DE VERKEERDE PATIËNT – Over de mogelijkheid dat alzheimer in het lichaam begint en pas in het hoofd wordt opgemerkt

DE VERKEERDE PATIËNT - Over de mogelijkheid dat alzheimer in het lichaam begint en pas in het hoofd wordt opgemerkt

Beste lezer,

Twee procent van uw lichaamsgewicht, twintig procent van uw energieverbruik. Dat is uw brein, en het heeft geen buffer.

Ik stelde mezelf laatst een vraag die ik niet meer kwijtraakte. Wat als alzheimer geen hersenziekte is die je in het hoofd moet zoeken? Wat als uw lichaam decennialang aan het repareren is, aan ontstoken tandvlees, een vervette lever, een virus dat sinds uw kindertijd in een zenuwknoop ligt te wachten, en het hoofd daarvan uiteindelijk de rekening krijgt?

Ik ben het gaan uitzoeken en kwam ergens uit waar ik niet op had gerekend. In haar simpele vorm klopt die gedachte niet; uw lichaam offert het brein namelijk nooit op, het eet eerst zijn eigen spieren op. Wat er overblijft nadat je die fout eruit snijdt is onaangenamer dan het origineel.

Een greep uit wat er in het stuk staat:

  • Bij dragers van APOE4 zakt het hersenmetabolisme al rond hun dertigste in. Vijftig jaar voor de eerste klacht.
  • Van de veertien best onderbouwde risicofactoren voor dementie zitten er twee in de schedel. De rest is lichaam.
  • In Wales bepaalde één geboortedatum wie het gordelroosvaccin kreeg en wie niet. Zeven jaar later had de gevaccineerde groep een vijfde minder dementie.
  • Zuivere alzheimer blijkt bij obductie een minderheidsverschijnsel.

Twaalf pagina’s, inclusief de passage waar mijn eigen redenering het begeeft. Die staat er expres in.

Hartelijke groet,
Peter Koopman

 

 

De verkeerde patiënt

Over de mogelijkheid dat alzheimer in het lichaam begint en pas in het hoofd wordt opgemerkt

Een wilde gedachte

Anderhalve kilo. Twee procent van uw lichaamsgewicht, twintig procent van uw energieverbruik, en dat in rust, zonder dat u iets doet wat op denken lijkt. Een orgaan dat tien keer boven zijn gewicht eet komt in de problemen zodra de leverancier hapert, en het brein heeft geen buffer van betekenis. Geen vetreserve, geen noemenswaardige glycogeenvoorraad, geen mogelijkheid om stilletjes op halve kracht te draaien tot het weer beter gaat.

Stel nu het volgende. Ergens in dat lichaam gaat decennialang iets mis dat op zichzelf niemand doodt. Ontstoken tandvlees. Een lever die langzaam vervet. Buikvet dat jaar in jaar uit cytokinen de bloedbaan in pompt. Een darmwand die poreus wordt. Een virus dat sinds uw kinderjaren in een zenuwknoop ligt te wachten en elke keer dat uw afweer verslapt opnieuw begint te roeren. Reparatie, allemaal. Energie, allemaal. En allemaal energie die met het hoofd moet worden gedeeld.

Het brein krijgt jaar na jaar net iets minder dan het nodig heeft om zichzelf te onderhouden. Dertig jaar lang net iets minder. Tot er iets breekt, en wij dat alzheimer noemen en er een neuroloog bij halen.

Dat is de hypothese. Ze is niet nieuw, ze is bepaald niet dom, en ze is op één punt aantoonbaar onjuist. Dat laatste is het interessantste deel van dit stuk, want wat er overblijft nadat je die fout eruit hebt gesneden is aanzienlijk sterker dan het origineel.

Het spoor ligt er al twintig jaar

In het begin van deze eeuw zette Eric Reiman een groep gezonde dertigers in een PET-scanner. Gemiddelde leeftijd rond de eenendertig, allemaal cognitief normaal, allemaal zonder klachten, allemaal met een leven vol plannen. Het enige verschil tussen de twee groepen was één variant in hun DNA: de ene helft droeg APOE4, de andere niet. De dragers bleken nu al minder glucose te verbruiken in de posterieure cingulate cortex, de pariëtale en temporale kwabben, de prefrontale cortex. Op hun eenendertigste. Dat is een halve eeuw voordat iemand uit die groep statistisch gezien zijn eerste afspraak bij de geheugenpoli maakt.

Zet daar het tweede gegeven naast. Het hippocampusvolume, gemeten met MRI, blijft in diezelfde dragers gewoon normaal tot het moment dat de cognitieve achteruitgang al is ingezet. Het energiesignaal komt eerst; het weefselverlies komt later. Chronologie is in de geneeskunde geen bewijs van oorzaak, maar het is wel de eerste vraag die een fatsoenlijk onderzoeker stelt, en dertig jaar lang heeft vrijwel niemand die vraag hardop gesteld.

Russell Swerdlow bouwde er zijn mitochondriale cascadehypothese omheen: mitochondriale disfunctie als de motor, amyloïd als het rooksignaal van een brand die ergens anders begon. Suzanne de la Monte doopte het geheel “type 3 diabetes”, wat vooral uitstekende marketing was, maar wel gebaseerd op echte, meetbare insulineresistentie in postmortaal hersenweefsel. Beiden werden beleefd aangehoord en vervolgens genegeerd, want het veld had zijn keuze al gemaakt.

En toen kwam Stephen Cunnane in Sherbrooke met de meting die alles had moeten kantelen. Hij scande met twee tracers tegelijk, één voor glucose en één voor ketonen. In het alzheimerbrein ligt de glucoseopname twintig tot vijfentwintig procent lager dan bij gezonde leeftijdsgenoten. De ketonopname is identiek. Niet iets lager, niet marginaal verschillend; identiek.

Sta daar even bij stil, want dat ene feit sloopt de simpele versie van de hypothese en redt tegelijk de kern. Dode neuronen nemen niets meer op. Uitgehongerde neuronen zouden zich op de ketonen storten, en dat doen ze ook. Wat je ziet is een cel die zit te verhongeren voor een volle bak waar hij niet bij kan. Het probleem zit niet in de bevoorrading; het zit in het slot op de deur.

Het epidemiologische ongemak

De Lancet Commission telt inmiddels veertien beïnvloedbare risicofactoren voor dementie, samen goed voor een theoretische reductie van vijfenveertig procent van alle gevallen wereldwijd. Lees dat lijstje eens hardop. Hoge bloeddruk. Diabetes. Obesitas op middelbare leeftijd. Hoog LDL-cholesterol. Roken. Overmatig alcoholgebruik. Lichamelijke inactiviteit. Luchtvervuiling. Gehoorverlies. Onbehandeld zichtverlies. Depressie. Sociaal isolement. Hoofdletsel. Lage opleiding.

Tel nu hoeveel van die veertien in de schedel zitten. Twee, met de beste wil van de wereld drie. De rest is lichaam, gedrag en omgeving. Wij hebben een aandoening die we categoriseren als hersenziekte, waarvan de best gedocumenteerde risicofactoren vrijwel allemaal ergens anders zitten. Dat is niet raadselachtig, dat is een aanwijzing waar iedereen dertig jaar lang overheen is gestapt omdat het lijstje niet in de gekozen theorie paste.

Daar komt de lever bij. Die klaart per doorstroming ongeveer veertien procent van het circulerende Aβ42 uit het bloed, en bijna negen procent van het Aβ40. Bij cirrose, bij hepatitis met leverschade, bij ernstige leververvetting lopen de plasmaspiegels van beide peptiden op. De lever is niet alleen een filter, hij is bij ontregeling ook een bron. Wie amyloïd uitsluitend als hersenafval beschouwt, kijkt naar één kamer van een huis met veertien vertrekken.

En dan de studie die van alle epidemiologie van de afgelopen jaren het meest op een echt experiment lijkt. In Wales werd de toegang tot het gordelroosvaccin bepaald door de exacte geboortedatum: geboren vóór 2 september 1933 betekende levenslang niet in aanmerking komen, geboren op of na die datum betekende wel. Het gevolg is een natuurlijke randomisatie van een zeldzame zuiverheid. Van de mensen die één week te oud waren, kreeg 0,01 procent het vaccin. Van de mensen die één week jonger waren, 47,2 procent. Twee groepen die verder op geen enkele manier van elkaar verschillen, gescheiden door een datumgrens die een ambtenaar heeft bedacht.

Zeven jaar later hadden de gevaccineerden ongeveer een vijfde minder kans op een dementiediagnose.

Laat dat bezinken. Je onderdrukt een virus dat in het lichaam sluimert, in een zenuwknoop, buiten het brein, en je verlaagt de kans op dementie met twintig procent. Geen amyloïdantilichaam heeft ooit iets bij benadering zo groots laten zien, en dit was een vaccin dat voor iets heel anders was bedoeld.

Voeg daar de bevinding van Robert Moir en Rudolph Tanzi aan toe, die in 2016 lieten zien dat amyloïd-bèta zich gedraagt als een antimicrobieel peptide. Het vangt bacteriën en schimmels, het klontert ze samen, het immobiliseert ze. De aggregatie die wij als de kern van de pathologie beschouwen, is precies het mechanisme waarmee het peptide zijn werk doet. Als dat klopt, dan zijn plaques geen fabricagefout van het brein. Het zijn littekens van een immuunreactie, en de meeste immuunreacties beginnen ergens anders dan in het hoofd.

De mond, en het misverstand over zuiverheid

Twee dingen die zelden in hetzelfde stuk staan en dat wel zouden moeten.

Het eerste is uw tandvlees. In 2019 vond Stephen Dominy met zijn team Porphyromonas gingivalis in de hersenen van alzheimerpatiënten. Niet alleen het DNA van de bacterie, ook zijn gingipaïnen: de proteasen waarmee hij weefsel afbreekt. De concentraties correleerden met tau- en ubiquitinepathologie. Muizen met een orale infectie kregen kolonisatie van het brein en een verhoogde productie van Aβ42, en remming van de gingipaïnen bracht dat allemaal terug.

Dit is de meest letterlijke uitvoering denkbaar van mijn hypothese: een chronische infectie in de mondholte, jarenlang genegeerd, die zich uiteindelijk in het brein manifesteert. Wees vooral niet naïef over de afloop. Het bedrijf dat er een remmer van maakte liep vast op levertoxiciteit en tegenvallende klinische uitkomsten, precies zoals het hele veld dat steeds doet: een prachtig mechanisme, een teleurstellende trial. Maar het mechanisme is beschreven, gerepliceerd en niet weerlegd, en het loopt van uw kiezen naar uw hippocampus.

Het tweede is een gegeven dat de hele diagnostische categorie ondermijnt. Julie Schneider en David Bennett obduceerden de hersenen van deelnemers uit een gemeenschapscohort, dus gewone oude mensen en niet de zorgvuldig geselecteerde patiënten van een academisch centrum. Van de mensen met dementie had ongeveer dertig procent zuivere alzheimerpathologie. Achtendertig procent had alzheimer plus herseninfarcten. De rest had weer andere combinaties, met Lewy-lichaampjes of vasculaire schade of allebei.

Zuivere alzheimer is een minderheidsverschijnsel. Wat wij in de kliniek alzheimer noemen is in de meeste gevallen een optelsom waarvan de tweede term vasculair is, en vasculaire schade komt uit het lichaam. Uit bloeddruk, uit LDL, uit glucose, uit roken, uit alles op dat lijstje van veertien. De categorie waar dertig jaar onderzoeksgeld naartoe is gegaan, beschrijft ongeveer een derde van de patiënten voor wie ze is bedoeld.

Dat is geen detail in de marge. Dat is een diagnostisch bouwwerk dat op zijn eigen obductieresultaten had moeten instorten.

Waarom de simpele versie sneuvelt

Zo, nu de sloopkogel. Een hypothese die ik niet zelf hebt geprobeerd te breken, is een geloof.

Ten eerste de genetica. Iemand met een mutatie in PSEN1 krijgt alzheimer rond zijn veertigste, met een metabool profiel waar een triatleet jaloers op is. Geen diabetes, geen obesitas, geen ontstoken tandvlees, geen vervette lever. Wel dementie, en wel vroeg. Mensen met het syndroom van Down dragen door hun extra chromosoom 21 een extra kopie van het APP-gen, en hebben op hun vijftigste vrijwel allemaal de volledige neuropathologie. Dat is dosisafhankelijk, breinintrinsiek en volstrekt onafhankelijk van welke lichamelijke energiehuishouding dan ook. Elke systeemtheorie moet die groepen verklaren of eerlijk toegeven dat ze het niet doet.

Ten tweede het regioprobleem. Waarom begint het in de entorhinale cortex en de hippocampus, en niet overal tegelijk? Een algemeen energietekort zou zich niet met zoveel anatomische precisie gedragen. De Braak-stadiëring, de standaardkaart van hoe de pathologie zich door het brein verspreidt, volgt netwerkverbindingen en niet doorbloedingspatronen. Er is een verweer mogelijk, en het is niet slecht: juist de grote projectieneuronen met hoge vuurfrequenties, lange axonen en dunne myelinisatie zijn de metabolisch meest blootgestelde cellen in het hele systeem. Wie het krapst zit, valt het eerst om. Maar dat verweer is een hypothese over selectieve kwetsbaarheid, geen bewijs, en het wordt te makkelijk uit de kast gehaald.

Ten derde, en dit is de vervelendste. FDG-PET meet grotendeels synaptische activiteit. Minder synapsen betekent minder glucoseverbruik. Het hypometabolisme dat ik als oorzaak leest, kan even goed de schaduw zijn van weefsel dat al aan het verdwijnen is. Dat is geen theoretisch bezwaar dat je met een handgebaar wegwuift; het is de klassieke valkuil van elke biomarker die vroeg afwijkt. Het enige dat er echt tegenin gaat, is die dertigjarige APOE4-drager met een intacte hippocampus en een afwijkende scan. Bij hem is er nog niets verdwenen om schaduw te werpen.

Ten vierde de fysiologie, en hier gaat de oorspronkelijke formulering echt onderuit. Het lichaam offert het brein niet op. Het eet eerst zijn eigen spieren op, dan zijn organen, en pas als het echt niet anders kan komt het hoofd aan de beurt. Ancel Keys sloot tijdens de oorlog zesendertig gezonde jonge mannen een half jaar op een dieet waarop ze een kwart van hun lichaamsgewicht verloren. Het resultaat was apathie, prikkelbaarheid, depressie, een obsessie met kookboeken en een compleet ingestort libido. Geen dementie. Geen neurodegeneratie. Alles herstelde toen ze weer normaal gingen eten. Bij glucosetekort schakelt het lichaam over op ketonen, die tot zestig à zeventig procent van de cerebrale behoefte kunnen dekken, en de cerebrale doorbloeding wordt autoregulatoir beschermd tegen zowat alles wat het lichaam overkomt.

Een simpel “er bleef te weinig over voor het hoofd” houdt daar geen stand. Het brein is geen achtergestelde schuldeiser, het is de bank.

Ten vijfde de directe test, en die is net mislukt. Novo Nordisk gooide semaglutide tegen vroege alzheimer aan in evoke en evoke+, bijna 3.800 mensen tussen de vijfenvijftig en vijfentachtig, twee jaar lang, met een middel dat op vrijwel elke metabole parameter in het lichaam wint. Topline in november 2025, volledige data op AD/PD in maart 2026, publicatie in The Lancet. Uitkomst: markers van neuro-inflammatie tot tien procent omlaag, statistisch overtuigend, en klinisch precies niets. Geen verschil op de CDR-SB na 104 weken, geen verschil op dagelijks functioneren.

Als het opknappen van de systemische stofwisseling het brein redt, had daar iets moeten staan. Er staat niets.

Ik zou kunnen aanvoeren dat het te laat was, want deze mensen hadden al klachten. Dat twee jaar te kort is voor een proces van dertig jaar. Dat orale semaglutide nauwelijks door de bloed-hersenbarrière komt en dus vooral perifeer werkt. Dat is allemaal waar, en het is ook precies wat men zegt na elke mislukte trial. Wie zijn eigen hypothese serieus neemt, noteert dit als een klap en niet als een voetnoot.

Van budget naar infrastructuur

Nu de herformulering, en dit is waar de wilde gedachte scherper terugkomt dan ze vertrok.

Het probleem is geen tekort aan aanvoer, het is een onvermogen om te gebruiken wat er binnenkomt. Cunnanes ketonbevinding wijst er rechtstreeks naar: de brandstof is er, de bak is vol, het slot zit vast. Zoek dan naar wat dat slot kapotmaakt, en u komt vrijwel overal in het lichaam uit.

De glucosetransporter GLUT1 in de bloed-hersenbarrière wordt bij chronische metabole ontregeling naar beneden gereguleerd. Berislav Zlokovic heeft laten zien hoe pericyten, de cellen die de haarvaten in het brein omklemmen en de barrière dichthouden, bij vaatschade verdwijnen en de barrière lekt. Insulineresistentie in neuronen ontregelt de signalering die glucoseopname aanstuurt. Beschadigde mitochondriën produceren minder ATP en meer zuurstofradicalen, wat weer meer mitochondriën beschadigt. Elk van die vier mechanismen wordt gevoed door precies de dingen die op het lijstje van de Lancet Commission staan.

En dan de microglia, die in dit verhaal de rol van de hoofdverdachte verdienen. Een rustende microgliacel draait op oxidatieve fosforylering, netjes en zuinig. Zodra hij chronisch geactiveerd raakt, schakelt hij over op aerobe glycolyse: snel, vuil en verkwistend. Hij verbruikt meer, hij ruimt minder op, en hij blijft in die stand hangen zolang het alarmsignaal aanhoudt. Waar komt dat alarmsignaal vandaan? Uit de bloedbaan. Uit de darm. Uit het buikvet. Uit het tandvlees. Uit het virus in de zenuwknoop. Uit het lichaam, met andere woorden, precies zoals ik vermoedde, alleen loopt de kabel via het immuunsysteem en niet via de energierekening.

Voeg daar de nachtploeg aan toe. Maiken Nedergaard toonde dat tijdens slaap de interstitiële ruimte in het brein met ongeveer zestig procent uitzet, waardoor hersenvocht veel makkelijker door het weefsel spoelt en afvalproducten, waaronder amyloïd, worden afgevoerd. Het brein poetst zichzelf ’s nachts en kan dat overdag niet. Wat sloopt slaap betrouwbaarder dan wat ook? Pijn, ontsteking, apneu, nycturie, reflux, angst, een lichaam dat ergens aan het vechten is. Het lichaam levert het brein niet minder brandstof; het ontneemt het brein zijn schoonmaakuren.

Zo ziet de gecorrigeerde versie van mijn gedachte eruit. Het lichaam bepaalt niet hoeveel energie het brein krijgt, het bepaalt hoe goed het brein die energie kan gebruiken en hoeveel rust het krijgt om de rommel op te ruimen. Chronische perifere ellende sloopt de infrastructuur waarmee het brein zichzelf overeind houdt. Bruce McEwen had daar een begrip voor dat nog steeds te weinig wordt gebruikt: allostatische belasting, de opgetelde prijs van een lichaam dat zich decennialang moet blijven aanpassen. Dat is de hypothese in een ander vocabulaire, en dat vocabulaire bestaat al sinds de jaren negentig.

Pathologie is nog geen ziekte

Er is één bevinding die het hele veld had moeten dwingen om anders te gaan denken, en die staat al dertig jaar in de literatuur zonder dat er veel mee is gedaan.

David Snowdon volgde 678 nonnen van de School Sisters of Notre Dame tot hun dood en kreeg daarna hun hersenen. Sommige zusters bleken bij obductie het volledige Braak-stadium VI te hebben: plaques en tangles overal, de complete pathologische handtekening van gevorderde alzheimer. En ze waren tot vlak voor hun dood scherp gebleven. Ze schreven, ze doceerden, ze wonnen discussies. Latere analyses van vergelijkbare cohorten schatten dat vijf tot zeven procent van de mensen met hoog-pathologische ADNC cognitief intact blijft.

Plaques zijn dus geen ziekte. Ze zijn een risicofactor met een variabele wisselkoers, en de vraag die er werkelijk toe doet is wat die wisselkoers bepaalt. Dat is reserve: vasculair, mitochondriaal, immunologisch, en voor een deel structureel in de vorm van opleiding en netwerkdichtheid. Reserve is grotendeels lichamelijk, en reserve is grotendeels beïnvloedbaar.

Daar landt de hypothese, en dat is een betere plek dan waar ze vertrok. De pathologie schrijft het script; het lichaam bepaalt het tempo. Amyloïd is de schuld, uw stofwisseling is de rente, en het is de rente die bepaalt of u de aflossing haalt.

Wat dat betekent voor de behandeling

Nu wordt het pijnlijk, dus laten we er niet omheen draaien.

Lecanemab haalt amyloïd uit het brein op een manier die technisch bewonderenswaardig is. Op de CDR-SB, de standaardmaat voor klinische achteruitgang, levert dat een verschil op van 0,45 punt ten opzichte van placebo. Dat wordt gecommuniceerd als zevenentwintig procent vertraging van de achteruitgang, wat waar is en tegelijk misleidend, want het is zevenentwintig procent van een klein getal. Op een schaal van achttien punten is 0,45 punt ongeveer 2,5 procent. De drempel die het veld zelf hanteert voor een klinisch merkbaar verschil is één punt. Er zijn systematische reviews die concluderen dat het effect onder die drempel blijft. Daar komen hersenzwellingen en microbloedingen bij, infusen om de twee weken, en een prijskaartje waar hele zorgstelsels op wankelen.

Dertig jaar onderzoek, tientallen miljarden, honderden mislukte trials, en het eindresultaat is een middel dat de doelstelling wel raakt en de patiënt nauwelijks.

Zet daar US POINTER naast. Ruim tweeduizend oudere Amerikanen met verhoogd risico, twee jaar, een gestructureerd programma van beweging, MIND-dieet, cognitieve training, sociale activiteit en bloeddrukcontrole. De gestructureerde groep deed het beter op globale cognitie dan de zelfsturende groep, en beide groepen verbeterden. Bescheiden effecten, ja, en met alle methodologische mitsen die bij leefstijltrials horen. Maar het bevestigt wat FINGER in Finland eerder liet zien, en het kost een fractie van wat één fase-3-antilichaamprogramma kost.

Waarom gaat het geld dan niet die kant op? Omdat u wandelen niet kunt patenteren. Omdat een monoklonaal antilichaam een omzetmodel heeft en een sportschoolabonnement niet. Omdat de kapitaalmarkt geen belangstelling heeft voor een interventie waarvan het effect zich pas over twintig jaar manifesteert bij mensen die dan nog geen patiënt zijn. Dat is geen samenzwering, het is gewoon hoe de prikkels staan, en het resultaat is precies hetzelfde als bij een samenzwering.

Hoe u dit onderuit kunt halen

Een hypothese die niet kan sneuvelen is een religie met voetnoten. Dus hier zijn de plekken waar deze kan breken.

De voorspelling die nog nauwelijks getoetst is. Als het lichaam werkelijk het tempo bepaalt via chronische immuunactivatie en gesloopte infrastructuur, dan zouden langdurige, energieverslindende reparatietoestanden cognitieve achteruitgang moeten versnellen, ook na correctie voor de gebruikelijke vasculaire risicofactoren. Jarenlange dialyse. Ernstige brandwonden. Niet-helende ulcera. Chronische osteomyelitis. Cachexie bij kanker. Er is één signaal dat er verdacht goed bij past: Theodore Iwashyna liet zien dat overlevenden van ernstige sepsis daarna ruim tien procentpunt vaker matige tot ernstige cognitieve stoornissen hebben, met een kansverhouding van meer dan drie. Eén heftige systemische ontsteking, blijvende hersenschade. Dat is het mechanisme in versneld tempo, en het is nooit systematisch doorgetrokken naar de trage variant.

De timingvoorspelling. Als dit klopt, testen alle behandeltrials bij mensen met een diagnose de verkeerde hypothese op het verkeerde moment. Wat je nodig hebt is een interventie op middelbare leeftijd met een looptijd van vijftien tot twintig jaar. Dat is geen onderzoeksdesign, dat is een carrièreoffer, en daarom wordt het nauwelijks gedaan.

De metabole reddingsvoorspelling. Als het slot vastzit en de ketonroute open is, zou het omzeilen van glucose iets moeten opleveren. De kleine ketonstudies laten bescheiden signalen zien, meer niet, en er is nooit een fatsoenlijk gefinancierde grote trial gedaan. Dat is de goedkoopste beslissende test die er ligt en niemand betaalt hem.

Het falsificatiecriterium. Als een goed opgezette metabole of anti-inflammatoire interventie, gestart rond het vijftigste levensjaar en volgehouden voor twee decennia, geen enkel effect op incidentie laat zien terwijl amyloïdverwijdering in hetzelfde venster wel aanslaat, dan is deze hele redenering dood en hebben de amyloïdmensen gewonnen. Ik acht die uitkomst onwaarschijnlijk. Ik zou de proef graag zien.

Een waarschuwing bij de leeslijst

Nog iets. Zodra een hypothese aantrekkelijk wordt en de gevestigde orde faalt, komen de kwakzalvers. De metabole verklaring van alzheimer heeft inmiddels haar eigen kleine industrie van protocollen, supplementen, ongecontroleerde patiëntenseries en boeken met het woord “omkeren” in de titel. Dale Bredesen is daar het bekendste voorbeeld van. Dat mensen als hij op een deel van het mechanisme gelijk kunnen hebben en tegelijk klinisch onverantwoord bezig zijn, is geen paradox; het is de normale gang van zaken zodra hoop een verdienmodel wordt. Wie deze redenering serieus wil nemen, doet er goed aan zich niet aan dat gezelschap te binden.

De eerlijke positie is oncomfortabeler en interessanter. We weten dat het brein al decennia voor de eerste klacht metabool afwijkt. We weten dat vrijwel elke beïnvloedbare risicofactor buiten de schedel ligt. We weten dat de pathologie bij een deel van de mensen nooit tot ziekte leidt. En we weten dat het opknappen van de stofwisseling bij mensen die al klachten hebben, in de grootste test die daarvoor ooit is opgezet, precies nul opleverde.

Dat laatste is niet het einde van de gedachte. Het is de mededeling dat u dertig jaar te laat begint.

Verder lezen

Karl Herrup, How Not to Study a Disease (MIT Press, 2021). De meest genadeloze afrekening met de amyloïdorthodoxie, geschreven door iemand die er zelf in zat en die precies weet waar de lijken begraven liggen. Begin hier.

Russell Swerdlow, over de mitochondriale cascadehypothese. Zijn reviews in het Journal of Alzheimer’s Disease en Biochimica et Biophysica Acta zijn taai maar onmisbaar. Dit is het serieuze wetenschappelijke alternatief voor de amyloïdcascade.

Stephen Cunnane, over ketonen en cerebrale brandstofvoorziening. Zijn werk in de Annals of the New York Academy of Sciences en Frontiers in Molecular Neuroscience bevat de dubbele-tracer-metingen die in dit stuk de scharnierrol spelen.

Achim Peters, The Selfish Brain. Peters keert de vraag om: het brein wint de energiestrijd wél, en het lichaam betaalt de prijs in de vorm van obesitas en diabetes. Twee spiegelbeelden van hetzelfde probleem. Welke kant de pijl op wijst is nog open, en dat is precies waarom het de moeite waard is.

Bruce McEwen, over allostatische belasting. De conceptuele lijm van dit hele betoog, twintig jaar voordat iemand het op dementie toepaste.

Gill Livingston et al., Lancet Commission on dementia prevention, intervention and care, editie 2024. Saai geschreven, ongemakkelijk in zijn implicaties, en de beste inventaris die er is.

Robert Moir en Rudolph Tanzi, over de antimicrobiële beschermingshypothese. Als amyloïd een immuunpeptide is, verandert de betekenis van elke plaque die ooit onder een microscoop is gelegd.

Ruth Itzhaki, over herpesvirussen en alzheimer. Dertig jaar lang weggezet als excentriek, en sinds het Welshe vaccinexperiment ineens niet meer.

Julie Schneider en David Bennett, over gemengde pathologie in gemeenschapscohorten. Neurology, 2007 en later. De obductiegegevens waarmee de diagnostische categorie alzheimer zichzelf ondergraaft.

David Snowdon, Aging with Grace. Populair geschreven, af en toe sentimenteel, en het bevat de observatie waar het hele veld nog steeds geen raad mee weet.

Ook interessant voor jou!