Het jacht dat zichzelf voor het leven houdt
Ik heb de afgelopen week een paar seizoenen Below Deck Med gekeken. Reality tv over een superjacht, bemanning die zes weken lang rijke gasten naar de zin probeert te maken voor een fooi, met alle drama van dien. Onschuldig kijkvoer, zou je denken.
Het werd iets anders zodra ik begon te letten op hoe voorspelbaar het allemaal verloopt. Niet een beetje voorspelbaar. Elk seizoen dezelfde ineenstorting, dezelfde coalities, dezelfde huilbui om drie uur ’s nachts in de bemanningskombuis, met compleet andere mensen. Dat is geen toeval, dat is techniek, en de techniek bleek terug te voeren op Veblen, Skinner, Milgram en Sherif zonder dat de makers ooit een van die namen gelezen hoeven te hebben.
Het interessante deel zit niet op de boot. Het zit bij de kijker. Waarom herken je jezelf in een deckhand die je nooit hebt ontmoet, en wat doet dat met hoe je je eigen werk, je eigen dates en je eigen etentjes met vrienden beoordeelt. Daar gaat dit essay over: een jacht als vergrootglas voor mechanismen die allang op het vasteland draaien, fooipot en gig economy incluis.
Zoals altijd, ik hoor graag waar het schuurt.
Een veilige vaart en veel leesplezier,
Peter Koopman
Het jacht dat zichzelf voor het leven houdt
Maandagochtend meert het jacht af, de primary charter guest stapt aan boord met een tas vol verwachtingen en een creditcard die alles moet compenseren wat de rest van het jaar misging. Binnen een uur weet de bemanning al hoe deze week gaat lopen, ze hebben het tientallen keren eerder gezien. Een chief stew rent van de patisserie naar de kajuit, een deckhand poetst chroom dat al blonk, en ergens onderdeks wordt fluisterend afgesproken wie er die avond met wie zal flirten. Tegen vrijdag huilt er iemand in de bemanningskombuis om drie uur ’s nachts, en het is dan weer een ander gezicht dan vorige week, maar het scenario is identiek. Veertig seizoenen lang, drie schepen, tientallen wisselende bemanningen. Dat herhalingspatroon is geen ongeluk, het is techniek, en de techniek zit dieper dan de productie zelf beseft.
De gast koopt geen verblijf. Voor tweehonderdduizend dollar voor drie nachten koopt hij het zien buigen van andere mensen op commando, iets wat Thorstein Veblen aan het eind van de negentiende eeuw al doorhad toen hij schreef over de rijken die status kopen door te tonen dat anderen voor hen werken terwijl zijzelf niets doen. Wat hij niet kon voorzien was de fooienpot. Aan het eind van de week krijgt de bemanning tussen de duizend en tweeduizend dollar uitgekeerd, nooit op een vast moment, nooit voor een vast bedrag, en die onvoorspelbaarheid is precies waarom niemand ooit stopt met rennen. Skinner liet met zijn duiven al zien dat een dier harder blijft werken voor een beloning die soms komt dan voor een die altijd komt. Een fooienpot is in wezen een gokkast met witte lakens erbij.
Tegen woensdag is de sfeer onder de bemanning veranderd zonder dat iemand kan zeggen wanneer precies. Er zijn twee kampjes ontstaan, de een vindt dat de ander te weinig doet, er wordt geroddeld in de crew mess, iemand voelt zich buitengesloten bij het avondeten. Sherif zag dit exacte patroon al in 1954 toen hij twee groepjes jongens in een zomerkamp zette en binnen een paar dagen vijandbeelden zag ontstaan die niemand had geplant, puur als gevolg van schaarste en tijdsdruk. Zes weken opgesloten op honderdvijftig vierkante meter met te weinig slaap is voor dat mechanisme geen kamp nodig, alleen een dienstrooster.
Boven aan het schip staat de kapitein, en zijn (of haar) gezag is geen rol die hij speelt voor de camera. Milgram moest nog een witte labjas fabriceren om proefpersonen ervan te overtuigen dat de man met het klembord echt iets te zeggen had, hier is dat gezag wettelijk verankerd en eeuwenoud, maritiem recht in plaats van decor. De chief stew zit tussen kapitein en bemanning in, en juist die positie maakt haar hardvochtiger dan wie dan ook aan dek. Milgrams latere experimenten met tussenpersonen lieten al zien dat wie een bevel doorgeeft zonder het zelf uit te voeren zich minder verantwoordelijk voelt voor de uitkomst, en dus harder doordrukt. Zij hoeft de gast niet te bedienen. Ze hoeft alleen de stews zover te krijgen dat ze het onmogelijke leveren.
De kijker thuis denkt naar Kate te kijken, of naar Malia, of naar wie er dit seizoen de hoofdrol speelt. In werkelijkheid kijkt hij naar een systeem met wisselende poppetjes, en het rare is dat hem dat niet koud laat. Horton en Wohl noemden dat parasociale interactie, een eenzijdige band met een tv-figuur die psychologisch net zo echt aanvoelt als een band met een vriend. Niemand voelt zich verwant met de kapitein, die autoriteit staat te ver van het eigen leven af. Wel met de deckhand die zich onterecht een uitbrander laat geven, of de stewardess die haar collega niet meer vertrouwt. Klein, herkenbaar, alledaags, en toevallig gefilmd op een schip met zonsondergang op de achtergrond.
Zonderc die herkenning werkt er niets. Zillmann liet zien dat plezier bij drama afhangt van het hebben van een partij om voor te zijn en een partij om tegen te zijn, zonder die partijdigheid is het ruzie op een boot en verder niets. Festinger verklaarde waarom die partijdigheid zo makkelijk ontstaat, mensen vergelijken zichzelf voortdurend met anderen om hun eigen positie te bepalen, het liefst met iemand die net iets hoger of lager zit. Dat is ook precies waarom castingbureaus obsessief zoeken naar relatability. Niet omdat het aardige mensen oplevert. Omdat het een instapluik is.
Eenmaal binnen, blijft de kijker langer hangen dan gezond is. Gerbner noemde dat cultivation, het langzame proces waarbij zware kijkers de fictieve wereld gaan verwarren met de echte, stabiliteit onderschatten en drama overschatten. Kahneman en Tversky legden uit waarom dat zo moeiteloos gaat, het brein weegt niet hoe vaak iets voorkomt maar hoe makkelijk een voorbeeld voor de geest schiet, en veertig afleveringen driehoeksdrama’s schieten sneller voor de geest dan de duizend saaie etentjes die niemand ooit filmde. Postman voegde er de scherpste laag aan toe. Televisie liegt niet zozeer over de inhoud van de wereld, ze installeert een verwachting over de vorm van menselijke interactie zelf, met een climax voor de reclame en een cliffhanger voor de aftiteling.
Vrijdagavond, de fooimeeting. De kapitein leest het bedrag voor, gezichten klaren op of vallen tegen, iemand huilt van opluchting, iemand anders van uitputting die nu eindelijk mag. De kijker sluit de aflevering af en denkt aan zijn eigen week. Dat is het moment waarop het interessant wordt, want hij herkent niet alleen een personage meer. Hij herkent een systeem waarin hij zelf al zit, alleen zonder de camera’s.
Zijn eigen fooi komt via een app, hij noemt het geen gokkast maar gig work, en toch is het exact het schema dat Skinner in kaart bracht, onvoorspelbare beloning voor onvoorspelbare inspanning. Zijn eigen glimlach naar een klant die hem net vernederde is wat Hochschild managed heart noemde, betaalde emotie in plaats van betaalde arbeid, en die kunstgreep zit inmiddels achter elke balie en elke headset ter wereld. Zijn eigen romantische chaos, die opwinding die hij verwart met verliefdheid na een spannende date, is precies het effect dat Dutton en Aron op die wiebelende brug in 1974 al blootlegden, angst en aantrekkingskracht voelen van binnenuit hetzelfde. Datingapps hebben dat mechanisme keurig verpakt in een schema dat lijkt op de fooienpot, swipen als gokkast, een match als toevallige beloning.
En achter dat alles zit Goffman, die het leven al in 1959 theater noemde, front stage en backstage, iedereen die voortdurend een rol speelt voor een publiek. Reality tv heeft dat niet uitgevonden, ze heeft het alleen zichtbaar gemaakt en tot norm verheven. De kijker toetst zijn eigen etentje, zijn eigen Instagram, zijn eigen LinkedIn onbewust aan die norm, en voelt zich tekortschieten wanneer het eigen leven zich niet laat regisseren tot een verhaal met een boog erin. Baudrillard noemde de eindstand hyperrealiteit, de simulatie wordt de maatstaf waarmee de werkelijkheid zelf wordt afgemeten, niet andersom.
Niet iedereen loopt hier zomaar in. Jenkins liet met zijn werk over participatory culture zien dat kijkers helemaal niet zo passief zijn als Baudrillard veronderstelde, fandoms en spotmemes over hoe doorzichtig het format is zijn actieve verwerking, geen sluipende internalisering. Wie op een forum een draad opent over de voorspelbaarheid van de casting, lacht de machine juist uit in plaats van erin te trappen. Shrum maakte dat onderscheid ook empirisch, het effect treft vooral wie niet nadenkt over wat hij ziet, veel minder wie er systematisch op reflecteert. Het probleem zit niet in het kijken zelf. Het zit in kijken zonder ooit die reflex naar reflectie te maken.
Wat blijft hangen na een heel seizoen is niet de verwachting dat het eigen leven net zo dramatisch moet worden als een aflevering. Het is iets subtielers, een langzame inflatie van wat nog telt als interessant. Als de norm een gecureerde uitzinnigheid is, schuift de drempel voor wat de moeite waard voelt gestaag mee, en wordt gewoon geluk bijna onzichtbaar omdat het geen aflevering oplevert. Geen mean world syndrome zoals Gerbner het bedoelde. Eerder een boring world syndrome, niet de wereld wordt gevaarlijker ingeschat, ze wordt oninteressant ingeschat tenzij ze zich aan het format houdt.
Zaterdagochtend vertrekt de gast, de bemanning maakt het schip klaar voor de volgende lading verwachtingen, en om drie uur ’s nachts heeft er echt iemand gehuild om een reden die aan de wal nooit drama zou heten. De camera’s waren ontworpen. De tranen niet. Er is geen bestuurder aan boord die dit stuurt, en er is ook geen regisseur aan wal die bepaalt hoe interessant een leven hoort te zijn. Alleen kalibratie, van de gast, van de bemanning, van de kijker thuis die zijn eigen zaterdagavond stiekem afmeet aan een schip waarop hij nooit heeft gestaan.
Literatuur
Baudrillard, J. (1981). Simulacres et simulation.
Dutton, D. G., & Aron, A. (1974). Some evidence for heightened sexual attraction under conditions of high anxiety. Journal of Personality and Social Psychology.
Ferster, C. B., & Skinner, B. F. (1957). Schedules of Reinforcement.
Festinger, L. (1954). A theory of social comparison processes. Human Relations.
Gerbner, G. (1976). Living with television: the violence profile. Journal of Communication.
Goffman, E. (1959). The Presentation of Self in Everyday Life. Hochschild, A. R. (1983). The Managed Heart: Commercialization of Human Feeling.
Horton, D., & Wohl, R. R. (1956). Mass communication and para-social interaction. Psychiatry.
Jenkins, H. (1992). Textual Poachers: Television Fans and Participatory Culture.
Milgram, S. (1963). Behavioral study of obedience. Journal of Abnormal and Social Psychology.
Milgram, S. (1974). Obedience to Authority.
Postman, N. (1985). Amusing Ourselves to Death. Sherif, M. (1954).
Robbers Cave Experiment. Shrum, L. J. (1996). Psychological processes underlying cultivation effects. Human Communication Research.
Tversky, A., & Kahneman, D. (1973). Availability: a heuristic for judging frequency and probability. Cognitive Psychology.
Veblen, T. (1899). The Theory of the Leisure Class.
Zillmann, D. (1996). The psychology of suspense in dramatic exposition.
