DE GRONDIGE MENS (long read) – Reinhard Heydrich en de reikwijdte van wat mens-zijn kan impliceren

DE GRONDIGE MENS (long read) - Reinhard Heydrich en de reikwijdte van wat mens-zijn kan impliceren

Wannsee had een dienstregeling, en dat is het engste detail van allemaal

 

Beste lezer,

Twintig minuten voor de agenda van de Wannseeconferentie werd er koffie geschonken. Vijftien ambtenaren bespraken binnen anderhalf uur de logistiek van elf miljoen moorden, met notulen die lezen als een vergadering over spoorwegcapaciteit. Dat was het namelijk ook: de trein naar Auschwitz reed op tijd omdat de Reichsbahn gewoon zijn werk deed.

Dat is het onderwerp van dit essay. Niet de vraag of mensen slecht kunnen zijn, die vraag is al lang beantwoord, maar de vraag wat een industriële revolutie doet met die eigenschap. Ponskaarten van IBM die religie registreerden nog voordat er één trein reed. Ovenfabrikanten die met elkaar concurreerden op doorvoersnelheid. Duitse grondigheid, zou u het kunnen noemen, en die term is preciezer dan een nationaal trekje: het is wat elke technologie doet met een intentie die ze te pakken krijgt. Ze maakt hem schaalbaar.

En dan de vraag die u waarschijnlijk liever niet gesteld ziet: wat is vandaag de Hollerith-machine? Het essay gaat naar Xinjiang, waar gezichtsherkenning getraind is om één etniciteit uit een menigte te filteren, en naar Myanmar, waar een aanbevelingsalgoritme voor de VN aantoonbaar bijdroeg aan een geweldsgolf met kenmerken van genocide. Geen geruststelling aan het eind. Wel een scherpere vraag dan de gebruikelijke.

Lees het hier bijgesloten essay, De Grondige Mens, compleet met literatuurlijst voor wie verder wil.

Peter Koopman

 

DE GRONDIGE MENS (long read)

Reinhard Heydrich en de reikwijdte van wat mens-zijn kan impliceren

Twintig minuten voor de agenda van de Wannseeconferentie, op 20 januari 1942, werd er koffie geschonken. Vijftien hoge ambtenaren, geen sadisten uit een pulproman maar juristen, artsen en bureaucraten, bespraken binnen anderhalf uur de logistiek van de vernietiging van elf miljoen mensen, met notulen die achteraf lezen als een vergadering over spoorwegcapaciteit. Aan het hoofd van de tafel zat een negenendertigjarige man met een hoog voorhoofd, lichte ogen en een reputatie die zelfs binnen de SS ontzag inboezemde: Reinhard Heydrich, chef van het Reichssicherheitshauptamt, architect van de Endlösung, en ’s avonds thuis in Praag violist.

Dat laatste detail is geen anekdote om de vergadering te verzachten. Het is de kern van dit essay. Heydrich hield van Mozart en van massamoord, was een liefhebbende vader van vier kinderen, een verdienstelijk schermer en piloot, en tegelijk de man die de trein naar Auschwitz op tijd liet rijden. Dat is geen paradox die om verklaring vraagt in de trant van ‘hoe kon iemand zo cultureel zo’n monster worden’. Het is precies wat de vraag beantwoordt die dit essay stelt: niet wie Heydrich was, maar wat zijn bestaan bewijst over de reikwijdte van het menselijke vermogen zelf, en welke technologie die reikwijdte vandaag opnieuw bewapent.

De vroege grondigheid

Heydrich werd in 1904 geboren in Halle, zoon van een operacomponist en conservatoriumdirecteur en een pianolerares. Een cultureel milieu, geen achterbuurt, geen mishandeling, geen van de verklaringen die achteraf graag worden aangedragen om extreem gedrag terug te voeren op een kapotte jeugd. Hij koos voor de marine, klom op tot luitenant-ter-zee, en werd in 1931 met oneervol ontslag weggestuurd, niet wegens incompetentie maar wegens een erekwestie: hij had zich verloofd met Lina von Osten terwijl een eerdere vriendin claimde dat hij ook haar een huwelijk had beloofd. Een marine-erehof, geleid door groot-admiraal Erich Raeder zelf, oordeelde dat zijn gedrag de eer van het officierskorps onwaardig was. Heydrich verdedigde zich met een air van arrogantie die op de rechters weinig indruk maakte, en verloor zijn pensioen enkele weken voordat hij er recht op had.

Dat ontslag is het scharnierpunt van dit verhaal, en het verdient meer aandacht dan het gewoonlijk krijgt. Heydrich werd niet weggestuurd uit de gevestigde orde omdat hij haar regels verafschuwde. Hij overtrad ze op één punt, binnen een instituut dat zelf al grondig, hiërarchisch en op eer gebouwd was. Wat hij vervolgens deed, via een introductie van Lina’s familie bij Heinrich Himmler nog datzelfde jaar, was niet die orde verwerpen maar een nieuwe orde bouwen die zijn eigen regels stelde, en die regels vervolgens met dezelfde grondigheid toepassen die hem bij de marine fataal was geworden. Binnen enkele jaren had hij de Sicherheitsdienst opgebouwd tot de meest gevreesde inlichtingendienst van het Derde Rijk, in 1939 samengevoegd met Gestapo en Kripo tot het Reichssicherheitshauptamt, met hemzelf aan het hoofd. Grondigheid was geen eigenschap die hem overkwam. Het was de enige vaardigheid die hij ooit echt nodig had, in elke context waarin hij haar toepaste.

De violist en de Hangman

Robert Gerwarth, die in Hitler’s Hangman: The Life of Heydrich (2011) tot dusver de grondigste biografie schreef, koos bewust voor wat hij ‘koude empathie’ noemt: zijn onderwerp van dichtbij bekijken zonder hem te vermenselijken tot onschuld of te verlagen tot karikatuur. Wat daaruit naar voren komt is ongemakkelijker dan een monster. Heydrich gaf, in de woorden van een tijdgenoot, kamermuziekavonden van de hoogste orde, speelde met zichtbare emotie, en combineerde die gevoeligheid moeiteloos met de koelbloedigheid waarmee hij binnen enkele maanden na de Duitse inval in de Sovjet-Unie de Einsatzgruppen aanstuurde die honderdduizenden mensen executeerden. Hitler zelf noemde hem ‘der Mann mit dem eisernen Herzen’, de man met het ijzeren hart, een eretitel binnen die kringen, en overwoog hem ondanks aanhoudende geruchten over Joodse voorouders als mogelijke opvolger.

Wie hierin een tegenstelling ziet, een cultuurmens die zijn ziel moest smoren om massamoordenaar te worden, mist het punt. Er was geen conflict te smoren. De violist en de architect van de Endlösung waren dezelfde ongedeelde persoon, functionerend op twee registers die elkaar nooit hoefden te ontmoeten omdat ze voor twee verschillende doelgroepen bedoeld waren. Voor zijn gezin, zijn kameraden, zijn muzikale kring: warmte, toewijding, esthetisch gevoel. Voor wie buiten die kring viel: een boekhoudkundige precisie die geen enkele emotie nodig had, en dus ook geen enkele hoefde te onderdrukken.

De Weense lopende band en de Kristallnacht-telex

Lang voordat Wannsee de vernietiging bureaucratisch codificeerde, had Heydrich al bewezen dat hij industriële processen kon herkennen en opschalen. In augustus 1938 richtte zijn ondergeschikte Adolf Eichmann in Wenen de Zentralstelle für jüdische Auswanderung op, een loket waar een Joodse burger in één gebouw, in enkele uren, werd beroofd van bezit en tegelijk voorzien van de papieren om het land te verlaten. Eichmann noemde het zelf een lopende band: aan de ene kant ging een bezitter naar binnen, aan de andere kant kwam een vluchteling zonder vermogen naar buiten. Binnen tien maanden verwerkte het kantoor de gedwongen emigratie van meer dan 110.000 mensen. Heydrich herkende de efficiëntie onmiddellijk en tilde het model in januari 1939 naar Rijksniveau, als Reichszentrale für jüdische Auswanderung, met zichzelf als eindverantwoordelijke.

Diezelfde novembermaand, in 1938, stuurde hij uren voordat de Kristallnacht goed en wel op gang kwam een telex naar alle Gestapo- en SD-kantoren met instructies die griezelig precies waren: synagogen mochten in brand worden gestoken, maar alleen als er geen risico was voor omliggende Duitse panden; Joodse winkels mochten worden vernield, maar niet geplunderd, plunderaars moesten juist worden gearresteerd; er moest ruimte worden vrijgemaakt in de gevangenissen voor twintig- tot dertigduizend arrestaties, bij voorkeur van vermogende Joden. Dat is geen pogrom die uit de hand liep. Dat is een pogrom met een logistiek draaiboek, geschreven door dezelfde man die drie jaar later Wannsee zou voorzitten. De grondigheid was er allang, ruim voordat de industriële vernietigingsmachine er was om haar te dragen.

Wannsee: de bureaucratie van de dood

Heydrich riep de conferentie zelf bijeen, verstuurde de uitnodigingen aan de staatssecretarissen van de betrokken ministeries, en opende de vergadering met het voorlezen van zijn mandaat van Hermann Göring om de Endlösung te coördineren. Adolf Eichmann, op dat moment nog een relatief onopvallende SS-Obersturmbannführer, maakte de notulen, waarin categorieën als ‘Mischling eerste graad’ en ‘Mischling tweede graad’ met dezelfde emotieloze precisie werden afgehandeld als een belastingtabel. Van de dertig kopieën die vervolgens werden rondgestuurd liet Heydrich er negenentwintig vernietigen; alleen kopie nummer zestien overleefde, gevonden in 1947 tussen de papieren van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, en is sindsdien het enige directe bewijsstuk van wat er in die kamer werd afgesproken. Na anderhalf uur, waarin de vernietiging van elf miljoen mensen werd besproken in termen van transportcapaciteit en categorie-indelingen, dronken de aanwezigen cognac. Er werd niet geschreeuwd, niet gehuild, niet geprotesteerd. Er werd vergaderd.

Dat is precies wat Zygmunt Bauman bedoelde toen hij in Modernity and the Holocaust (1989) stelde dat de Holocaust geen terugval in barbarij was maar een product van moderniteit zelf: bureaucratische rationaliteit, verantwoordelijkheid verdeeld over zoveel schakels dat niemand het geheel nog hoeft te dragen, en een instrumentele efficiëntie die evengoed treinen als lijken kan plannen. Raul Hilberg documenteerde in The Destruction of the European Jews (1961) tot in de laatste wagon hoe die machine draaide, en IBM leverde via zijn Duitse dochter Dehomag de Hollerith-ponskaartmachineswaarmee de volkstelling van 1933 al kolommen voor religie en afkomst bevatte, jaren voordat Heydrich zijn RSHA had opgebouwd. Hij had die apparatuur niet uitgevonden. Hij had wel het organogram getekend waarin ze pas dodelijk werd.

De Praagse dubbelstrategie

Heydrichs functie als Reichsprotektor van Bohemen en Moravië, die hij vanaf september 1941 naast zijn RSHA-taken vervulde, laat zien dat zijn in-group/out-group-logica niet uitsluitend langs etnische lijnen liep. Bij aankomst in Praag liet hij binnen enkele weken honderden vermeende verzetsstrijders executeren en riep de noodtoestand uit, de reden waarom de bijnaam ‘Slager van Praag’ aan hem bleef kleven. Tegelijk verhoogde hij de sociale voorzieningen voor Tsjechische fabrieksarbeiders: extra rantsoenen voor wie de productiequota haalde, lonen gelijk aan die van Duitse collega’s, schoenenbonnen, een pensioenregeling. Binnen zes maanden daalde het aantal sabotagedaden in de voor de Duitse oorlogsindustrie cruciale Tsjechische fabrieken met bijna driekwart.

Dat is geen tegenstrijdigheid in zijn karakter. Het is dezelfde grens die opnieuw wordt getrokken, ditmaal niet tussen Duitser en Jood maar tussen medewerker en saboteur. Wie de quota haalde, viel binnen de cirkel en kreeg extra vet op de boterham. Wie zich verzette, viel erbuiten en werd doodgeschoten of naar Mauthausen gestuurd. De grens was flexibel, verplaatsbaar, en volledig instrumenteel, precies wat Tajfel en Sober & Wilson voorspellen zodra groepslidmaatschap wordt losgekoppeld van iets vasts als etniciteit en wordt herleid tot iets zo banaals als productiecijfers. Heydrich bewees, wellicht ongewild, dat de mechaniek van binnen en buiten geen raciale theorie nodig heeft om te functioneren. Elke as van indeling volstaat, zolang er maar een as is.

Aktion Reinhard: het systeem overleeft de architect

Heydrich overleefde de conferentie met vier maanden. Op 27 mei 1942 wierpen Jozef Gabčík en Jan Kubiš, twee Tsjecho-Slowaakse agenten getraind door de Britse Special Operations Executive, een bewerkte antitankgranaat in zijn open Mercedes op een boulevard in Praag. Heydrich stierf acht dagen later, op 4 juni, aan bloedvergiftiging na de operatie.

Wat daarna gebeurde is het meest onthullende deel van dit hele verhaal, onthullender zelfs dan zijn leven. De drie vernietigingskampen die specifiek waren opgezet om zijn plan uit te voeren, Belzec, Sobibor en Treblinka, kregen na zijn dood de codenaam Aktion Reinhard, ter ere van de gestorven architect. En ze bleven draaien, met dezelfde boekhoudkundige toewijding die hij had voorgeleefd. Op 11 januari 1943 seinde Hermann Höfle, adjudant van kampcommandant Odilo Globocnik, een telegram naar Eichmann in Berlijn met de exacte aantallen aankomsten in de vier kampen over de voorgaande weken, inclusief een jaartotaal van 1.274.166 vermoorden. Dat telegram, pas in 2000 teruggevonden in Britse archieven, is het administratieve sluitstuk van een systeem dat negen maanden na de dood van zijn architect nog altijd exacte tussenstanden bijhield, als een fabriek die kwartaalcijfers rapporteert. Tussen 1942 en november 1943 werden onder de naam Aktion Reinhard meer dan anderhalf miljoen mensen vermoord, ruim tien keer zoveel als tijdens Heydrichs eigen jaren in functie. De man was dood. Het systeem, eenmaal opgetuigd, had hem niet meer nodig, en telde gewoon door.

Dat is de meest verontrustende conclusie die uit deze geschiedenis te trekken valt, verontrustender dan Heydrichs eigen wreedheid. Grondigheid, eenmaal geïnstitutionaliseerd in organogrammen, dienstregelingen en dodenkampen, wordt onafhankelijk van de persoon die haar heeft opgetuigd. Ze overleeft haar architect zoals een klok blijft lopen nadat de klokkenmaker is gestorven.

Grondigheid heeft geen kompas

Spinoza zou hier weinig van opkijken. In de Ethica (1677) is goed niets anders dan wat het conatus, het streven van een wezen om in zijn bestaan te volharden, vergroot; kwaad is wat het vermindert. Er is geen kosmische weegschaal die Heydrich objectief veroordeelt, er is alleen een boekhouding van wat zijn eigen machtspositie diende. Voor Nietzsche, in Zur Genealogie der Moral (1887), zou de vraag al helemaal niet zijn of Heydrich moreel slecht was in enige absolute zin, maar wie de definitiemacht had om ‘goed’ te noemen wat hem uitkwam. Heydrich was voor zichzelf en zijn kring onmiskenbaar goed: sterk, competent, esthetisch verfijnd, loyaal. Dat de geschiedenis hem nadien vanuit de tegenovergestelde, priesterlijke moraal als kwaad heeft geboekstaafd, zegt volgens Nietzsche meer over wie de definitiemacht uiteindelijk naar zich toe trok dan over enige metafysische waarheid.

Geen van beide filosofen laat het daarbij. Spinoza stelt in Deel IV van de Ethica dat mensen die door de rede geleid worden elkaars gezelschap zoeken, omdat samenwerking het conatus van beiden vergroot: een gemeenschapsprincipe, geen louter individueel egoïsme. Heydrichs machtslogica gold onverkort binnen zijn eigen kring en categorisch niet daarbuiten, wat volgens Spinoza’s eigen maatstaf een tekort is, geen overwinning. Hij verkleinde het collectieve bestaansvermogen van iedereen buiten zijn cirkel om het zijne te vergroten, en die asymmetrie is precies wat de gedragswetenschap vandaag kan verklaren.

De wetenschap van binnen en buiten

Die asymmetrie is geen morele bijzonderheid van Heydrich persoonlijk. Ze is precies wat de evolutionaire gedragswetenschap voorspelt zodra een grens tussen groepen wordt getrokken. Henri Tajfels minimal group-experimentenuit de jaren zeventig lieten zien dat een volkomen willekeurige indeling, op basis van een muntopgooi, binnen minuten voldoende is voor mensen om de eigen groep te bevoordelen en de andere te benadelen, zonder enige voorgeschiedenis of rationeel eigenbelang. Heydrichs grens was niet willekeurig, ze was ideologisch geconstrueerd en vervolgens bureaucratisch verankerd, maar het onderliggende mechanisme is hetzelfde. Robert Trivers beschreef in zijn reciprocal altruism-model uit 1971 hoe wederkerig altruïsme zich ontwikkelt binnen een groep waar toekomstige interactie waarschijnlijk is; buiten die groep bestaat er simpelweg geen evolutionaire druk om het uit te breiden. Elliott Sober en David Sloan Wilson laten in Unto Others (1998) zien hoe dezelfde selectiedruk die coöperatie binnen de groep beloont, vijandigheid tegenover de groep ernaast beloont, niet als tegenstrijdige neigingen maar als twee kanten van hetzelfde mechanisme. Richard Wrangham voegt in The Goodness Paradox (2019) toe dat de mens weliswaar door zelfdomesticatie minder impulsief-agressief is geworden, maar dat het vermogen tot koelbloedige, geplande coalitieoorlog daarbij volledig intact bleef, eerder aangescherpt dan afgezwakt.

Heydrich is, in die zin, geen uitzondering op de menselijke soort. Hij is een uitvergroting ervan, zoals een microscoop een cel niet vervalst maar zichtbaar maakt wat er al was. Zijn liefde voor Lina en de kinderen, zijn loyaliteit aan zijn SS-kameraden, zijn oprechte esthetische ontroering bij Mozart, dat alles was reciprociteit zoals Trivers haar beschrijft, functionerend precies zoals ze zou moeten. Het probleem zat nooit in wat hij voor zijn in-group voelde. Het zat in de volledige, onbekommerde afwezigheid van diezelfde impuls zodra de grens van die groep werd overschreden, en in de industriële middelen die hem ter beschikking stonden om dat gebrek aan grenzen op te schalen tot een continentaal project.

Simon Baron-Cohen onderscheidt in zijn onderzoek naar empathie tussen ‘systemizing’ en ‘empathizing’ als twee cognitieve stijlen die onafhankelijk van elkaar kunnen variëren: een sterk vermogen om systemen te doorgronden en optimaliseren staat niet noodzakelijk haaks op empathisch vermogen, het kan er gewoon los van bestaan. Heydrich hoeft daarvoor geen klinische diagnose te krijgen, iets waar biografen als Gerwarth terecht terughoudend in zijn. Het is voldoende te constateren dat zijn systematiserende talent, ingezet op de RSHA en op Wannsee, nooit werd afgeremd door het empathische vermogen dat zijn muziekbeleving wel degelijk liet zien. Beide liepen naast elkaar, niet tegen elkaar in, wat precies de reden is waarom ‘gestoord’ het verkeerde woord is voor wat hier gebeurde.

Waarom ‘banaliteit’ hier niet volstaat

Hannah Arendt muntte in Eichmann in Jerusalem (1963) de term ‘de banaliteit van het kwaad’ om te beschrijven hoe een kleurloze bureaucraat, zonder duidelijke haat of sadisme, kon meewerken aan massamoord door simpelweg orders te volgen en nooit zelfstandig na te denken. Die term is voor Eichmann overtuigend gebleken, en Christopher Browning bevestigt in Ordinary Men (1992) hoe weinig ideologische overtuiging nodig is voordat gewone politiemannen onder groepsdruk en autoriteit tot massa-executies overgaan. Maar op Heydrich past de term slecht, en dat is precies waarom hij het interessantere studieobject is. Heydrich was geen kleurloze klerk die bevelen uitvoerde. Hij schreef zelf het organogram, vroeg zelf om het mandaat van Göring, ontwierp zelf de RSHA, en combineerde die vindingrijkheid met een cultuurbeleving die allesbehalve gedachteloos was.

Arendts geruststellende these, dat het kwaad vooral voortkomt uit niet-denken, uit de afwezigheid van reflectie, biedt geen verklaring voor een man die evident kon reflecteren, evident emoties kon voelen, en die vermogens desondanks volledig gescheiden hield van zijn functioneren tegenover wie hij buiten de groep plaatste. Dat is geen banaliteit. Dat is competentie, ingezet zonder morele reikwijdte buiten de eigen kring, en dat is een veel ongemakkelijker uitgangspunt dan een gedachteloze klerk. Het betekent dat intelligentie en cultuur geen enkele garantie bieden tegen deze specifieke vorm van menselijk gedrag. Eerder het tegendeel: ze maken de uitvoering alleen maar efficiënter.

Lidice en Ležáky: de wraak van het systeem

Karl Hermann Frank, Heydrichs plaatsvervanger, eiste onmiddellijk vergelding voor de aanslag. Op 10 juni 1942omsingelden Duitse Ordnungspolizei en SD het dorp Lidice, dat met de aanslag part noch deel had gehad. Alle 173 mannen en jongens van vijftien jaar en ouder werden ter plekke doodgeschoten. De vrouwen werden gedeporteerd naar concentratiekampen, de meeste kinderen naar Chelmno, waar 82 van hen werden vermoord; het dorp zelf werd met de grond gelijk gemaakt en van de kaart geschrapt. Op 24 juni onderging het dorp Ležáky hetzelfde lot: alle volwassenen doodgeschoten, de gebouwen platgebrand.

Dit is geen strategie meer, het is een instrumentele woede die de eigen bureaucratie tot in het absurde doortrekt: twee dorpen met vrijwel al hun inwoners uitroeien voor de dood van één man, terwijl geen van beide dorpen enige aantoonbare band met de aanslag had. Heydrichs eigen machine, ontworpen om precisie te tonen, produceerde na zijn dood haar tegendeel: willekeur op industriële schaal, uitgevoerd door onderbevelhebbers die exact het protocol volgden dat hij zelf had ingesteld, tien executies voor elke daad van verzet. Het systeem rouwde niet. Het rekende af, en het rekende grondig af, precies zoals het getraind was.

De comfortabele tussenstop

Het is verleidelijk hier te vluchten in het idee dat de mens sindsdien wijzer is geworden, en dat vluchtgedrag is zelf onderdeel van het probleem. Rutger Bregmans De meeste mensen deugen (2019) verzamelt aanstekelijk bewijs voor menselijke goedheid onder gunstige omstandigheden, maar dat bewijs betreft bijna zonder uitzondering mensen die elkaars in-group al waren: klasgenoten, dorpsgenoten, collega’s. Heydrich zelf zou als bewijsstuk voor Bregmans these zelfs bruikbaar zijn geweest, zolang je het onderzoek beperkt tot zijn gezin en zijn kameraden. Dat is precies het probleem. Het zegt niets over wat diezelfde mensen doen zodra de groepsgrens elders wordt getrokken, en de geschiedenis na elke ‘nooit meer’-belofte, van Cambodja tot Rwanda tot Srebrenica, is daar het antwoord op. Comfortabele verhalen slapen prettig. Ze houden geen wacht.

De volgende grondigheid

De vraag die nu voor de hand ligt, en die niemand graag stelt, is welke technologie vandaag hetzelfde doet als de Hollerith-machine en de Reichsbahn destijds, en wat er verandert nu er voor die technologie geen violist meer nodig is om haar aan te sturen. Het antwoord ligt niet ver weg. In de Chinese provincie Xinjiang draait gezichtsherkenningssoftware van bedrijven als Megvii, Dahua en Huawei die specifiek getraind is om Oeigoerse gezichten van andere gezichten te onderscheiden, aangevuld met verplichte DNA-afname en irisscans: een systeem dat etniciteit omzet in een filter dat een camera in real time kan toepassen. Dat is geen dystopische fictie. Het staat gedocumenteerd door onderzoeksjournalistieken was reden voor Amerikaanse sancties tegen de betrokken bedrijven. Geen enkele ingenieur van dat systeem hoeft ooit een dorp te zien branden om het te laten werken.

In Myanmar concludeerde de VN-onderzoeksmissie in 2018 dat Facebook, voor de meeste gebruikers daar synoniem met het internet zelf, een bruikbaar instrument was gebleken om haat tegen de Rohingya te verspreiden, in een context waar de daaropvolgende geweldsgolf volgens diezelfde missie kenmerken van genocide vertoonde. Geen bureaucraat met een ponskaart deze keer, maar een aanbevelingsalgoritme, geoptimaliseerd voor betrokkenheid, dat toevallig het meest betrokken makende materiaal haatzaaiend bleek te zijn. Niemand hoefde Wannsee na te bootsen. Het algoritme vond de grens tussen binnen en buiten vanzelf, omdat die grens nu eenmaal het meeste engagement oplevert.

Wat autonome wapens daaraan toevoegen, is afstand, en afstand is precies de variabele die volgens Dave Grossmans onderzoek in On Killing (1995) bepaalt hoe makkelijk een mens een ander mens kan doden. Fysieke en emotionele nabijheid roepen een diepe weerstand op, iets wat elke legerleiding al een eeuw probeert weg te trainen. Heydrich had voor zijn eigen wreedheid nog een organisatie van duizenden mensen nodig, elk met hun eigen morele buffers om te overwinnen.

Eerlijkheidshalve: de werkelijkheid is minder schoon dan Grossmans these doet vermoeden. Amerikaans luchtmachtonderzoek onder ruim duizend drone-operators vond weliswaar een relatief laag percentage klinische PTSS, ongeveer vier procent, maar tegelijk rapporteerde bijna de helft van diezelfde operators een hoge mate van operationele stress, met een specifieke vorm van morele schade die onderzoekers omschrijven als ‘verantwoordelijkheid zonder risico’: ’s ochtends een doelwit uitschakelen vanachter een scherm in Nevada, ’s avonds op tijd thuis zijn voor het avondeten. Afstand elimineert de weerstand dus niet volledig, ze verplaatst haar, van het moment van de daad naar de uren erna. Wat afstand wél elimineert, is de noodzaak van een organisatie die honderden individuele gewetens moet omzeilen voordat er iets gebeurt. Eén operator, of straks geen enkele, volstaat waar Heydrich een heel apparaat nodig had. De volgende grondigheid zal niet minder grondig zijn dan die van 1942. Ze zal alleen minder mensen, en uiteindelijk misschien geen mensen meer, nodig hebben om haar uit te voeren. Dat is geen geruststelling. Het is een vermenigvuldiging van het probleem met een deling van de verantwoordelijkheid, tot op het punt waar er niemand meer over is om verantwoordelijk te houden.

Een tegenwerping, en waarom ze niet standhoudt

Er is een voor de hand liggend bezwaar tegen dit hele betoog, en het verdient een eerlijk antwoord in plaats van een retorische ontwijking. Eén man, hoe grondig gedocumenteerd ook, is geen steekproef. Er bestaat een reëel risico dat een extreem en levendig voorbeeld als Heydrich de beoordeling vertekent, wat psychologen de beschikbaarheidsheuristiek noemen: omdat zijn verhaal zo gedetailleerd bekend is, voelt het representatiever dan het is voor wat ‘de mens’ in het algemeen zou doen. De meeste mensen krijgen nooit de combinatie van totalitaire staat, totale oorlog en industriële infrastructuur voorgeschoteld die zijn keuzes mogelijk maakte, en zullen die combinatie ook nooit krijgen. In die zin is Heydrich geen bewijs voor een universele menselijke aanleg, hoogstens voor wat er gebeurt wanneer een zeldzame reeks omstandigheden samenvalt met een specifiek soort ambitie.

Dat bezwaar is redelijk, en het wordt precies weerlegd door het onderzoek dat dit essay al aanhaalde, niet door Heydrich zelf. Stanley Milgrams gehoorzaamheidsexperimenten, voor alle terechte methodologische kritiek van later datum, lieten consequent zien dat een ruime meerderheid van gewone proefpersonen bereid was aanzienlijke, mogelijk dodelijke elektrische schokken toe te dienen aan een onzichtbare vreemdeling, enkel op aanwijzing van een man in een witte jas. Christopher Browning documenteert in Ordinary Men hetzelfde patroon bij honderden Duitse politiemannen van middelbare leeftijd, zonder bijzondere ideologische selectie, die binnen enkele weken van beroepspolitieman tot massa-executeur overgingen. Wat Heydrich onderscheidt van hen is niet een andere psychologische architectuur, maar een andere plek in de hiërarchie: hij was niet degene die het bevel moest opvolgen, hij was degene die het bevel schreef. De opportuniteitsstructuur verschilde, het onderliggende materiaal niet.

Dat maakt de conclusie ongemakkelijker, niet geruststellender. Als het verschil tussen een politieagent in Reserve Bataljon 101, een proefpersoon in het souterrain van Yale, en de chef van het Reichssicherheitshauptamt vooral een kwestie is van positie, gelegenheid en beschikbare middelen, dan is Heydrich geen uitzonderlijk mens die toevallig aan de knoppen zat. Hij is een gewoon mens die toevallig aan de knoppen zat, met net genoeg talent en ambitie om zelf een groter deel van de knoppen te bouwen dan hem was aangeboden.

Wat mens-zijn kan impliceren

Wat bewijst Heydrichs leven dan, voor wie liever niet wegkomt met een simpel ‘hij was een monster’? Niet dat de mens slecht is, die uitspraak is te grof voor wat de feiten laten zien. Wel dat het vermogen tot ongedeelde, volledig geïntegreerde wreedheid en warmte binnen dezelfde psyche geen storing van het mens-zijn is, maar een van de vormen die het kan aannemen zodra een grens tussen binnen en buiten wordt getrokken en er voldoende organisatorische middelen voorhanden zijn om die grens te bewapenen. Talent, cultuur, liefde voor het eigen gezin: dat alles bood geen enkele bescherming. Het was zelfs geen tegenwicht. Het liep gewoon parallel, ongestoord, tot het einde.

Dat is wat mens-zijn kan impliceren, niet als uitzondering maar als reikwijdte. De vraag die overblijft is niet of dat vermogen ooit verdwijnt. Het is welke technologie het de volgende keer bewapent, en of daar dan nog iemand voor nodig is die ’s avonds viool speelt.

Literatuurlijst

Gerwarth, Robert. Hitler’s Hangman: The Life of Heydrich. Yale University Press, 2011.

Reinhard Heydrich: In Depth. Holocaust Encyclopedia, United States Holocaust Memorial Museum.

Operation Reinhard (Einsatz Reinhard). Holocaust Encyclopedia, United States Holocaust Memorial Museum.

Lidice: The Annihilation of a Czech Town. Holocaust Encyclopedia, United States Holocaust Memorial Museum.

Assassination of Reinhard Heydrich. Wikipedia.

Central Agency for Jewish Emigration in Vienna. Wikipedia.

Riots of Kristallnacht: Reinhard Heydrich’s Instructions, November 1938. Yad Vashem.

The Höfle Telegram. Stichting Sobibor.

Baron-Cohen, Simon. The Science of Evil: On Empathy and the Origins of Cruelty. Basic Books, 2011.

Chappelle, Wayne e.a. Onderzoek naar PTSS en morele schade bij Amerikaanse drone-operators, US Air Force School of Aerospace Medicine.

Bauman, Zygmunt. Modernity and the Holocaust. Cornell University Press, 1989.

Hilberg, Raul. The Destruction of the European Jews. Yale University Press, 1961 (herz. 2003).

Black, Edwin. IBM and the Holocaust. Dialog Press, 2001.

Arendt, Hannah. Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil. Viking Press, 1963.

Browning, Christopher. Ordinary Men. HarperCollins, 1992.

Milgram, Stanley. Obedience to Authority: An Experimental View. Harper & Row, 1974.

Tajfel, Henri. ‘Experiments in Intergroup Discrimination.’ Scientific American, 1970.

Sober, Elliott & Wilson, David Sloan. Unto Others: The Evolution and Psychology of Unselfish Behavior. Harvard University Press, 1998.

Trivers, Robert. ‘The Evolution of Reciprocal Altruism.’ Quarterly Review of Biology, 1971.

Wrangham, Richard. The Goodness Paradox. Pantheon, 2019.

Bregman, Rutger. De meeste mensen deugen. De Correspondent, 2019.

Grossman, Dave. On Killing. Little, Brown, 1995.

Independent International Fact-Finding Mission on Myanmar. Rapport aan de VN-Mensenrechtenraad, OHCHR, september 2018.

‘China’s High-Tech Surveillance Drives Oppression of Uyghurs.’ Bulletin of the Atomic Scientists, 2022.

‘Turning Ghosts into Humans: Surveillance as an Instrument of Social Engineering in Xinjiang.’ War on the Rocks, 2021.

Nietzsche, Friedrich. Zur Genealogie der Moral. 1887.

Spinoza, Baruch. Ethica. 1677.

Ook interessant voor jou!