Een jongen van tien had gelijk. Vijftig jaar later ook, en tegelijk niet.
Beste lezer,
Op mijn tiende, onder een schuin dak vol dwarsbalken, kwam ik tot de conclusie dat de mens, wanneer het erop aankomt, altijd voor zichzelf kiest. Een aardige jongensfilosofie, en zoals de meeste jongensfilosofieën, half doordacht en half waar.
Vijfenzestig jaar later heb ik die stelling naast mijn eigen leven gelegd: een karatevereniging die ik zestig jaar geleden oprichtte en waar ik nog altijd belangeloos in meedraai, een coup die me ooit hard raakte, en een gedrevenheid die mijn gezin meer heeft gekost dan ik mezelf lang heb toegegeven. Met wat evolutionaire psychologie, wat Spinoza en de nodige zelfkritiek probeer ik uit te zoeken wat daarvan standhoudt en wat gewoon een verhaal was dat ik mezelf al vijfenzestig jaar vertel.
Bijgevoegd het resultaat, inclusief de literatuur waarop ik leunde. Ik ben benieuwd of jij jouw eigen tienjarige gelijk ooit tegen het licht hebt gehouden.
Groet,
Peter Koopman
DE JONGEN ONDER DE DWARSBALK
Een levenslange falsificatie
Ik zal een jaar of tien zijn geweest, niet ouder, languit onder het schuine dak waar de dikke draagbalken meermaals pijnlijk kennis maakten met mijn schedel als ik iets te enthousiast uit bed kwam, toen het besef zich aandiende dat de mens, wanneer het erop aankomt, altijd voor zichzelf kiest. Van Popper had ik nog nooit gehoord. Van falsifieerbaarheid al helemaal niet. Ik had alleen een gedachte die zich voordeed als een ontdekking, en zoals de meeste kinderlijke ontdekkingen voelde die groter dan hij was.
Vijfenzestig jaar later blijkt die jongen zowel gelijk als ongelijk te hebben gehad, en het kostte me een heel leven om het verschil te leren zien.
De theorie zelf is niet origineel, ze heet in de filosofie psychologisch egoïsme en is minstens zo oud als Hobbes. In haar sterkste vorm is ze onweerlegbaar op een manier die niets met bewijskracht te maken heeft: elke schijnbare uitzondering, de moeder die het brandende huis in rent, de martelaar, de vrijwilliger, wordt achteraf herschreven tot verkapt eigenbelang, gemoedsrust, aanzien, een goed gevoel. Joel Feinberg legde decennia geleden al bloot waarom dat een tautologie is en geen bevinding: een theorie die geen enkel denkbaar tegenbewijs toelaat, verklaart niets, ze definieert alleen. Ik wist dat als tienjarige al half, vandaar de reflex om mezelf meteen te corrigeren zodra ik Popper’s naam later leerde kennen. De meeste mensen die deze gedachte krijgen, laten het daarbij.
Maar een onfalsifieerbare overtuiging kan intussen wel keihard gedrag sturen, en dat maakt haar niet onschuldig. De evolutionaire psychologie heeft daar een precies model voor: error management theory. Kosten foutief vertrouwen meer dan foutief wantrouwen, dan is een systematisch achterdochtige instelling nuttig, ook al zit ze feitelijk vaker fout dan goed. Mijn overtuiging hoefde dus niet waar te zijn om te werken. Sterker nog, dat maakte haar hardnekkiger: de praktijk bevestigde haar niet omdat ze klopte, maar omdat wantrouwen zichzelf beloont met veiligheid, ongeacht of het gerechtvaardigd was.
Waar kwam die jongen onder de dwarsbalk vandaan. Vermoedelijk niet uit het niets. Een instabiele thuissituatie levert precies het soort materiaal waarmee kinderen een generaliseerbaar model van de wereld bouwen, wat Bowlby een internal working model noemde: anderen zijn onbetrouwbaar, dus reken daarop voordat het je overkomt. Belsky, Steinberg en Draper zetten dat evolutionair scherper neer, onvoorspelbare vroege omgevingen versnellen een wantrouwende, kortetermijngerichte levensstrategie, geen morele misstap maar een kalibratie op gevaar. Nietzsche deed in zijn Genealogie van de Moraal iets vergelijkbaars met morele oordelen in het algemeen: niet vragen of een overtuiging waar is, maar welke nood haar heeft voortgebracht. Toegepast op mezelf wordt het onaangenaam zelfrefererend. Als het geloof dat iedereen uit eigenbelang handelt zelf een zelfbeschermende aanpassing is aan een onvoorspelbaar huis, dan was die jongen geen filosoof die toevallig de waarheid ontdekte. Hij was een organisme dat precies deed wat zijn eigen theorie beweert dat iedereen doet.
Zestig jaar geleden, met een aangeboren hartaandoening waarmee sporten allerminst voor de hand lag, begon ik met karate. Wat me aansprak was niet zozeer de sport als wel het strakke kader eromheen, zo strak dat ik vond dat iedereen er kennis mee moest kunnen maken, later verbreed tot sport in het algemeen, ongeacht wat iemand kon betalen. Dat werd een vereniging. Vijftig jaar later doe ik nog altijd belangeloos mee. Dat is, voor wie meetelt, een kostbaarder en langduriger gegeven dan de meeste dingen die mensen in naam van eigenbelang doen.
Halverwege de jaren negentig pleegde een groep waar ik me intensief voor had ingezet een coup binnen diezelfde vereniging. Het raakte me hard, en ik zal niet doen alsof dat niet zo was. Maar toen me later gevraagd werd een voorbeeld te noemen van vertrouwen dat niet beschaamd werd, was dit coupverhaal het eerste dat naar boven kwam, niet de duizenden leden die vijftig jaar lang gewoon zijn blijven sporten zonder ooit iets tegen me te ondernemen. Dat zegt iets over de aard van herinnering, niet over de aard van de mens. William Swann’s self-verification theory laat zien dat wie een negatief zelfbeeld draagt, actief bevestiging daarvan opzoekt, niet omdat het prettig is maar omdat het voorspelbaar is. Baumeister en collega’s voegden daar een keihard gerepliceerd gegeven aan toe: slecht weegt zwaarder dan goed, bij gelijke frequentie. Zelfs als de meerderheid van de mensen om me heen zich vijftig jaar fatsoenlijk gedroeg, zou mijn eigen brein de ene coup gemakkelijker onthouden dan de duizenden avonden waarop niets bijzonders gebeurde.
En de coup zelf, bij nader inzien, bewijst niet wat hij op het eerste gezicht lijkt te bewijzen. Robert Michels beschreef in 1911 wat hij de ijzeren wet van de oligarchie noemde: elke vrijwilligersorganisatie ontwikkelt zodra er macht of aanzien te verdelen valt interne machtsstrijd, los van de idealen waarmee ze is opgericht. Dat is geen uitspraak over menselijke aard, het is een uitspraak over instituties met onvoldoende verankerde verantwoording, en die uitspraak voorspelt tenminste iets: verenigingen met geconcentreerde, weinig gecontroleerde macht zijn coupgevoeliger dan verenigingen waar die macht verdeeld is. Daar kun je iets mee. “De mens kiest voor zichzelf” kun je nergens tegenaan leggen, en dat maakt het, zoals gezegd, geen verklaring maar een geloofsartikel.
Het lastigste stuk van deze boekhouding gaat niet over anderen. Het gaat over mezelf.
Een innerlijke drang om te commercialiseren, om de vereniging of mijn schrijven ooit voordeliger, normaler te maken, heb ik nooit gevoeld. Geen verleiding om te onderdrukken, geen dagelijks gevecht. Dat is het handschrift van wat persoonlijkheidspsychologen een basic tendency noemen, McCrae en Costa’s term voor een grotendeels genetisch verankerde neiging die rond je dertigste stabiliseert en daarna nauwelijks meer buigt voor omgevingsdruk, ongeacht of ze uit de genen of uit de vroege jaren komt. Jerome Kagan liet met zijn onderzoek naar temperament bij baby’s zien hoe vroeg dat soort stabiliteit al meetbaar is, decennia voordat ze zich als levensstijl manifesteert.
Wat ik wel voel, is het besef dat ik mijn gezin tekort heb gedaan. Niet financieel, hoewel die positie soms erbarmelijk was, maar in warmte en aandacht. Eerst wilde ik dat wegzetten als een geïmporteerde maatschappelijke norm, een vaderrol die van buitenaf wordt opgelegd, met Higgins’ onderscheid tussen het ought self, wie je volgens een uitwendige plicht zou moeten zijn, en het ideal self, wie je volgens je eigen aspiraties wilt zijn. Discrepantie met het eerste geeft schuld, met het tweede verdriet. Maar dat onderscheid hield hier geen stand. Warmte was geen norm die de wereld me oplegde, het was iets wat ik zelf altijd al belangrijk vond en niet gaf.
Dwangneurose is niet het juiste woord daarvoor, hoe vaak ik het ook zo genoemd heb. Een echte obsessief-compulsieve stoornis draait om ongewenste, angstopwekkende gedachten gevolgd door rituelen die die angst tijdelijk verlichten. Wat ik beschrijf is het tegenovergestelde: gekozen, gewaardeerd, gericht op iets dat ik zelf wilde bereiken. Er bestaat een preciezer woord, monotropisme, aandacht die zich smal en diep op één kanaal concentreert in plaats van breed te verdelen, sterk in beheersing, zwak in perifeer bewustzijn van alles ernaast. Ellen Winner noemde het bij hoogbegaafde kinderen rage to master, een intrinsieke, zelfopgelegde drang om een domein tot het uiterste te beheersen, aanwezig van jongs af aan. Daniel Kahneman formaliseerde in 1973 waarom dat onvermijdelijk een prijs heeft: aandacht is een eindige voorraad, en volledige toewijzing aan één kanaal is per definitie onttrekking aan alle andere. Er is geen avond geweest waarop ik bewust de vereniging boven mijn gezin koos. De toewijzing was al gebeurd voordat er iets als een keuze te zien viel, een effect dat Shah, Friedman en Kruglanski goal shielding noemen, het automatisch onderdrukken van concurrerende doelen zodra een doel voldoende gewicht heeft gekregen.
Dat verklaart het. Het verontschuldigt niets. Begrijpen waarom vijftig jaar gedrevenheid capaciteit opsoupeerde die anders naar warmte was gegaan, geeft die warmte niet met terugwerkende kracht terug aan wie erop wachtte.
Ik vind dit noch een goede noch een slechte eigenschap, het is gewoon zo, en dat is, besef ik, de enige uitspraak in dit hele verhaal die volledig standhoudt met mijn eigen ankerauteur. Spinoza’s non ridere, non lugere, neque detestari, sed intelligere, niet lachen, niet treuren, niet verafschuwen, maar begrijpen, is precies de houding die ik hier probeer aan te houden tegenover mezelf, iets waar ik eerder in dit verhaal, toen ik mezelf dom of hardleers noemde, nog niet in slaagde. Een vrije-wil-verwijt binnen een deterministisch verhaal is een inconsistentie, geen zelfkennis.
Op mijn leeftijd is dit soort boekhouding niet toevallig. Erik Erikson noemde de laatste ontwikkelingsfase van een mensenleven integriteit tegenover wanhoop, de periode waarin je terugkijkt en vaststelt of het geheel klopt, niet in de zin van foutloos, maar in de zin van samenhangend. Deze tekst is dat werk, hardop.
Wat blijft is dit. De jongen onder de dwarsbalk had gelijk over de mens in het algemeen, en wist dat zelf al half niet zeker. De man van vijfenzeventig heeft, met een leven vol tegenvoorbeelden die hij zelf moeizaam moest opgraven omdat zijn geheugen liever de wond onthield dan de vijftig rustige jaren eromheen, zowel het gelijk als het ongelijk van die jongen bevestigd. Niet omdat de mens uiteindelijk toch voor zichzelf kiest of uiteindelijk toch niet. Omdat de vraag zelf, gesteld op die manier, nooit het juiste soort vraag is geweest.
Literatuur
Baumeister, R. F., Bratslavsky, E., Finkenauer, C., & Vohs, K. D. (2001). Bad is stronger than good. Review of General Psychology, 5(4), 323–370.
Belsky, J., Steinberg, L., & Draper, P. (1991). Childhood experience, interpersonal development, and reproductive strategy: An evolutionary theory of socialization. Child Development, 62(4), 647–670.
Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss, Vol. 1: Attachment. Basic Books.
Erikson, E. H., & Erikson, J. M. (1997). The Life Cycle Completed (Extended ed.). W. W. Norton & Company.
Feinberg, J. (1965). Psychological egoism. In J. Feinberg (Ed.), Reason and Responsibility: Readings in Some Basic Problems of Philosophy. Dickenson. (herdrukt in latere edities)
Haselton, M. G., & Buss, D. M. (2000). Error management theory: A new perspective on biases in cross-sex mind reading. Journal of Personality and Social Psychology, 78(1), 81–91.
Higgins, E. T. (1987). Self-discrepancy: A theory relating self and affect. Psychological Review, 94(3), 319–340.
Hobbes, T. (1651). Leviathan. Andrew Crooke.
Kagan, J. (1994). Galen’s Prophecy: Temperament in Human Nature. Basic Books.
Kahneman, D. (1973). Attention and Effort. Prentice-Hall.
McCrae, R. R., & Costa, P. T., Jr. (2008). The five-factor theory of personality. In O. P. John, R. W. Robins, & L. A. Pervin (Eds.), Handbook of Personality: Theory and Research (3rd ed., pp. 159–181). Guilford Press.
Michels, R. (1911). Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie. Werner Klinkhardt. (Engelse vertaling: Political Parties, 1915)
Nietzsche, F. (1887). Zur Genealogie der Moral.
Popper, K. R. (1959). The Logic of Scientific Discovery. Hutchinson. (oorspronkelijk Logik der Forschung, 1934)
Shah, J. Y., Friedman, R., & Kruglanski, A. W. (2002). Forgetting all else: On the antecedents and consequences of goal shielding. Journal of Personality and Social Psychology, 83(6), 1261–1280.
Spinoza, B. de. (1677). Tractatus Politicus.
Swann, W. B., Jr. (1983). Self-verification: Bringing social reality into harmony with the self. In J. Suls & A. G. Greenwald (Eds.), Psychological Perspectives on the Self (Vol. 2, pp. 33–66). Lawrence Erlbaum Associates.
Winner, E. (1996). Gifted Children: Myths and Realities. Basic Books.
