De short cut Over energie, vorm en de kunst van het bedrog

De short cut Over energie, vorm en de kunst van het bedrog

De short cut, of waarom je nooit de trap neemt als de lift er is

 

Beste lezer,

Vandaag geen troostend verhaal over veerkracht of persoonlijke groei. Vandaag een rekensom. De mens is namelijk geen verhaal, hij is een boekhouder, en zijn hele geschiedenis laat zich lezen als een reeks pogingen om de rekening zo laag mogelijk te houden. Gereedschap, dieren, slaven, industrie, en uiteindelijk zijn eigen lichaam: allemaal posten op dezelfde balans.

Ik neem je mee langs de gedragsecologie, langs optimal foraging theory in het bijzonder, langs het duurste orgaan dat je bezit, en langs de vraag waarom een sportschoolbezoek met een eiwitreep in de hand iets heel anders is dan een leven lang zwaar werk. Aan het einde staat liposuctie, en de vraag of wij onszelf niet gewoon zitten te vervalsen.

Zoals altijd: geen troost, wel een stevige bodem eronder.

Peter Koopman

De short cut

Over energie, vorm en de kunst van het bedrog

De wereld die wij kennen bestaat uit drie dingen: materie, informatie en energie. Dat is geen natuurwet, het is een aanname, en een aanname moet je ergens vandaan halen voor je hem als fundament onder een heel essay legt. Norbert Wiener zette in 1948 de eerste steen met zijn uitspraak dat informatie informatie is, geen materie en geen energie. Tom Stonier bouwde daar veertig jaar later een fysicalistische informatietheorie op. Ik neem die driedeling over, niet omdat hij bewezen is, maar omdat hij het enige kader is waarin de rest van dit stuk klopt: de mens als organisme dat voortdurend met twee van de drie grootheden schuift om aan de derde zo weinig mogelijk kwijt te zijn.

De mens, gezien als organisme, is een energiemanagementsysteem. Zijn doel maakt daarbij weinig uit, overleven, voortplanten, aanzien verwerven, het gaat in alle gevallen om dezelfde vraag: hoe bereik ik dat met de minste inspanning. Vanaf het ontstaan van het wezen dat we homo noemen is dat de rode draad, en de mens heeft er gereedschap voor ontwikkeld, dieren voor gedomesticeerd, medemensen voor tot slaaf gemaakt en fabrieken voor gebouwd. Dat klinkt als een keuze, een weloverwogen strategie. Dat is het niet. Er is geen wil die besluit de kortste weg te nemen. Er is een drift die daar geen alternatief voor kent.

Voor deze intuïtie bestaat al een naam. George Kingsley Zipf noemde het in 1949 het principle of least effort: mensen en systemen bewegen zich zodanig dat de gemiddelde inspanning over alle handelingen wordt geminimaliseerd. Zipf leverde een statistische regelmaat, geen mechanisme. Hij liet zien dát het gebeurt, niet hoe een organisme ter plekke beslist wat de goedkoopste route is. Voor dat laatste moet je naar een ander vakgebied: de gedragsecologie, en de tak die optimal foraging theory heet.

Optimal foraging theory ontstond in 1966, onafhankelijk geformuleerd door Robert MacArthur en Eric Pianka enerzijds en door John Emlen anderzijds. De vraag die ze stelden was preciezer dan Zipfs regelmaat: welke combinatie van gedrag levert een dier de hoogste netto energiewinst op per tijdseenheid, gegeven de kosten van zoeken, de kosten van hanteren en de afstand tussen voedselbronnen. Drie knoppen, geen vaag gevoel voor gemak.

De eerste knop is het prooikeuzemodel. Een dier dat een prooi tegenkomt beslist hem te grijpen of te laten lopen op basis van zijn profijtelijkheid: energie gedeeld door hanteringstijd, afgezet tegen het gemiddelde profijt van de omgeving. Het contra-intuïtieve gevolg is dit: of een laagwaardige prooi wordt meegenomen hangt niet af van hoe vaak die prooi zelf voorkomt, maar van hoe vaak de hoogwaardige prooi zich aandient. Genoeg goede vangst, en de rest wordt structureel genegeerd, ongeacht het eigen aanbod. De mens die langs drie bakkers loopt voor de goedkoopste croissant volgt dezelfde rekensom als de vogel die de kleine made laat liggen omdat de grote net voorbijvloog.

De tweede knop is Eric Charnovs marginal value theorem uit 1976: wanneer verlaat je een voedselplek die aan het uitputten is. Antwoord: zodra de marginale opbrengst zakt tot het gemiddelde van het hele gebied, reistijd meegerekend. Dit model verdient aandacht omdat het de eenvoudige lezing van mijn eigen these tegenspreekt. Soms is de kortste weg juist een omweg, meer aanvankelijke moeite voor een beter rendement verderop. Least effort en meer moeite doen zijn geen tegenstelling. Het zijn twee uitkomsten van dezelfde rekensom, uitgevoerd onder andere omstandigheden.

De derde knop is central place foraging, geformuleerd door Gordon Orians en Nolan Pearson in 1979: relevant zodra een organisme moet terugkeren naar een vaste uitvalsbasis, een nest, een hol, een kamp. De optimale lading die je meeneemt stijgt met de reisafstand. Voor mensen is dit model rechtstreeks getoetst. Kim Hill en Hillard Kaplan onderzochten bij de Ache in Paraguay hoe jagers zich in de praktijk gedragen, en vonden precies wat het prooikeuzemodel voorspelt: groot wild wordt bejaagd zodra het zich aandient, ongeacht schaarste, terwijl kleine, makkelijk te vangen prooi alleen wordt meegenomen als de kans toevallig langskomt. Kristen Hawkes vond bij de Hadza een vergelijkbaar patroon, met een addertje: mannen jagen vaak op groot wild met een lage succeskans en een hoog aanzien bij succes, in plaats van op de betrouwbare kleine prooi die vrouwen en kinderen verzamelen. Puur energetisch is dat geen optimale strategie. Zodra je aanzien meerekent als opbrengst, wel. Daar zit de eerste barst in het model, en die barst is precies waar dit essay straks weer op uitkomt.

Die energie-rekensom verklaart meteen waarom de mens ooit besloot, voor zover er iets besloten wordt, fors te investeren in een orgaan dat in rust twintig procent van de totale stofwisseling opeet: het brein. Leslie Aiello en Peter Wheeler noemden dit in 1995 de expensive tissue hypothesis, en het latere metabolische werk van William Leonard en Marcia Robertson bevestigde de cijfers. Een orgaan van twee procent van het lichaamsgewicht dat een vijfde van de energie opsoupeert, is geen sieraad. Het is de duurste short cut die een organisme ooit heeft aangeschaft: reken vooraf uit wat werkt, in plaats van het in de praktijk te ontdekken en de rekening te betalen in doden en verwondingen.

Dat brein maakt overigens niets, in de zin dat het niet kiest. Robert Sapolsky heeft in Behave (2017) en uitvoeriger in Determined (2023) laten zien dat elk gedrag te herleiden is tot een keten van voorafgaande oorzaken, van neurotransmitters tot baarmoederhormonen tot de economische status van je overgrootouders, zonder dat er ergens een vrij kiezend ik tussen zit dat de keten had kunnen doorbreken. Wat zich voordoet als wilskracht is een drift die zich vermomt als overweging. Dat is een ongemakkelijke conclusie voor wie graag gelooft in zelfbeschikking, en Sapolsky is er niet de eerste noch de laatste in, maar hij is wel degene die het argument compleet heeft opgebouwd in plaats van het als aforisme te strooien. Ik neem die conclusie hier over met naam en toenaam, in plaats van hem tussen haakjes weg te moffelen alsof hij vanzelfsprekend is.

Deze shortcut beperkte zich niet tot losse handelingen. Gereedschap ontwikkelen, dieren domesticeren, medemensen tot slaaf maken en fabrieken bouwen zijn niet zomaar variaties op hetzelfde thema, en het zou gemakzuchtig zijn ze allemaal onder één noemer te vegen zonder de haken en ogen te noemen. Jared Diamond liet in Guns, Germs and Steel zien dat domesticatie vooral afhangt van welke diersoorten toevallig domesticeerbaar zijn, niet primair van de wens om te besparen: een continent met de verkeerde diersoorten krijgt geen vee, hoe graag de bevolking ook zou willen besparen. Orlando Patterson beschreef slavernij in Slavery and Social Death (1982) als een kwestie van sociale dood en machtsstructuur, met economie als gevolg, niet als enige motor. De energie-verklaring blijft overeind als onderliggende logica. Ze verdient alleen niet het laatste woord over ieder historisch detail.

Landbouw past in diezelfde nuance. Robert Bettinger en Martin Baumhoff pasten in 1982 het diet breadth model toe op de verschuiving van jagen en verzamelen naar intensievere vormen van voedselproductie in het Great Basin, en lieten zien dat intensivering vaak pas volgt wanneer de hoogwaardige, laaginspannende opties uitgeput raken, niet omdat landbouw zelf minder moeite kost. Sterker nog, archeologisch en fysiologisch bewijs wijst uit dat de eerste boeren gemiddeld harder werkten en slechter gevoed waren dan de jagers-verzamelaars die ze vervingen. De short cut geldt dus niet universeel voor elke overgang in de menselijke geschiedenis. Soms kiest een populatie, of wordt gedwongen te kiezen, voor meer werk in ruil voor voorspelbaarheid en hogere bevolkingsdichtheid. Dat is geen weerlegging van de energiethese. Het is een grens eraan: minder moeite is het uitgangspunt, niet de uitkomst die altijd wint.

Deze short cut beperkte zich evenmin tot functie, het daadwerkelijk verplaatsen van iets. Ze drong door tot vorm: het lichaam dat zich plooit naar het gedrag waaraan het gebonden is, en dat plooien is zelf een vorm van communicatie. Hier moet ik precies zijn, want het is de plek waar ik het mezelf eerder te makkelijk maakte. Ik greep naar het woord bodybuilding, en dat woord ligt al decennia bezet door een subcultuur die juist staat voor zware training, dieetdiscipline en herhaling tot spierfalen: het tegenovergestelde van een short cut. Wat ik bedoel is iets anders, en dat vraagt om drie aparte niveaus in plaats van één woord.

Die esthetische norm is trouwens niet nieuw. De Griekse kouroi en de idealisering van het atletische lichaam in de klassieke beeldhouwkunst, uitvoerig beschreven door Kenneth Clark in The Nude (1956), waren in de oudheid rechtstreeks gekoppeld aan het gymnasion: de plek waar burgers naakt trainden voor atletiek en oorlogvoering tegelijk. Het beeld van een gespierd lichaam was toen een index in de striktste zin. Je kon niet trainen voor de Olympische Spelen zonder ook trainbaar te zijn voor het slagveld. Pas veel later, met de industrialisering van vrije tijd en de opkomst van de sportschool als consumentenproduct in de twintigste eeuw, raakte het beeld los van de functie die het ooit garandeerde. De norm bleef. De dekking erachter verdween.

Hillard Kaplan, Kim Hill, Jane Lancaster en Magdalena Hurtado bouwden in 2000 een theorie op die hier precies past: embodied capital theory. Spierkracht, uithoudingsvermogen, immuunfunctie en vaardigheid zijn kapitaal, opgebouwd door jarenlange investering van tijd en energie, later inzetbaar als opbrengst in voedsel, status of nageslacht. Het lichaam van iemand die zijn hele leven fysieke arbeid heeft verricht, is de rekening van die investering, zichtbaar afgedrukt op de huid. Noem dat het eerste niveau: vorming door arbeid, onbedoeld, en daarom betrouwbaar.

Het tweede niveau is vorming door vrije tijd: een uurtje sportschool, een gewicht van tijd tot tijd verplaatst, een eiwitreep binnen handbereik. Dat is geen arbeid in de oude zin. Het is een goedkopere imitatie van hetzelfde uiterlijke resultaat, losgezongen van de overleving waar het ooit een bijproduct van was. Wie hier fit uitziet, hoeft niets te hebben overleefd. Hij hoeft alleen een abonnement te hebben afgesloten.

Thorstein Veblen zou dit smakelijk vinden. In The Theory of the Leisure Class (1899) beschreef hij hoe een zachte, weinig gespierde lichaamsbouw ooit het ware statussignaal was: wie er verzorgd en een tikje corpulent uitzag, bewees daarmee dat hij zich geen fysieke arbeid hoefde te getroosten. Conspicuous leisure, zichtbaar nietsdoen, was het bewijs van rijkdom. Vandaag is het patroon volledig omgedraaid. Een strak lichaam bewijst nu juist dat iemand tijd, en dus geld, kon vrijmaken om te sporten in plaats van te werken. De inhoud verschoof, het mechanisme niet. Het lichaam demonstreert nog altijd vooral hoeveel overschot iemand heeft, aan tijd of aan geld, om aan iets anders te besteden dan overleven. Dat overschot is precies waar dit essay mee begon.

Het derde niveau is vorming door ingreep: liposuctie, een botoxbehandeling, straks een GLP-1-recept. Hier verdwijnt zelfs de imitatie van inspanning. Je koopt het eindresultaat rechtstreeks, zonder tussenstap, en daarmee is dit de zuiverste vorm van short cut die het lichaam te bieden heeft. Geen arbeid, geen imitatie van arbeid, alleen de rekening in euro’s in plaats van in calorieën.

Waarom zou dat uiterlijk er dan toe doen. Omdat een lichaam altijd ook een boodschap is, en boodschappen hebben alleen waarde als ze moeilijk na te maken zijn. Amotz Zahavi noemde dit in 1975 het handicapprincipe: een dure, schijnbaar overbodige eigenschap blijft een eerlijk signaal juist omdat hij duur is, een vervalser kan zich de kosten niet veroorloven. John Maynard Smith en David Harper werkten dit in Animal Signals (2003) verder uit tot het onderscheid tussen indexsignalen, onlosmakelijk verbonden met de onderliggende kwaliteit, en conventionele signalen, die losraken van die kwaliteit zodra iemand een goedkopere weg vindt om ze na te bootsen. Een arbeidslichaam is een indexsignaal. Een sportschoollichaam schuift op richting conventioneel signaal. Zodra een signaal conventioneel wordt, begint de wapenwedloop: grotere gewichten, striktere diëten, en uiteindelijk chemische hulp, stuk voor stuk pogingen om het signaal weer duur genoeg te maken om nog iets te betekenen. Dat is precies waarom Hawkes’ Hadza-jagers op groot wild blijven jagen ondanks een lage succeskans. Het aanzien van de vangst is het signaal, niet de calorieën, en dat aanzien werkt alleen zolang de jacht moeilijk blijft.

Ik moet hier ook mezelf tegenspreken, anders wordt short cut een label dat toevallig alles verklaart, en een verklaring die alles dekt, dekt niets. Colin Pierce en John Ollason schreven in 1987 een compromisloos stuk met de titel Eight reasons why optimal foraging theory is a complete waste of time, met als kernpunt dat je elk waargenomen gedrag achteraf tot optimaal kunt herbenoemen door simpelweg de rekeneenheid aan te passen. Dat risico geldt evengoed voor mijn eigen begrip short cut. Als het zowel besparen als verkwisten kan verklaren, verklaart het niets meer. Het herformuleert alleen. De enige manier om dat te vermijden is vooraf zeggen wanneer het model breekt: bij costly signalling, waar meer moeite juist de bedoeling is, en bij vrije tijd, waar de short cut niet de calorieën bespaart maar de tijd herverdeelt naar een ander soort werk. Erving Goffman zou hier overigens aanvullen dat het lichaam sowieso nooit alleen een energievraagstuk is: het is ook uitrusting voor een rol die je voor publiek speelt, zoals hij in The Presentation of Self in Everyday Life (1959) beschreef. Energie en performance lopen door elkaar, en wie ze scheidt, versimpelt beide.

Waar dit naartoe gaat, is niet moeilijk te voorspellen. Elke generatie short cut roept de volgende op, en de huidige generatie heet farmacologisch. GLP-1-agonisten als semaglutide veranderen lichaamsvorm zonder dieet, zonder sportschool, zonder de tijdsinvestering die niveau twee nog vereiste. Dat is niveau drie in industriële oplage, en het zal het conventionele signaal verder uithollen: als iedereen de rekening in een wekelijkse injectie kan betalen, verliest het slanke lichaam zijn informatiewaarde net zo hard als een diploma dat iedereen krijgt. De wapenwedloop stopt daar niet. Hij verplaatst zich, naar spiertekening die injecties niet kunnen namaken, naar huidconditie, naar wat er ooit nog overblijft dat duur genoeg is om eerlijk te zijn. De short cut stopt nooit bij de laatste short cut. Hij zoekt gewoon de volgende drempel op om weer overheen te glippen.

Dezelfde beweging speelt zich af aan de andere kant van de balans, bij het orgaan waarmee dit essay begon. Als het brein zelf een geïnvesteerde short cut was, een manier om vooraf te rekenen in plaats van achteraf te lijden, dan is kunstmatige intelligentie de volgende investering in diezelfde lijn: reken het rekenen zelf uit handen, en betaal met stroom in plaats van met glucose. De mens die een taak uitbesteedt aan een taalmodel doet in structuur niets anders dan de mens die zijn lichaam uitbesteedt aan een injectie. Beide kopen het eindresultaat af zonder de onderliggende opbouw, en beide zullen ontdekken dat het signaal dat ooit aan die opbouw vastzat, kennis, vaardigheid, een gespierd lichaam, langzaam waardeloos wordt zodra iedereen de rekening kan betalen zonder de investering te doen. Wat overblijft is de vraag die dit essay openhoudt in plaats van beantwoordt: of er ooit een bodem is waar de short cut niet meer doorheen kan zakken, of dat we gewoon blijven graven tot er niets onderscheidends meer over is om te kopen.

Wie dit leest en zich betrapt op ongemak, hoeft niet gerustgesteld te worden. Het ongemak is correct. Je bent geen verhaal over doorzettingsvermogen. Je bent een rekensom die zichzelf voortdurend probeert te verlagen, en het enige verschil tussen jou en de vogel die de kleine made laat liggen, is dat jij er een verhaal omheen kunt bouwen terwijl je hetzelfde doet.

 

Literatuur

  • Aiello, L.C. & Wheeler, P. (1995). The Expensive-Tissue Hypothesis: The Brain and the Digestive System in Human and Primate Evolution. Current Anthropology, 36(2), 199-221.
  • Bettinger, R.L. & Baumhoff, M.A. (1982). The Numic spread: Great Basin cultures in competition. American Antiquity, 47(3), 485-503.
  • Charnov, E.L. (1976). Optimal foraging, the marginal value theorem. Theoretical Population Biology, 9(2), 129-136.
  • Clark, K. (1956). The Nude: A Study in Ideal Form. John Murray.
  • Diamond, J. (1997). Guns, Germs, and Steel: The Fates of Human Societies. W.W. Norton & Company.
  • Emlen, J.M. (1966). The role of time and energy in food preference. The American Naturalist, 100(916), 611-617.
  • Goffman, E. (1959). The Presentation of Self in Everyday Life. Doubleday.
  • Hawkes, K., O’Connell, J.F. & Blurton Jones, N.G. (1991). Hunting income patterns among the Hadza: big game, common goods, foraging goals and the evolution of the human diet. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 334(1270), 243-251.
  • Kaplan, H. & Hill, K. (1992). The evolutionary ecology of food acquisition. In E.A. Smith & B. Winterhalder (Eds.), Evolutionary Ecology and Human Behavior. Aldine de Gruyter.
  • Kaplan, H., Hill, K., Lancaster, J. & Hurtado, A.M. (2000). A theory of human life history evolution: Diet, intelligence, and longevity. Evolutionary Anthropology, 9(4), 156-185.
  • Leonard, W.R. & Robertson, M.L. (1994). Evolutionary perspectives on human nutrition: The influence of brain and body size on diet and metabolism. American Journal of Human Biology, 6(1), 77-88.
  • MacArthur, R.H. & Pianka, E.R. (1966). On optimal use of a patchy environment. The American Naturalist, 100(916), 603-609.
  • Maynard Smith, J. & Harper, D. (2003). Animal Signals. Oxford University Press.
  • Orians, G.H. & Pearson, N.E. (1979). On the theory of central place foraging. In D.J. Horn, R.D. Mitchell & G.R. Stairs (Eds.), Analysis of Ecological Systems. Ohio State University Press.
  • Patterson, O. (1982). Slavery and Social Death: A Comparative Study. Harvard University Press.
  • Pierce, G.J. & Ollason, J.G. (1987). Eight reasons why optimal foraging theory is a complete waste of time. Oikos, 49(1), 111-118.
  • Sapolsky, R.M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin Press.
  • Sapolsky, R.M. (2023). Determined: A Science of Life without Free Will. Penguin Press.
  • Stonier, T. (1990). Information and the Internal Structure of the Universe: An Exploration into Information Physics. Springer-Verlag.
  • Veblen, T. (1899). The Theory of the Leisure Class. Macmillan.
  • Wiener, N. (1948). Cybernetics: Or Control and Communication in the Animal and the Machine. MIT Press.
  • Winterhalder, B. & Smith, E.A. (Eds.) (1992). Evolutionary Ecology and Human Behavior. Aldine de Gruyter.
  • Zahavi, A. (1975). Mate selection: A selection for a handicap. Journal of Theoretical Biology, 53(1), 205-214.
  • Zahavi, A. & Zahavi, A. (1997). The Handicap Principle: A Missing Piece of Darwin’s Puzzle. Oxford University Press.
  • Zipf, G.K. (1949). Human Behavior and the Principle of Least Effort. Addison-Wesley.

 

Ook interessant voor jou!