Beste lezer,
Stel dat iemand je iets aanbiedt wat je diep vanbinnen best zou willen, en je zegt toch nee. Waarom eigenlijk?
In het kort. We denken dat we daar een reden voor hebben: geweten, trouw, leeftijd, verstand. Dat verhaal komt meestal pas na de beslissing, en het wordt geschreven door hetzelfde lijf dat al besloten had. In ons vechten geen wil en een natuur met elkaar; er trekken meerdere oude drijfveren aan ons, zoals lust en gehechtheid, en die zitten elkaar in de weg. Ook het bedenken van redenen is zo’n drijfveer. Het voelt goed, net als seks, en daarom houden we er niet mee op. Het lastige: ook mijn eigen verklaring is zo’n reden achteraf, en van binnenuit kan ik dat niet controleren.
De conclusie: je weet niet waarom je doet wat je doet, je weet alleen welk verhaal je erbij kiest.
Neem vandaag eens een beslissing zonder er een reden bij te verzinnen. Ik wacht.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Twee magneten in hetzelfde ijzer
Het aanbod
Stel. Een aantrekkelijke jonge vrouw biedt een oude man seks aan. Geen val, geen verborgen camera, geen gevolgen; een gedachte-experiment mag zo steriel zijn als een operatiekamer. De oude man ben ik. En dan gebeurt er iets wat ik niet had verwacht. Er komt geen ja. Er komt ook geen nee met een keurige reden erbij. Er komt eerst iets wat ik het best kan omschrijven als een rem zonder pedaal. Ik trap nergens op, en toch staat de wagen stil.
Daarna komt de reden. Die komt altijd. Hij staat klaar zoals een ober die al weet wat je gaat bestellen voordat je de kaart hebt opengeslagen. Dat doe je niet. Je bent getrouwd. Je bent daar te oud voor. Je hebt een geweten. Kies maar. Het menu is ruim, alleen de keuken is al dicht.
Over die volgorde gaat dit stuk. Eerst het lijf, dan het verhaal. Eerst de rem, dan de uitleg waarom ik geremd heb. Dat klinkt als een detail, een kwestie van een halve seconde, maar het hele gebouw van moraal, wil en karakter rust op het omgekeerde. Wij gaan ervan uit dat de reden eerst komt en het gedrag volgt. Dat ik nee zeg omdat ik trouw ben. Dat ik stop omdat ik een geweten heb. Dat ik minder presteer omdat ik oud ben. Draai je die volgorde om, dan blijft er van dat gebouw niet veel meer over dan de gevel.
Een waarschuwing over taal
Voordat ik verder ga een eerlijke bekentenis. In wat volgt zal ik schrijven dat het lijf kiest, dat een drift iets wil, dat het organisme zijn energie ergens anders in steekt. Dat is onzin, en ik weet het. Het lijf kiest niets. Een drift wil niets. Een organisme steekt nergens iets in; er gebeurt iets in een organisme, en achteraf kun je er een rekensom van maken.
Het probleem zit in de taal. Een Nederlandse zin wil een onderwerp en een werkwoord, en zodra je een onderwerp hebt, staat er een mannetje achter het stuur. Ik kom daar niet onderuit, niemand komt daar onderuit. De bioloog die zegt dat een gen egoïstisch is, weet ook dat een stukje DNA geen ambities heeft. Hij gebruikt het woord omdat het korter is dan een bladzijde scheikunde. Dat doe ik hier ook. Lees elk werkwoord van wil, keuze of streven in dit stuk dus als een afkorting, een manier van spreken alsof. Er is geen bestuurder. Ook niet in mijn zinnen.
Wie weigert hier?
Terug naar de rem. Als ik het wil, en dat wil ik, wie houdt me dan tegen? Het standaardantwoord is bekend. Je wil, je geweten, je moreel besef. Een hogere instantie in je hoofd die de lagere driften kort houdt. Plato had er een wagenmenner voor met twee paarden, een wild en een tam. Freud had een Über-Ich dat het Es aan de lijn houdt. De dominee heeft de duivel en de engel op je schouders. Het decor wisselt, het toneelstuk blijft hetzelfde: boven zit iemand die stuurt, onder zit iets wat gestuurd moet worden.
Ik geloof daar niet in. Maar mijn eerste versie van dit stuk geloofde er, zonder het te merken, wel in. Ik schreef over een dualistisch dilemma: een wilseigenschap tegenover een innerlijke natuur. Twee partijen, één ring. Dat is Descartes met een trainingspak aan. Wie de bestuurder ontslaat, kan niet vervolgens een scheidsrechter aanstellen die precies hetzelfde werk doet.
Wat ik wel zie zijn twee magneten in hetzelfde stuk ijzer. Een die trekt en een die afstoot. Allebei ijzer, allebei natuur, allebei van mij en tegelijk van niemand. Het gevoel van een dilemma ontstaat pas als ik die trek en die afstoting een naam geef en er een rechter bij verzin die moet beslissen. Het dilemma is zelf het verhaal.
In de sportzaal zie ik dat mechanisme al vijftig jaar, alleen sneller. Een vechter duikt weg voor een stoot. Na afloop vraag je hem wat hij zag. Hij zegt dat hij de schouder zag bewegen, dat hij de combinatie las, dat hij wist wat er kwam. Hij meent het. Alleen: die stoot was er sneller dan een bewuste gedachte de tijd had om zich aan te kleden. Het lijf dook, het hoofd schreef het verslag. Niemand in de zaal noemt dat liegen, en terecht. Het is gewoon hoe het werkt. Wat in de ring in een fractie van een seconde gebeurt, gebeurt bij de jonge vrouw in een paar seconden, en bij een huwelijk of een carrière in een paar jaar. Het principe verandert niet met de tijdschaal; alleen de rapportage wordt langer.
Dat is de kern. Wat volgt is een rondgang langs de denkfouten die het standaardantwoord overeind houden. Ik heb er zelf in geloofd, sommige tot vorige week. Ik behandel ze een voor een, en ik spaar mezelf niet.
Eerste dwaling: de mens wil zich voortplanten
Elk organisme heeft twee basale drijfveren, zegt het schoolboek: overleven en voortplanten. Het klinkt als biologie en het is half theologie. Er bestaat namelijk geen drift tot voortplanting. Geen dier op aarde heeft ooit gepaard omdat het nakomelingen wilde. Het paarde omdat het moest, omdat het jeukte, omdat het lekker was, omdat een geur of een vorm een kettingreactie in gang zette waar niemand om had gevraagd. Dat daar soms jongen uit voortkwamen was voor het dier een bijwerking. Voor de evolutie was het de hoofdzaak. Dat zijn twee verschillende boekhoudingen, en wie ze door elkaar haalt, krijgt een balans die nooit sluit.
Biologen maken dat onderscheid al sinds de jaren zestig scherp: je hebt de vraag hoe iets werkt, het mechanisme in het lijf van nu, en de vraag waarom het er is, de rekensom over duizenden generaties. Lust is het mechanisme. Voortplanting is de rekensom. Het mechanisme weet niets van de rekensom.
Het bewijs ligt bij de drogist. Als mensen werkelijk op voortplanting draaiden, was de pil nooit een bestseller geworden. Een soort die zich wil voortplanten, koopt geen condooms. Een soort die lust wil zonder rekening, koopt ze per doos. De westerse mens heeft het mechanisme losgeknipt van zijn oorspronkelijke opbrengst en houdt nu een kraan over die blijft lopen, ook al is de put allang dichtgemetseld. Dat is geen falen van de natuur. Zo ziet natuur eruit als je haar laat werken in een omgeving waarvoor ze niet gebouwd is.
Tweede dwaling: de lust is het excuus
In mijn eerste versie maakte ik precies de omgekeerde fout. Ik schreef dat de mens niet bezig is met voortplanten maar met het genoegen van seks, en ik noemde dat genoegen een cultureel excuus. Alsof de lust een verpakking was om iets anders heen. Dat is te mooi om waar te zijn, en dus niet waar.
De lust is de drift. Die is echt, die zit in het neuron, die is ouder dan elke cultuur. Wat wél verpakking is, is wat we eromheen bouwen zodra de lust botst met iets anders. Dan komen de woorden. Liefde, trouw, fatsoen, zonde, deugd. De drift praat niet; de verpakking praat aan één stuk door. Het excuus zit dus niet in het genot, het zit in het commentaar op het genot. We zien het neuron niet, dus we zien het etiket, en we denken dat het etiket de inhoud is.
Het verschil lijkt klein, maar het verandert de hele vraag. Als de lust het excuus is, zoek je de echte reden ergens achter de lust. Als de moraal het excuus is, zoek je de echte reden in het lijf zelf, en dan wordt het pas interessant.
Derde dwaling: twee heren, overleven en voortplanten
De titel van mijn eerste versie was Het dualistische dilemma. Overleven tegenover voortplanten, twee heren die elkaar het organisme betwisten. Ook dat houdt geen stand. Evolutionair gezien is overleven alleen een tussenstation. Een dier dat honderd wordt zonder ooit een nakomeling te verwekken, is een evolutionaire doodlopende weg met een mooi pensioen. Er is maar één valuta, en die heet doorgegeven erfelijk materiaal. Overleven is de spaarrekening waarmee je later voortplanting betaalt, of de voortplanting van je verwanten. Er zijn dus geen twee heren. Er is één begroting, met posten die elkaar beconcurreren.
Dat maakt het voorbeeld van de jonge vrouw juist vreemder. De evolutietheorie heeft een voorspelling voor oude dieren: wie weinig jaren meer te gaan heeft, hoort juist alles in te zetten op voortplanting, want sparen heeft geen zin meer. Bij veel soorten zie je dat ook. Oude zalmen, oude hertenbokken, oude vogels gooien hun laatste kaarten op tafel. Vanuit die rekensom is een oude man die een vruchtbare jonge vrouw afwijst een slechte boekhouder. Dat ik toch nee zeg, vraagt dus om een verklaring die verder gaat dan zuinigheid. Mijn eerste versie zei dat het organisme zijn energie ergens anders in wil steken. Dat klopt misschien, maar dan moet je kunnen zeggen waar, en waarom dat meer oplevert.
De moderne opvolgers van de behoeftepiramide geven een richting: boven het paren staan het vasthouden van een partner en de investering in kinderen en kleinkinderen. Een mens die zestig jaar met iemand optrekt, heeft een paarband gebouwd die zelf een drift is geworden. Een hechting is geen gewoonte die je net zo makkelijk opzegt als een abonnement. Ze zit in hetzelfde ijzer als de lust, en ze trekt de andere kant op.
Vierde dwaling: het geweten, hemels of afwezig
Ik zei altijd dat ik niet in moreel besef geloofde. Dat was te grof. Ik verwarde twee dingen die er in het dagelijks spraakgebruik als één uitzien.
Het eerste is het oordeel zelf: dat snelle, lijfelijke gevoel dat iets niet klopt, dat iets niet hoort, dat je je ervoor zou schamen. Dat bestaat. Het is oud, het is snel, het zit in het lijf en het komt vóór elk argument. Het tweede is de redenering erbij: de nette uitleg waarom het niet hoort, de principes, de regels, de verwijzing naar God of naar de buren. Die redenering komt bijna altijd achteraf. Ze werkt als een advocaat die de zaak verdedigt nadat de jury allang heeft beslist. Je kunt dat in experimenten keurig aantonen: mensen veroordelen iets, kunnen niet zeggen waarom, verzinnen ter plekke redenen, en als je die redenen onderuithaalt, blijft het oordeel gewoon staan. De advocaat verliest, de cliënt blijft onschuldig. Of schuldig. Het maakt het oordeel niets uit.
Wie het eerste ontkent, ontkent dus iets wat bestaat. Wie het tweede aanbidt, aanbidt een persvoorlichter. Mijn positie moet dus anders zijn: het geweten bestaat, alleen niet in de hemel. Het zit in het lijf, en het is waarschijnlijk geboren uit iets heel aards. Kleine groepen jagers en verzamelaars straften wie te veel nam, te hard opschepte of andermans partner inpikte. Wie dat zag aankomen voordat het gebeurde, overleefde. Wie het niet zag aankomen, werd uitgestoten of erger. Een geweten is in die lezing een ingebouwde voorspelling van wat de groep met je gaat doen. Geen stem van boven. Een rekenmachine van opzij.
Vijfde dwaling: wat ik voel, dat weet ik
Mijn reactie op dat idee was direct. Stel dat ik een open relatie had, dat het allemaal mocht, dat er niemand boos zou worden. Dan nog zou er iets in mij zijn wat me tegenhoudt. Dat is geen angst voor straf. Dat voel ik gewoon.
Dat klopt, en het weerlegt niets. Een ingebouwde voorspelling van straf voelt per definitie niet als angst voor straf. Daar is ze ingebouwd voor. De rekening wordt betaald voordat ze binnenkomt; je merkt alleen dat je portemonnee leeg is. Wat je dan voelt is precies wat ik beschreef: iets in mij. Geen gedachte, geen argument, een weerstand zonder afzender.
En hier zit het echte probleem. Of die weerstand een oude groepsstraf is, een paarband, een gewoonte, of iets waar nog niemand een naam voor heeft: van binnenuit kun je dat niet onderscheiden. Het voelt allemaal hetzelfde. Mensen in experimenten geven met grote stelligheid de verkeerde reden op voor hun eigen keuzes, en ze geven die verkeerde reden met dezelfde stelligheid als de goede. Proefpersonen die een panty kiezen uit een rij identieke panty’s, verklaren dat de stof beter was of de kleur mooier, terwijl de enige echte factor de plek in de rij bleek te zijn. Mensen met een doorgesneden hersenbalk verzinnen ter plekke een verhaal voor een handeling die de andere hersenhelft in gang zette, en ze geloven dat verhaal. Introspectie is geen meetinstrument. Het is een verteller die zijn bronnen niet noemt.
Wie een verklaring wil die ik kan toetsen, kan het beter in mijn eigen energiemodel zoeken. Het bekende is goedkoop te voorspellen, het nieuwe is duur. Een vreemd lijf, een vreemde geur, vreemde reacties, vreemde gevolgen: een nieuwe partner is een berg voorspellingsfouten. Een brein dat zuinig moet omgaan met zijn rekenkracht, schrikt daarvoor terug zoals een oude computer hapert bij een te zwaar programma. Dat is geen moraal en geen straf. Wel iets wat je kunt meten, en dat is meer dan je van de dominee kunt zeggen.
Zesde dwaling: de man achter het bureau is de man in de kamer
Ik moet terug naar mijn eigen openingsscène, want daar zit een fout die alle volgende redeneringen besmet. Ik schreef dat een gedachte-experiment zo steriel mag zijn als een operatiekamer. Dat mag het. Alleen meet het dan ook niets anders dan wat er in een operatiekamer gebeurt.
De rem die ik beschreef, voelde ik om vijf uur ’s ochtends achter mijn bureau. Koud, nuchter, met koffie. De man in de kamer is iemand anders. Hij ruikt iets, hij heeft gedronken of niet, hij is moe of niet, zijn hormonen staan op een andere stand, en de vrouw staat niet in een zin maar in een deuropening. Mensen zijn opvallend slecht in voorspellen wat ze doen in een toestand waarin ze op dat moment niet verkeren. In een bekend experiment beantwoordden mannelijke studenten dezelfde vragen over seksueel gedrag twee keer: eenmaal kalm, eenmaal opgewonden. Opgewonden schoof de grens van wat ze aanvaardbaar vonden ver op, en geen van hen had dat in kalme toestand van zichzelf zien aankomen. Wie verzadigd boodschappen doet, koopt te weinig; wie hongerig gaat, koopt de winkel leeg. Het koude hoofd kan het hete lijf niet nabootsen, en het weet niet eens dat het dat niet kan.
Daar zit de dwaasheid van elke stellige uitspraak over jezelf, en de arrogantie. “Dat zou ik nooit doen” is geen kennis. Het is een voorspelling uit de verkeerde kamer, uitgesproken met het gezag van een getuige die er niet bij was.
Ik ken dat beeld beter dan me lief is. Vijftig jaar heb ik zelfverdediging zien trainen in warme, veilige zalen. Goed licht, een mat, een partner die op de afgesproken manier aanvalt en op het afgesproken moment stopt. De techniek zit erin, de cursist voelt zich klaar. Op straat is het donker en nat, de aanvaller praat eerst en slaat dan van opzij, en het lijf doet iets wat in geen enkele les is voorgekomen. De zaal heeft niet gelogen. Ze heeft alleen de verkeerde vraag beantwoord. Mijn rem achter het bureau is zo’n zaal: echt, gemeten, en voor de straat zonder waarde.
Het omgekeerde is ook een dwaling, en die hoort hier te staan. Het moment bepaalt niet alles. Seminaristen die op weg waren om een preek te houden over de barmhartige Samaritaan, liepen in een klassiek onderzoek gewoon langs een man in nood als ze haast hadden; de haast voorspelde hun gedrag beter dan hun geloof. Wie zulke effecten narekent, vindt echter dat de situatie ongeveer even zwaar weegt als de persoon, niet zwaarder. Van moment tot moment schommelt gedrag wild; over weken gemiddeld blijft er een herkenbaar iemand over. Wie alle eer aan de situatie geeft, heeft alleen een nieuwe bestuurder aangesteld, dit keer buiten het lijf.
Voor de magneten betekent dit iets eenvoudigs. Hun sterkte staat niet vast. Het moment draait aan alle drie: het maakt de lust sterker of zwakker, de rem harder of zachter, en het verhaal achteraf anders. Er is dus niet één antwoord dat ik op dat aanbod zou geven. Er zijn er honderd, en welk antwoord je krijgt, hangt af van de kamer waarin je meet.
Zevende dwaling: de wil die vooraf beslist
Het sterkste tegenargument tegen mijn eigen verhaal kwam ook van mezelf. Je kunt niet zeggen dat de wil alleen een verklaring achteraf is, want hij werkt ook vooraf. Ik denk na voordat ik iets doe. Ik weeg af. Ik speel scenario’s door. Ik besluit iets niet te doen voordat ik de kans heb gehad om het te doen.
Dat klopt. De mens is een dier dat voortdurend vooruit rekent, en dat is misschien wel het meest menselijke aan hem. Maar kijk wat er gebeurt als je die overweging vooraf nauwkeurig bekijkt. Er verschijnt een gedachte. Daarna volgt een handeling. En het brein concludeert dat de gedachte de handeling veroorzaakte. Die conclusie is het eigenlijke post-hocdeel. De gedachte zelf is echt, de overweging is echt, maar het gevoel dat ík die overweging maakte en dat zíj de handeling stuurde, is een gevolgtrekking. Het is dezelfde gevolgtrekking die je maakt als je op een lichtknop drukt op het moment dat iemand anders het licht aandoet.
Waar komen die gedachten vandaan? Ze komen ergens uit voort, zei ik zelf. Precies. Ze komen uit hetzelfde lijf dat ook de lust levert en de rem. Een overweging is geen bestuurder die van buiten instapt. Het is een van de processen in de motor, een proces dat toevallig een stem heeft. Dat de wil ook vooraf werkt, maakt hem dus niet tot baas. Het maakt hem tot een voorspelling die meedoet aan het spel, naast de andere voorspellingen. Soms wint hij. Vaak niet. En als hij wint, schrijft hij de geschiedenis.
Achtste dwaling: zonder gedachten geen vooruitgang
Als we geen gedachten hadden, zo redeneerde ik, zouden we in een kringetje blijven draaien. Geen uitvindingen, geen ontwikkeling, geen wiel en geen penicilline. Dus moeten gedachten iets sturen.
De evolutie heeft drie miljard jaar vernieuwing voortgebracht zonder één gedachte. Ogen, vleugels, longen, immuunsystemen. Bacteriën vinden resistentie tegen antibiotica uit zonder vergadering, zonder plan en zonder laboratoriumjas. Vernieuwing vraagt geen denker. Ze vraagt variatie en selectie, en daar heb je geen hoofd voor nodig.
Gedachten zijn voor de mens wel nuttig: wie scenario’s kan doorspelen, hoeft niet elke fout zelf te maken. Dat is een groot voordeel. Maar nut bewijst geen besturing. Het hart is ook nuttig, en niemand beweert dat het hart beslist waar je met vakantie gaat. Mijn argument bewees dat gedachten iets opleveren. Het bewees niet dat ze aan het stuur zitten.
Negende dwaling: het ligt aan mijn leeftijd
In de sportzaal hoor ik het al decennia. Ik kan het niet meer, ik ben te oud. En ik zeg dan altijd hetzelfde: het is niet je leeftijd, het is je leefstijl. Dat is half waar, en de halve waarheid is gevaarlijker dan een hele leugen, want je hoort haar niet kraken.
Ook getrainde zeventigers verliezen elk decennium zo’n tien procent van hun maximale zuurstofopname. Ook wie zijn hele leven blijft trainen, ziet de grafiek dalen. Leefstijl bepaalt hoe steil de helling is, niet of er een helling is. Mijn boodschap in de zaal blijft nuttig, want de meeste mensen gebruiken hun leeftijd als excuus voor een probleem dat bank heet. Maar als stelling over het lichaam klopt ze niet.
Dan mijn tweede idee: dat het lichaam met de jaren economischer gaat bewegen. Ook dat is gemeten, en het blijkt andersom. Oudere mensen verbruiken bij gewoon lopen al snel een vijfde meer energie dan jongeren bij dezelfde snelheid. Spieren gaan meer tegen elkaar in werken om stabiliteit te kopen, en die stabiliteit kost brandstof. Het oude lichaam beweegt dus duurder.
Wat wel overeind blijft, en sterker dan ik dacht, is de motivatie. De stof die de bereidheid regelt om ergens moeite voor te doen, dopamine, verliest met de jaren terrein. Het aantal ontvangers ervan in het brein neemt per decennium met een paar procent af, en de reactie op iets nieuws dempt mee. Dopamine is niet de stof van het genot, zoals de tijdschriften zeggen. Het is de stof van de inspanning: hoeveel moeite een beloning waard is. En precies die rekensom verschuift. Ouderen laten een beloning eerder liggen als er werk voor nodig is. Niet omdat ze lui zijn, maar omdat de prijs van moeite is gestegen.
Dat is de goede versie van wat ik bedoelde. Het lichaam wordt niet zuiniger. Het rekent duurder. De wisselkoers van inspanning naar beloning is veranderd, en dat gebeurt naast de slijtage, niet in plaats ervan. Twee krommen die tegelijk dalen: de machine slijt en de bereidheid om haar te gebruiken zakt. Wie oud is, heeft van allebei last. Wie zegt dat het aan zijn leeftijd ligt, heeft dus gelijk, alleen om de verkeerde reden.
Tiende dwaling: de oermens die gewoon leefde
De mooiste dwaling bewaarde ik voor het laatst, want ik heb haar zelf bedacht en ik vond haar prachtig. Ik kan me een wereld voorstellen, tweehonderdduizend jaar geleden, waarin de mens niet bezig was met redenen bedenken, vooraf of achteraf, maar gewoon met leven. Pas later werden we opgezadeld met een verstand dat overal een verklaring voor zoekt. Een reden, een god.
Het is een prachtig beeld en het is van Rousseau. De nobele wilde, onbedorven door het denken, levend in een eeuwig nu. Het probleem is dat elk spoor dat we hebben het tegendeel laat zien. Al meer dan honderdvijftigduizend jaar geleden smeren mensen zich in met oker en dragen ze versierde schelpen. Dat is geen overlevingstechniek. Dat is betekenis. Bij jagers-verzamelaars die nog leven zoals mensen tienduizenden jaren hebben geleefd, gaan de gesprekken bij het vuur ’s avonds voor het overgrote deel over verhalen: wie wat deed, waarom, wat de geesten wilden, waarom die man ziek werd. Bij sommige volken bestaat ongeluk niet zonder hekserij. Als een graanschuur instort op iemand die eronder zat, is de vraag niet waarom de schuur instortte, want dat weet iedereen: termieten. De vraag is waarom hij instortte op hém, op dát moment. Daar moet een reden voor zijn. Er is altijd een reden.
De oermens leefde dus niet zonder redenen. Hij leefde met redenen voor alles. Misschien zelfs met meer dan wij, want hij had geen wetenschap die hem af en toe vertelde dat iets gewoon toeval was.
Het alarm in het gras
Waarom zou een dier zo onvermoeibaar redenen bedenken? Stel je een savanne voor. Het gras ritselt. Er kan een leeuw zitten. Er kan ook wind zijn. Een dier dat bij elk geritsel een leeuw vermoedt, verliest een middag aan nutteloos wegrennen. Een dier dat bij elk geritsel wind vermoedt, verliest één keer de rest van zijn leven. Reken maar uit welke van de twee er nakomelingen heeft nagelaten.
Wij zijn de kinderen van de schrikkerige. Ons brein ziet overal een veroorzaker, een bedoeling, iemand die iets wil. In wolken zien we gezichten, in toeval zien we een plan, in een ongeluk zien we een schuldige. Een god is in die lezing geen late uitvinding van een overbelast verstand. Hij is het goedkoopste product van een oud alarmsysteem. Altijd beschikbaar, nooit te weerleggen, en hij verklaart de regen net zo makkelijk als de droogte. Er is in de geschiedenis van de mensheid geen voorspelling verkocht die zo weinig kostte en zo veel opleverde.
De derde magneet
En nu komt het deel dat mijn eigen stuk op zijn kop zet. Ik was begonnen met twee magneten: de lust die trekt en de rem die afstoot. Er is een derde, en die zit in de pen van degene die dit schrijft.
Het bedenken van verklaringen is zelf een drift. Kinderen vragen waarom zoals ze om snoep vragen, en ze vragen het om dezelfde reden: het voelt goed. Er is een ontwikkelingspsycholoog die dat tientallen jaren geleden al zo plat mogelijk opschreef, met een titel die in geen enkel tijdschrift voor ouders zou passen: verklaren als orgasme. Het idee is eenvoudig. Een verklaring vinden levert een beloning op, net zoals paren een beloning oplevert. In beide gevallen is die beloning het lokaas waarmee de evolutie een dier iets laat doen wat het op lange termijn opleverde. Bij seks waren dat nakomelingen. Bij verklaren was het een wereld die je beter kon voorspellen. En in beide gevallen is het lokaas losgeraakt van de opbrengst. We vrijen zonder kinderen en we verklaren zonder waarheid. Het genot blijft, de reden is weg.
Dat past naadloos in het beeld van een organisme dat zuinig moet omgaan met energie. Onzekerheid is duur. Een brein dat niet weet wat er komt, moet op alles voorbereid zijn, en voorbereiden kost brandstof. Een verklaring, ook een valse, zet die voorbereiding stil. Ze sluit de rekening. Daarom is een verkeerde verklaring vaak prettiger dan geen verklaring: de eerste kost niets meer, de tweede blijft vreten. Een twijfelaar zoekt geen waarheid. Hij zoekt rust, en een verhaal geeft rust.
Lust en verklaren zijn dus familie. De lust zoekt een lijf, het verklaren zoekt een reden, en geen van beide vraagt of het lijf of de reden de juiste is. De man die nee zegt tegen de jonge vrouw heeft dus niet twee magneten in zich maar drie: een die trekt, een die tegenhoudt, en een die het verslag schrijft. En die laatste is de enige die praat.
Waar dient het excuus voor?
In mijn eerste versie schreef ik dat onze excuses dienen om de kans op overleven te vergroten, zoals een hand dient om voedsel te pakken. Daar zit iets in, maar het is te snel. Er zijn drie mogelijkheden, en ze verdienen alle drie een plek.
De eerste: het excuus is er voor anderen. Wij leven in groepen, en in een groep moet je je kunnen verantwoorden. Wie geen reden kan geven voor wat hij doet, is onvoorspelbaar, en wie onvoorspelbaar is, wordt gewantrouwd. Het verstand is in die lezing geen waarheidszoeker maar een advocaat, gebouwd om de eigen zaak te bepleiten en die van een ander door te prikken. Het excuus is een visitekaartje.
De tweede: het excuus is er om anderen beter te overtuigen door eerst jezelf te overtuigen. Wie liegt en het weet, verraadt zich. Een trilling in de stem, een blik die net te lang blijft hangen. Wie liegt en het niet weet, liegt vlekkeloos. Zelfbedrog is in die lezing geen fout in het systeem; het is een upgrade. Een excuus waar je zelf in gelooft, verkoopt beter. Daarom is de ware reden zo moeilijk te benaderen. Dat is geen ongelukje. Dat is de functie.
De derde, en die vergeet iedereen: misschien is het excuus nergens voor. Niet alles wat een organisme heeft, is er met een reden. Sommige eigenschappen zijn bijproducten, zoals de kin een bijproduct is van de kaak. Een taal die zinnen bouwt met een onderwerp en een werkwoord, levert vanzelf verhalen op met een held die handelt. Misschien is het excuus gewoon wat taal doet als je haar loslaat op gedrag. Dan is de hand een gereedschap en het excuus het geluid dat het gereedschap maakt.
Ik weet niet welke van de drie het is. Waarschijnlijk alle drie, in wisselende verhouding. Maar ik weet wel dat de vraag waar het excuus voor dient zelf een excuus-vraag is. Hij veronderstelt dat er een reden moet zijn. De derde magneet trekt ook aan mij.
Ook dit is een excuus
En daarmee kom ik waar dit stuk heen moest. Als alles wat we als reden opgeven een verhaal achteraf is, dan geldt dat ook voor mijn verhaal. De energieverschuiving, de voorspellingsfouten, de dure inspanning, de magneten: het zijn redenen. Ik heb ze bedacht omdat het bedenken goed voelde en omdat ze mijn onzekerheid over die rem in mijn lijf tot rust brachten. Ze zijn beter onderbouwd dan het geweten van de dominee, ze zijn toetsbaar, en dat is het enige voordeel dat ze hebben. Het is geen klein voordeel. Wetenschap is ook een gedeeld verhaal; ze onderscheidt zich alleen doordat ze zichzelf af en toe ontslaat.
De ware reden is van binnenuit niet te bereiken. Daar is introspectie het verkeerde instrument voor, zoals een thermometer het verkeerde instrument is om gewicht te meten. Wie wil weten waarom hij nee zei, moet niet naar binnen kijken maar laten meten: wat zijn lijf deed, in welke volgorde, onder welke omstandigheden, en wat er gebeurt als je die omstandigheden verandert. Dat kan een ander beter dan jij. De vechter weet niet waarom hij wegdook. De camera weet het wel.
Dus ja, we zijn voortdurend bezig met het bedenken van excuses, en we kunnen er niet mee ophouden, want het bedenken is zelf een drift. Dat maakt het geen schande. Het maakt het gedrag. De rem kwam eerst. De reden kwam daarna. Het verschil tussen de oude man die zegt dat hij trouw is en de oude man die zegt dat zijn organisme duurder rekent, is niet dat de een liegt en de ander de waarheid spreekt. Ze kiezen allebei van hetzelfde menu. De een bestelt het gerecht van het huis, de ander bestelt iets met een literatuurlijst.
De man die nee zei, heeft nooit in die kamer gezeten. Hij zat om vijf uur ’s ochtends achter een bureau en verzon een kamer, een vrouw en een rem. Toen pakte hij de kaart, sloeg hem open en koos een reden. Het smaakte prima.
Er is geen bestuurder. Alleen gedrag.
Literatuur
Uit het geheugen samengesteld; jaartallen en titels zijn gecontroleerd op hoofdlijnen, niet tegen de bron zelf.
- Ainslie, G. (2001). Breakdown of Will. Cambridge University Press.
- Ariely, D. & Loewenstein, G. (2006). The heat of the moment: the effect of sexual arousal on sexual decision making. Journal of Behavioral Decision Making, 19(2).
- Bäckman, L. e.a. (2010). Linking cognitive aging to alterations in dopamine neurotransmitter functioning. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 34(5).
- Barrett, J. L. (2004). Why Would Anyone Believe in God? AltaMira Press.
- Boehm, C. (2012). Moral Origins: The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame. Basic Books.
- Boyer, P. (2001). Religion Explained. Basic Books.
- Bunzeck, N. e.a. (2007). Mesolimbic novelty processing in older adults. Cerebral Cortex, 17(12).
- Clutton-Brock, T. H. (1984). Reproductive effort and terminal investment in iteroparous animals. The American Naturalist, 123(2).
- Darley, J. M. & Batson, C. D. (1973). From Jerusalem to Jericho: a study of situational and dispositional variables in helping behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 27(1).
- Dawkins, R. (1976). The Selfish Gene. Oxford University Press.
- Dennett, D. C. (1987). The Intentional Stance. MIT Press.
- Evans-Pritchard, E. E. (1937). Witchcraft, Oracles and Magic among the Azande. Clarendon Press.
- Fisher, H. (1998). Lust, attraction, and attachment in mammalian reproduction. Human Nature, 9(1). Uitgewerkt in Why We Love (2004).
- Fleeson, W. (2001). Toward a structure- and process-integrated view of personality: traits as density distributions of states. Journal of Personality and Social Psychology, 80(6).
- Funder, D. C. & Ozer, D. J. (1983). Behavior as a function of the situation. Journal of Personality and Social Psychology, 44(1).
- Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. Ecco.
- Gilbert, D. T., Gill, M. J. & Wilson, T. D. (2002). The future is now: temporal correction in affective forecasting. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 88(1).
- Gopnik, A. (1998). Explanation as orgasm. Minds and Machines, 8(1).
- Gould, S. J. & Lewontin, R. C. (1979). The spandrels of San Marco and the Panglossian paradigm. Proceedings of the Royal Society B, 205.
- Haidt, J. (2001). The emotional dog and its rational tail. Psychological Review, 108(4). Uitgewerkt in The Righteous Mind (2012).
- Henshilwood, C. S. e.a. (2002). Emergence of modern human behavior: Middle Stone Age engravings from South Africa. Science, 295.
- Kenrick, D. T. e.a. (2010). Renovating the pyramid of needs. Perspectives on Psychological Science, 5(3).
- Kirkwood, T. B. L. (1977). Evolution of ageing. Nature, 270.
- Kurzban, R. (2010). Why Everyone (Else) Is a Hypocrite. Princeton University Press.
- Loewenstein, G. (2005). Hot-cold empathy gaps and medical decision making. Health Psychology, 24(4S).
- Marean, C. W. e.a. (2007). Early human use of marine resources and pigment in South Africa during the Middle Pleistocene. Nature, 449.
- Mayr, E. (1961). Cause and effect in biology. Science, 134.
- Mercier, H. & Sperber, D. (2017). The Enigma of Reason. Harvard University Press.
- Mian, O. S. e.a. (2006). Metabolic cost, mechanical work, and efficiency during walking in young and older men. Acta Physiologica, 186(2).
- Nisbett, R. E. & Wilson, T. D. (1977). Telling more than we can know. Psychological Review, 84(3).
- Ortega, J. D. & Farley, C. T. (2007). Effects of aging on mechanical efficiency and muscle activation during level and uphill walking. Journal of Electromyography and Kinesiology, 17(1).
- Ross, L. & Nisbett, R. E. (1991). The Person and the Situation. McGraw-Hill.
- Rousseau, J.-J. (1755). Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes.
- Seligman, M. E. P., Railton, P., Baumeister, R. F. & Sripada, C. (2016). Homo Prospectus. Oxford University Press.
- Tanaka, H. & Seals, D. R. (2008). Endurance exercise performance in Masters athletes. The Journal of Physiology, 586(1).
- Tinbergen, N. (1963). On aims and methods of ethology. Zeitschrift für Tierpsychologie, 20.
- Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books.
- Wegner, D. M. (2002). The Illusion of Conscious Will. MIT Press.
- Westbrook, A., Kester, D. & Braver, T. S. (2013). What is the subjective cost of cognitive effort? PLoS ONE, 8(7).
- Westbrook, A. & Braver, T. S. (2016). Dopamine does double duty in motivating cognitive effort. Neuron, 89(4).
- Wiessner, P. W. (2014). Embers of society: Firelight talk among the Ju/’hoansi Bushmen. PNAS, 111(39).
- Williams, G. C. (1966). Natural selection, the costs of reproduction, and a refinement of Lack’s principle. The American Naturalist, 100.
- Young, L. J. & Wang, Z. (2004). The neurobiology of pair bonding. Nature Neuroscience, 7(10).
