Trouwe lezer,
Ik schreef vorige week een zin op waar ik tevreden over was: dat we met het brein een zelf hebben gekregen. Een taalmodel vroeg mij: van wie dan? Het duurde even voor ik doorhad dat ik betrapt was, en langer voordat ik begreep waarop.
Dit essay gaat over de dader die onze grammatica eist en die er niet is. Over waarom we overal iemand aan de knoppen zetten, waarom dat vooral snel gaat wanneer we het even niet meer weten, en waarom de verklaring die het prettigst voelt meestal de deur achter zich dichttrekt.
Het is niet het vriendelijkste stuk dat ik heb geschreven. Zeg gerust waar ik ernaast zit.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Wie regent?
Het regent. Twee woorden, en er is niemand die het doet. Dat “het” een loze pion is, een stoel die we neerzetten omdat de zin anders omvalt. Het is zo ongeveer de enige plek in onze taal waar we een gebeurtenis mogen opschrijven zonder er een dader bij te leveren.
Verder eisen we overal een schuldige. De economie herstelt. Het immuunsysteem vecht terug. De evolutie wil dat we ons voortplanten. Mijn hersenen besloten iets anders. Stuk voor stuk processen die in een pak zijn gehesen en een naambordje hebben gekregen, en stuk voor stuk zinnen die we uitspreken zonder aarzeling, omdat de grammatica ze voorschrijft en wij haar gehoorzamen zoals we verkeersregels gehoorzamen: automatisch, en met het gevoel dat het zo hoort.
Vorige week schreef ik op dat we met het brein een zelf hebben gekregen. Een zin waar ik tevreden over was, tot een taalmodel mij vroeg: van wie dan? Het ding dat uit niets anders bestaat dan statistiek over andermans zinnen, betrapte mij op mijn geloof in de mijne.
Terecht ook. “Krijgen” is een overdrachtswerkwoord. Het eist een gever, een ontvanger en iets dat van hand wisselt, en ik had er in één beweging de poppenspeler binnengelaten die ik twee alinea’s eerder stond weg te redeneren. Zo snel gaat dat. Je hoeft geen slecht denker te zijn om erin te trappen, je hoeft alleen maar Nederlands te spreken.
Probeer het maar eens te repareren. “Er ontstond een zelf” is beter en suggereert nog altijd een moment waarop het aanging. “Er vormde zich een zelfmodel” klopt en leest als een bijsluiter. Alles wat je ervoor in de plaats zet, sleept weer een subject mee of wordt onleesbaar. Het regent is de uitzondering die de regel etaleert: we hebben één grammaticale plek voor daderloze gebeurtenissen, en we gebruiken hem voor het weer.
Er is anderhalve eeuw geleden al opgemerkt dat ons geloof in een ik dat denkt rechtstreeks uit de zinsbouw voortkomt, en dat we van God niet afkomen zolang we in grammatica geloven. Dat is geen woordspeling. Elke taal met onderwerp en gezegde produceert vanzelf de vraag “van wie dan”, en elke cultuur heeft die vraag beantwoord met een naam, er een gebouw bij gezet en er personeel voor aangenomen. De theologie is niet begonnen met een openbaring. Ze is begonnen met een werkwoord dat een onderwerp nodig had.
Dat zou allemaal nog vermakelijk zijn als het bij taal bleef. Het blijft niet bij taal.
Want zodra er iets gebeurt waar we geen raad mee weten, zoeken we een haak om het aan op te hangen, en we zoeken binnen het rooster dat we al hadden aangelegd. Dat gaat snel. Het gaat vooral snel als we moe zijn, bang, of onder tijdsdruk staan, en dan pakken we de eerste verklaring die past en stoppen met zoeken. Dat is gemeten, herhaald en onder verschillende namen beschreven, en de bevinding die eraan kleeft is ongemakkelijker dan de bevinding zelf. Mensen die na een verlies betekenis vinden functioneren beter dan mensen die dat niet doen, en de betekenissen die ze vinden spreken elkaar plat tegen. Eén gebeurtenis, twintig nabestaanden, twintig onverenigbare verklaringen, allemaal werkzaam. Daarmee is de vraag beantwoord waar dit mechanisme op is geselecteerd, en waarheid komt in dat antwoord niet voor.
De rekensom eronder is simpel. Een verklaring kost niets en wordt onmiddellijk uitbetaald. Verificatie kost veel en betaalt later uit, misschien. Geen organisme met een stofwisseling kiest standaard het tweede. En sinds kort is er een leverancier die verklaringen in onbeperkte hoeveelheid produceert, op afroep, in foutloos Nederlands. Dat uitgerekend dat apparaat mij op mijn eigen kapstok wees, mag u zelf wegen.
Want zo’n haak stelt de betere verklaring niet uit, hij bezet de plek. In de geneeskunde heet dat premature closure en het is een van de best gedocumenteerde bronnen van diagnostische fouten: zodra er een naam hangt, stopt het kijken. Hoe prettiger de verklaring voelt, hoe steviger ze vastzit. Wie zijn nederlaag verklaart met een slechte dag, kijkt de opname niet meer terug.
Er is één test die het onderscheid maakt, en het is geen ingewikkelde. Wat kost die verklaring je? Eentje die alleen troost is verdacht. Eentje die je ergens slechter af laat, doet waarschijnlijk werk. Een verklaring die je al prettig had gevonden voordat je haar nodig had, heb je niet gevonden maar uitgekozen.
Langs die meetlat sneuvelt ook mijn eigen lievelingsontsnapping. Als alles wat we denken door taal en categorie is voorgevormd, ligt de conclusie voor het grijpen dat alles dan gedachte is, dus illusie. Het voelt diep en het is de oudste uitgang in het vak. De sluier, de grot, de boze demon, het brein in het vat, de simulatie. Iedere generatie vindt hem opnieuw, iedereen die hem binnengaat vindt hem diep, en er is in tweeduizend jaar geen volgende stap uit voortgekomen. Hij kost je niets, hij is niet te weerleggen, hij verklaart alles. Het is de grootste kapstok in de kamer en hij hangt er precies daarom.
Hij klopt ook niet. Een representatie van niets zou willekeurig falen. Onze modellen falen systematisch en corrigeerbaar, en dat is het handschrift van iets dat zich van onze hokjes niets aantrekt. Anesthesie werkt. Bruggen houden. En als categorieën het zoekbereik werkelijk zouden afsluiten, kon er nooit een nieuwe bij komen, terwijl ze voortdurend bijkomen. Iemand moest ooit entropie verzinnen, en gen, en reconsolidatie. Dat gebeurt precies wanneer iets zich blijft opdringen dat in geen enkel bestaand hok past. Het rooster is dus lek, en het lek zit aan de kant van de werkelijkheid.
Blijft over: van wie kregen we dat zelf.
Van niemand. Het antwoord bestaat en het laat zich alleen moeizaam in een hoofdzin persen. Een systeem dat zijn eigen grens onderhoudt en zichzelf daarbij voortbrengt, en dat als bijproduct een model van zichzelf maakt omdat dat model de voorspellingen verbetert. Geen gever, geen ontvanger, geen overdracht. De reden dat dit gek klinkt is niet dat het onwaarschijnlijk is. De reden is dat onze zinnen er geen stoel voor hebben.
Daarom staan de harde beschrijvingen van zelforganisatie in differentiaalvergelijkingen en niet in proza. Wiskunde is de enige notatie die een proces kan opschrijven zonder dat er iemand aan de knoppen zit. Vertaal het naar het Nederlands en er staat onmiddellijk weer iemand.
We raakten onszelf dus niet kwijt toen we een brein kregen. We kregen een zelf en raakten het zicht erop kwijt, want het model is onzichtbaar als model, en dat is geen defect maar een ontwerpkenmerk. Een bril die je ziet, werkt niet.
Het zelft. Probeer dat maar eens aan een uitgever te slijten.
Literatuur
Friedrich Nietzsche, Götzen-Dämmerung (“Die ‘Vernunft’ in der Philosophie”) en Jenseits von Gut und Böse §17, over grammatica als bron van het subjectgeloof
Benjamin Lee Whorf, over daderloze constructies; het Hopi-voorbeeld is grotendeels onderuitgehaald, de vraag eronder niet
Stephen Levinson, Space in Language and Cognition (2003)
Lila Gleitman & Anna Papafragou, als tegenwicht op de sterke lezing van linguïstische relativiteit
George Lakoff & Mark Johnson, Philosophy in the Flesh (1999)
Arie Kruglanski & Donna Webster, over need for cognitive closure, “seizing and freezing”
Christopher Davis, Susan Nolen-Hoeksema & Judith Larson, “Making sense of loss and benefiting from the experience” (1998)
Pat Croskerry, over premature closure in de diagnostiek
Daniel Gilbert, Stumbling on Happiness (2006), over het psychologische immuunsysteem
Humberto Maturana & Francisco Varela, Autopoiesis and Cognition (1980)
Andy Clark, Surfing Uncertainty (2016), en Karl Friston over voorspellingsfout als contact met de buitenwereld
Thomas Metzinger, The Ego Tunnel (2009), over de transparantie van het zelfmodel
Daniel Dennett, The Intentional Stance (1987)
Immanuel Kant, Kritik der reinen Vernunft, voor wie wil zien hoe voorzichtig je met dit terrein hoort om te gaan
