Beste lezer,
Vandaag een essay over een donderdagavond in de sportschool: zes mensen leren een messteek pareren terwijl iemand de stopwatch bedient.
In het kort. Onderzoekers lieten vierenzeventig vrijwilligers met een rubberen mes op twee meter afstand steken, en dat duurde gemiddeld tussen 1,4 en 1,6 seconde. Dus heb je geen tijd, lijkt het. Maar de vrijwilligers hadden geen angst, geen woede en geen reden, en in een eerdere meting verklaarde spierkracht het verschil tussen mannen en vrouwen. Ik houd mijn eigen stelling, dat zaaloefening niet overgaat naar de straat, er ook naast: die blijkt zo geformuleerd dat geen meting haar kan weerleggen, en dat is een zwakte, geen sterkte.
De conclusie: een stopwatch meet altijd de aanvaller, nooit degene die moet reageren.
Kijk volgende keer goed wie hem bedient.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
De seconde die je niet hebt
Donderdagavond, negen uur, achterin de zaal. Een instructeur met een rubberen mes en een weekendcursus op zijn cv laat zien hoe je een messteek pareert. Pols grijpen, draaien, knie. Zes leden staan in een rij, de rest kijkt toe. Iemand pakt zijn telefoon en zet de stopwatch aan, want er is altijd iemand die dat doet. De instructeur steekt toe vanaf twee meter. Ze pareren, ze lachen, ze doen het nog eens. Het duurt ruim een seconde per keer en iedereen gaat naar huis met het gevoel dat hij het kan.
Dat gevoel is het product. Het mes is de verpakking.
Wat er in die zaal niet gebeurt, is dat iemand vraagt hoeveel tijd een aanvaller eigenlijk nodig heeft. Kantor, Bleetman, Tenbrink en Garg hebben het gemeten. Vierenzeventig proefpersonen kregen een rubberen trainingsmes, verborgen op het lijf, en het bevel om een doelwit te steken vanaf acht voet, ruim twee meter, vrijwel de afstand van de zaal. Drie bewegingen: de rechtstreekse steek, de horizontale haal, de overhandse klap. De steek duurde gemiddeld 1,43 seconde, de haal 1,55, de overhandse klap 1,60. Het snelste resultaat was een jonge man die in 1,04 seconde het doelwit raakte. Mannen waren sneller dan vrouwen, leeftijd maakte niets uit. De auteurs concluderen dat je verdedigende handelingen moet oefenen binnen dat tijdsbestek.
Lees dat laatste nog eens. Oefen binnen dat tijdsbestek. Alsof de moeilijkheid zit in het tempo van je knie.
Wie mijn eigen werk kent, weet wat ik hier wil zeggen, en het klopt ook grotendeels. Een organisme dat een gebeurtenis moet waarnemen, moet herkennen wat het is, iets moet selecteren uit wat het ooit heeft geleerd en het dan nog moet uitvoeren, doet daar langer over dan de aanval duurt. Een gewone, eenvoudige reactie op een lampje kost een gezonde volwassene al een paar honderd milliseconde. Er zit geen ruimte in 1,04 seconde voor overleg. Dat er in de zaal wel een verdediging lukt, komt doordat de aanvaller de steek kent, de verdediger de verdediging kent, en beiden weten dat het rubber is. Het is een dans met een afgesproken einde. De stopwatch meet die afspraak, geen gevecht.
Daar komt bij dat het getal zelf een carrière heeft. In maart 1983 publiceerde een agent uit Salt Lake City, Dennis Tueller, in SWAT Magazine een stuk over hoe snel iemand zeven meter overbrugt. Anderhalve seconde, zei hij, en een agent die staat, trekt en schiet doet er ongeveer even lang over. Geen peer review, geen beschreven methode, een demonstratie voor collega’s. Daaruit groeide de 21-voetregel, die inmiddels opduikt in rechtszaken over buitensporig geweld, zoals Buchanan tegen San Jose, waar een man met een mes op 55 voet, ruim zestien meter, werd beschoten. Tueller zelf zei dat een vastberaden aanvaller sneller kan zijn dan een agent die stilstaat, trekt en mikt; hij zei niet dat je binnen 21 voet mocht vuren. Dat detail is onderweg gesneuveld. Sandel en collega’s zetten in 2021 één ervaren agent tegenover een hele rij aanvallers en rekenden uit dat hij in de meeste combinaties niet eerder schoot dan dat de aanvaller er was. De 21 voet is dus niet gelogen; hij is een verhaal geworden dat gedrag coördineert, ongeacht zijn waarheidswaarde. Een fictie in de technische zin, die rechters, agenten en instructeurs hetzelfde antwoord geeft.
Kantor c.s. hebben er nu een tweede fictie bij geleverd, en die ziet er beter uit. Er zit een steekproef achter, standaarddeviaties, een tijdschrift. Ik geef het tien jaar voor iemand in een cursusfolder schrijft: de Kantor-regel, anderhalve seconde. Het snelste getal blijft altijd hangen en het gemiddelde nooit.
Neem het applaus erbij. Zes van de zes verdedigingen slagen op donderdagavond, en elk succes werkt als beloning, zoals bij een gokker die de fiches ziet aanschuiven. De stopwatch maakt het erger, want hij geeft het geheel een gezicht van wetenschap: er staat een getal op, dus het is gemeten. Het lichaam leert daaruit precies wat er in de zaal te leren valt, namelijk hoe je een afgesproken steek van een afgesproken man afhandelt op een afgesproken vloer. Wat de leden meenemen is vertrouwen, en dat vertrouwen is nooit getoetst aan een aanval waarvan de verdediger het tijdstip niet kent. Een reactie die op de ene plek is geleerd, keert onder andere signalen niet vanzelf terug; dat neem ik uit de leertheorie mee en dat zie ik bij mijn eigen leden gebeuren.
Tot zover past alles in mijn model. Nu de rekening.
De eerste post is het sekseverschil. Uit dezelfde groep is namelijk eerder een tweede meting gepubliceerd, op 21 voet in plaats van acht. Vierenzeventig proefpersonen ook daar, veertig mannen en vierendertig vrouwen, waarschijnlijk dezelfde mensen; de aanvalstijd was gemiddeld 2,40 seconde met 1,75 als snelste. Toen de onderzoekers corrigeerden voor het aantal push-ups dat iemand kon doen, verdween het verschil tussen de seksen en tussen de leeftijden. Push-ups waren de enige voorspeller. Man en vrouw waren een schaduw van spierkracht. In de nieuwe studie meldt het abstract weer een sekseverschil, en ik heb het volledige artikel niet kunnen inzien, dus ik weet niet of ze daar opnieuw corrigeren. Het is een klein lesje, maar het is mijn lesje. Ik praat in de zaal over de aanvaller alsof dat een type is, een soort dier met een mes. Het is een gewicht, een spierbundel en een geschiedenis. Een categorie die instort zodra je de juiste variabele meeneemt is een categorie die ik niet had mogen gebruiken.
De tweede post is groter en raakt mijn eigen kernstelling. Ik heb altijd volgehouden dat wat in de zaal wordt geleerd niet overgaat naar de straat, omdat het een tikspel is in een specifieke omgeving. Ik houd dat ook vol. Maar kijk wat het laboratorium eigenlijk vraagt. Het mes is verborgen, de proefpersoon weet dat hij gaat aanvallen, hij voelt geen angst, geen woede en geen reden, en de verdediger is een pak met een doelwit. De studie is met opzet zo ingericht dat de aanvaller geen signalen afgeeft. Dan is 1,04 seconde inderdaad kort. Maar in mijn eigen deel over expert anticipation, uit het manuscript, staat dat de keeper die de penalty stopt al beweegt voordat de bal wordt geraakt. Hij leest de heup, de aanloop, de schouder. De ervaring bestaat uit vroeg beginnen. Als ik daarin geloof, en dat doe ik, dan kan ik in dezelfde adem niet beweren dat training niet overgaat. Ik moet kiezen tussen een sterke claim over geen transfer, of een sterke claim over anticipatie. Beide tegelijk is een rekensom die alleen klopt omdat ik ze in verschillende hoofdstukken heb gezet.
Er is een verwijt dat ik hier eerlijk moet maken, want het is het sterkste. Het luidt zo: het is makkelijk om vanuit een stoel te zeggen dat de getallen niets bewijzen. Een agent die op een parkeerplaats staat en een man met een mes op zich af ziet komen, heeft niets aan mijn scepsis. Hij heeft een getal nodig, hoe gebrekkig ook, om te bepalen wanneer hij zijn wapen moet hebben, en de enige plek waar dat getal vandaan komt is een lab met rubber en vrijwilligers. Wie de metingen afwijst, laat de training over aan de mening van de trainer. Dat is geen zwak argument. Een onvolmaakte meting die een eerlijke bovengrens geeft, is beter dan een gevoel dat zichzelf niet kan controleren. Ik kan er alleen tegenover zetten dat de meting een ondergrens van de aanvaller geeft, geen bovengrens van de werkelijkheid, en dat de gebruiker haar telkens omkeert. In een zaal wordt 1,04 gelezen als de tijd die een ander nodig heeft om je te raken. Het is de tijd die een gewillige vrijwilliger nodig had om een pak aan te raken.
Er komt een derde stuk tegenwicht bij, en dat komt uit een hoek die ik zelf graag citeer. Bij een schrikreflex, zo betoogde ik eerder, valt de training weg en blijft het lichaam over. Dat is wat de schrikreflex-verkopers niet vertellen. Maar het onderzoek naar wat StartReact heet, laat iets zien wat mijn zin half onderuit haalt. Wie een eenvoudige beweging heeft voorbereid en dan wordt geschrokken door een harde toon, voert die beweging uit in minder dan tachtig milliseconde, waar een bewuste reactie er honderdvijftig tot driehonderd of meer voor nodig heeft. De schrik hakt de training niet weg, hij drukt de knop in. Het mechanisme ligt vermoedelijk in de hersenstam en wordt door specialisten nog betwist. Het gaat om simpele bewegingen in een laboratorium, niet om een pols grijpen, draaien en knie. Niemand heeft dat bij een messteek aangetoond. Maar de vraag is niet meer of oefening kan doorwerken in een schrik, maar welke oefening, van welke beweging, onder welke omstandigheden. Dat is een lijst voorwaarden, geen verbod.
En daarmee zit ik met een ongemakkelijk gevolg voor mijn eigen zin. Zeg ik dat transfer alleen optreedt waar de situatie overeenkomt met de training, dan zeg ik iets wat waar is omdat het een definitie is. Transfer is overeenkomst. Zo’n uitspraak kan geen enkele meting weerleggen, en juist dat maakt haar verdacht. Ik had het uit de zaal meegenomen als een mening; het is intussen geworden tot een dogma dat dekt wat ik wil dat het dekt. Een weerlegbare versie zou luiden: een verdedigende handeling waarvan de start wordt geleerd op een zichtbaar signaal van een aanvaller die zijn hand naar een heup brengt, wordt onder schrik sneller uitgevoerd dan zonder dat leren. Daar kan iemand zijn stopwatch bij houden, en ik weet niet hoe het afloopt.
Er speelt nog iets mee wat de studie niet meet en dat ik daarom voorzichtig noem. De proefpersoon bewoog zo snel als hij kon omdat iemand met een klembord dat vroeg. Een echte aanvaller heeft kosten: hij loopt een risico, hij is bang of boos, hij twijfelt, hij overweegt. Volgens mijn eigen model is elk organisme een kostenminimaliseerder, dus een aanvaller die snel toeslaat, doet dat omdat het in dat moment het goedkoopste is, en een aanvaller die talmt, talmt om dezelfde reden. Beide varianten zijn in de praktijk denkbaar; geen enkele stopwatch heeft er data over. Ik heb hier een redenering, geen bevinding, en de lezer mag het ook zo wegen.
Nu de twee valkuilen die mijn eigen pen steeds opzoekt. De eerste zit al in de titel van het artikel: hoeveel tijd heb je? Wie is die je? De vraag veronderstelt iemand die over een klok beschikt, die de seconden ziet wegtikken en zijn aanpak daarop afstemt. Er is geen zittende beslisser; er is een lichaam dat bij dit patroon van beweging ofwel al een geschikte respons in zich heeft, ofwel niet. De uitspraak dat je binnen 1,4 seconde de optimale respons moet bepalen is een taalfout die als meetresultaat wordt opgevoerd. En de tweede: het woord aanval. Een proefpersoon die de opdracht krijgt te steken heeft een doel omdat wij het hem hebben gegeven. Een aanvaller in de werkelijkheid heeft geen doel dat voorafgaat aan zijn gedrag; het doel is het verhaal dat later wordt opgeschreven, door hemzelf, door de rechter, door de krant. Ik betrap mezelf even makkelijk. In mijn aantekeningen staat de vraag waarom mensen besluiten te gaan vechten. Besluiten. Ik heb daar een mannetje gezet met een handtekening.
Wat overblijft is niet veel en het is niet gezellig. Het getal 1,04 is echt en het getal 1,43 ook, en ze zeggen iets over spieren en over afspraken. Over een lichaam met een adrenalinestoot en een mes in de rug zeggen ze niets. De zaal beweert dat je tegen de klok kunt oefenen. De klok beweert dat je geen tijd hebt. Elk van de twee praat over een situatie waarin de ander niet voorkomt.
Volgende donderdag staan ze er weer. Rubber mes, rij van zes, iemand met een telefoon. De stopwatch begint bij de eerste beweging van de aanvaller en stopt als de steek het doel raakt. Hij meet altijd de man met het mes. Niemand heeft hem ooit gestart voor degene die moet reageren, want dat getal weet je pas achteraf, en dan is er geen enkele wie het nog kan zeggen.
Literatuur
Bartel, L., e.a. (2025). Time to stop: firearm simulation dynamics. Journal of Forensic Biomechanics, 16(1). (samenvatting via Force Science, 2025; volledig artikel niet ingezien)
Carlsen, A. N., & Maslovat, D. (2026). What is the StartReact effect? Acta Physiologica, 242. doi:10.1111/apha.70235
Kantor, M. A., e.a. (2024). The 21-foot principle: Effects of age and sex on knife attack characteristics. Journal of Forensic and Legal Medicine, 101. doi:10.1016/j.jflm.2023.102637
Kantor, M. A., Bleetman, A., Tenbrink, J., & Garg, H. (2026). Close-quarter concealed knife attacks: How much time do you have? The Police Journal. doi:10.1177/0032258X251340171 (alleen abstract ingezien)
Lewinski, W. J., Hudson, W. B., & Dysterheft, J. L. (2014). Police officer reaction time to start and stop shooting: the influence of decision-making and pattern recognition. Law Enforcement Executive Forum. (via samenvatting Force Science)
Sandel, W. L., Martaindale, M. H., e.a. (2021). A scientific examination of the 21-foot rule. Police Practice and Research, 22(3). doi:10.1080/15614263.2020.1772785
Tueller, D. (1983). How close is too close? SWAT Magazine, maart 1983.
Valls-Solé, J., e.a. (1995-1999). Onderzoek naar acoustic startle en versnelde bewegingsreacties (oorsprong van het StartReact-effect), zoals besproken in Carlsen & Maslovat (2026).
Glennon, J. (2016). The 21-foot rule doesn’t exist. Calibre Press. https://calibrepress.com/2016/02/the-21-foot-rule-doesnt-exist/
