede is de richting. Bijna alle studies zijn momentopnames, gebaseerd op wat leerlingen zelf rapporteren. Ze laten zien dat scholen met een GSA minder pesterij melden, niet dat de GSA daar de oorzaak van is. Het omgekeerde is minstens zo aannemelijk: op een school die al verdraagzaam is, durft een groepje leerlingen zo’n groep op te richten. Dan meet je de school en niet de groep.
Het derde is het ding zelf. Een GSA is een groep die het hele jaar bestaat, met vaste leden en een docent als aanspreekpunt. Paarse Vrijdag is één dag iets paars aantrekken. Wie de meta-analyse aanhaalt om de dag te verdedigen, leent het krediet van iets anders.
Daar komt een Nederlandse eigenaardigheid bij. Deelname is vrijwillig. De scholen die meedoen, zijn grotendeels scholen waar het klimaat al gunstig is. Scholen in de reformatorische hoek, waar een homoseksuele leerling het waarschijnlijk het zwaarst heeft, doen doorgaans niet mee en maken daar soms ook geen geheim van. De selectie zit dus niet alleen in het onderzoek; ze zit in de maatregel zelf. Een preek bereikt vooral de mensen die al in de kerk zitten.
Er ligt ook onderzoek dat de andere kant op wijst. Amerikaanse sociologen die dertig jaar aan gegevens van honderden bedrijven doorlichtten, vonden dat verplichte diversiteitstrainingen het aandeel vrouwen en minderheden in het management niet vergrootten en soms zelfs verkleinden. Hun verklaring sluit aan bij een oud begrip uit de psychologie, reactantie: wie zich onder druk gezet voelt om een bepaalde houding aan te nemen, reageert door de tegenovergestelde houding te versterken. Een school die alle leerlingen vraagt paars te dragen, kweekt mogelijk precies de puber die het daarna op het schoolplein uitvecht. Of dat bij Paarse Vrijdag gebeurt, weet niemand. Dat er over een maatregel die al zestien jaar loopt nauwelijks gedegen effectonderzoek bestaat, zegt op zichzelf al genoeg.
Er blijft één argument voor de dag dat zich niet laat wegrekenen. Een signaal hoeft voor de meerderheid niets op te leveren als het de ene leerling achterin de klas laat zien welke docent veilig is. Voor die ene leerling kan dat veel waard zijn, ook als de rest van de klas er niets van merkt. Maar ook hier wringt het. Evolutiebiologen hebben laten zien dat een signaal pas geloofwaardig is als het iets kost. De pauw met de langste staart toont dat hij zich zo’n onhandig aanhangsel kan permitteren; een staart die niets kost, zou niets zeggen. Een paars T-shirt kost niets. Het zegt dus weinig over wat de docent doet op dinsdagochtend, als in de gang “homo” als scheldwoord valt en er niemand met een camera in de buurt is. De leerling die moet kiezen wie hij vertrouwt, kijkt niet naar het shirt. Hij kijkt naar de dinsdag.
Deugen tegen geringe kosten
Daarmee zijn we terug bij de column, want wat voor het shirt geldt, geldt ook voor de column die het verdedigt.
Er is een woord dat de laatste jaren in zwang is geraakt en vaak wordt misbruikt: deugpronken, het tonen van de juiste overtuiging omwille van het tonen zelf. Het wordt te pas en te onpas gebruikt om elke mening weg te zetten die de spreker niet bevalt, en dat is zonde, want het beschrijft iets wat echt bestaat. Het is een goedkoop signaal in de biologische betekenis: een uiting die de afzender niets kost, hem bij zijn eigen groep in een goed blaadje zet en verder niemand iets vertelt wat die nog niet wist.
Franks column voldoet aan die omschrijving. Wat kost het om in een landelijk dagblad te schrijven dat tegenstanders van Paarse Vrijdag dom zijn? Bij de lezers van die krant vrijwel niets. Wat levert het op? Instemming van wie het al met haar eens was. Wie het oneens was, wordt in de eerste alinea weggezet als drager van een onderontwikkelde grijze massa en leest dus niet verder, of alleen nog om zijn ergernis te voeden. Niemand verandert van mening. Daaraan herken je een goedkoop signaal: het spreekt de eigen achterban aan, de tegenstander komt er niet in voor.
Een voorbehoud hoort hierbij. Frank mag vinden wat ze vindt, en haar conclusie dat homoseksualiteit gewoon aanvaardbaar is, deel ik. Daar zit het probleem niet. Het probleem is dat een neurobioloog een column over biologie schrijft die op elk biologisch punt uit de bocht vliegt. Het getal klopt niet. Het onderscheid tussen gedrag en geaardheid ontbreekt. Het natuurargument wordt omgedraaid in plaats van ontmanteld. En wie het zwakste argument van de tegenpartij aanvalt in plaats van het sterkste, wint een debat dat niemand voerde.
Zonde, want de interessante column lag voor het oprapen. Ze had kunnen uitleggen wat dieren wel en niet laten zien. Ze had de eend van Rotterdam kunnen opvoeren om beide kampen in één keer de mond te snoeren: de natuur bewijst niets, voor niemand. Ze had kunnen vertellen hoe de psychiatrie ooit zelf stemde over wat ziek was, en dat de grens die we nu trekken, bij instemming en schade, een menselijke uitvinding is die het verdedigen waard is juist omdat ze niet uit de natuur volgt. Dat had de lezer iets geleerd. Het had haar ook iets gekost: de tegenpartij serieus nemen en het eigen kamp een ongemakkelijke waarheid voorhouden. Precies daarin verschilt een duur signaal van een goedkoop.
In plaats daarvan schreef ze het paarse T-shirt onder de columns. Het staat goed, het kost niets en het zegt niets over dinsdag.
Roy
Terug naar Central Park. Het prentenboek over Roy en Silo wordt nog altijd voorgelezen, en nog altijd uit schoolbibliotheken geweerd. Aan beide kanten van die strijd gaat men ervan uit dat de pinguïns iets bewijzen. Voor de ene partij dat homoseksualiteit natuurlijk is, voor de andere dat het een gevaarlijk verhaal is dat kinderen op ideeën brengt.
De pinguïns bewezen vooral dat pinguïns doen wat pinguïns doen. Zes jaar broedden ze samen. Toen er een vrouwtje uit Californië kwam, ging Silo met haar mee. Wie de pinguïns had opgeroepen als getuige voor de natuurlijkheid van homoseksualiteit, zag zijn getuige van verklaring veranderen. Wie hen had opgeroepen voor het tegendeel, had evenmin iets in handen, want zes jaar is voor een pinguïn een heel huwelijk.
Roy bleef achter in het verblijf. Over hem is geen prentenboek gemaakt.
Een pinguïn is een slechte getuige. Hij legt een verklaring af en trekt haar het volgende seizoen weer in, zonder te weten dat er een rechtszaak loopt.
Literatuur
De column
- Frank, B. (2026). Wat natuurlijk is, bepaalt blijkbaar de mens. Het Financieel Dagblad, oktober 2026.
Dieren en gedrag
- Bagemihl, B. (1999). Biological Exuberance: Animal Homosexuality and Natural Diversity. New York: St. Martin’s Press.
- Young, L.C., Zaun, B.J. & VanderWerf, E.A. (2008). Successful same-sex pairing in Laysan albatross. Biology Letters 4(4), 323–325.
- Roselli, C.E. e.a. (2004). The volume of a sexually dimorphic nucleus in the ovine medial preoptic area/anterior hypothalamus varies with sexual partner preference. Endocrinology 145(2), 478–483.
- Monk, J.D. e.a. (2019). An alternative hypothesis for the evolution of same-sex sexual behaviour in animals. Nature Ecology & Evolution 3, 1622–1631.
- Moeliker, C.W. (2001). The first case of homosexual necrophilia in the mallard Anas platyrhynchos. Deinsea 8, 243–247.
- Moeliker, K. (2016). De eendenman. Amsterdam: Nieuw Amsterdam.
- Richardson, J. & Parnell, P. (2005). And Tango Makes Three. New York: Simon & Schuster.
Natuur, norm en drogreden
- Hume, D. (1739–1740). A Treatise of Human Nature, boek III.
- Moore, G.E. (1903). Principia Ethica. Cambridge University Press.
- Davis, B.D. (1978). The moralistic fallacy. Nature 272, 390.
- Mill, J.S. (1859). On Liberty.
- Bailey, J.M. e.a. (2016). Sexual orientation, controversy, and science. Psychological Science in the Public Interest17(2), 45–101.
Psychiatrie en de geschiedenis van “normaal”
- Bayer, R. (1981). Homosexuality and American Psychiatry: The Politics of Diagnosis. New York: Basic Books.
- Drescher, J. (2015). Out of DSM: Depathologizing homosexuality. Behavioral Sciences 5(4), 565–575.
- Battistella, E.L. (1990). Markedness: The Evaluative Superstructure of Language. Albany: SUNY Press.
School, signalen en effect
- Kuyper, L. (2015). Jongeren en seksuele oriëntatie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
- Marx, R.A. & Kettrey, H.H. (2016). Gay-straight alliances are associated with lower levels of school-based victimization of LGBTQ+ youth: a systematic review and meta-analysis. Journal of Youth and Adolescence 45(7), 1269–1282.
- Dobbin, F. & Kalev, A. (2016). Why diversity programs fail. Harvard Business Review 94(7–8), 52–60.
- Brehm, J.W. (1966). A Theory of Psychological Reactance. New York: Academic Press.
- Zahavi, A. & Zahavi, A. (1997). The Handicap Principle. Oxford University Press.
