Beste lezer,
Bijgaand een essay dat niet over kindertijd gaat, niet over moraal, en niet over voetbal. Het gaat over de vraag of er ooit iemand aan het stuur heeft gezeten.
Chalmers bedacht een wezen dat precies doet wat jij doet, zonder dat er licht brandt vanbinnen. Dennett zegt dat dat licht sowieso nooit heeft bestaan, bij wie dan ook. Libet mat het moment waarop je brein al besloten had, ruim voordat jij dacht dat je besloot. De rest van het essay bouwt daarop voort, met een kata die niemand kan uitleggen en een kop koffie die je meende zelf te willen.
Vijf minuten leestijd. Geen conclusie die je geruststelt.
Peter Koopman
We zijn allemaal zombies
Een zombie in de filosofie loopt niet kreunend door een winkelcentrum op zoek naar hersenen. David Chalmers gaf het woord in The Conscious Mind een andere lading. Zijn zombie is fysiek en gedragsmatig volledig identiek aan jou. Hij lacht op de juiste momenten, trekt zijn hand terug van een hete kachel, huilt op een begrafenis. Er is alleen niemand thuis. Geen licht dat aangaat, geen ervaring die de vertoning begeleidt. Chalmers gebruikte dat gedachte-experiment om het fysicalisme onderuit te halen. Als zo’n wezen denkbaar is, dan is bewustzijn iets dat niet volledig terug te voeren is op neuronen die vuren.
Het probleem met Chalmers’ zombie is dat hij een verkeerd contrast suggereert, alsof er ergens een tegenpool bestaat die wel een licht heeft branden. Daniel Dennett schoof dat idee in Consciousness Explained met genoegen van tafel. Zijn positie, later toegespitst in het essay Quining Qualia, komt neer op een ongemakkelijke waarheid. Er is nooit een innerlijk licht geweest, bij niemand. Wat wij bewustzijn noemen is een verhalende laag die het brein produceert nadat het al gehandeld heeft, geen bestuurder die vooraf beslist. Dennett zegt niet dat mensen zombies zijn in de horrorfilm betekenis. Hij zegt dat het onderscheid tussen zombie en niet-zombie een vraag oplost die nooit bestond.
Benjamin Libet leverde in 1983 de data die deze claim ongemakkelijk hard maakt. Hij mat de readiness potential, een elektrische opbouw in de motorische cortex, en zag hem verschijnen ruim driehonderd milliseconden voordat proefpersonen zelf aangaven een beweging te willen maken. De beslissing was al onderweg voordat het bewustzijn er weet van had. Latere replicaties met fMRI door John-Dylan Haynes rekten dat venster op tot enkele seconden. Het narratief van willen komt niet voor de handeling, het komt erna, als persbericht van een beslissing die het lichaam al had genomen.
Daniel Wegner bouwde daar in The Illusion of Conscious Will een volledig kader omheen. Zijn proefpersonen kregen het gevoel iets zelf te hebben veroorzaakt puur op basis van timing en aannemelijkheid, ook als een ander de handeling had uitgevoerd. Het gevoel van intentie is een gevolgtrekking, geen directe waarneming van een innerlijke oorzaak. De ervaring van willen is zelf een gedragsproduct. Ze bewijst niets over wat er werkelijk causaal gebeurde, ze is bijzaak die zich voordoet als hoofdzaak.
Waarom zou een organisme zichzelf zo’n overtuigend verhaal vertellen over een bestuurder die niet bestaat? Robert Trivers geeft in Deceit and Self-Deception het motief. De beste leugenaar is degene die zichzelf eerst overtuigt. Wie oprecht gelooft dat hij zelf besloten heeft, geeft geen lichaamstaal weg die op berekening wijst. Zelfbedrog is dan geen defect, het is een evolutionair voordeel in een omgeving waar anderen voortdurend jouw motieven aftasten. De persafdeling in het hoofd gelooft zelf wat ze verkondigt, en juist dat maakt haar geloofwaardig.
John Searle zette in 1980 met de Chinese Room een verwant probleem neer, ditmaal over begrip in plaats van wil. Een man zonder één woord Chinees zit in een kamer met een regelboek. Chinese tekens komen binnen, hij volgt de regels, Chinese tekens gaan naar buiten, foutloos, overtuigend, alsof er iemand zit die de taal spreekt. Er is geen begrip in de kamer, alleen symboolmanipulatie die van buitenaf niet te onderscheiden is van begrip. Wie ooit een leerling een kata heeft zien uitvoeren die technisch perfect is maar geen idee heeft waarom een verplaatsing van het gewicht die specifieke hoek vraagt, heeft de Chinese Room in een dojo zien draaien. Het lichaam kent het antwoord, de bewoner niet.
Thomas Nagel voegde in What Is It Like to Be a Bat de laatste steen toe, niet om een zombie te bevestigen maar om de grens van kennis te markeren. Je kunt alles weten over het echolocatiesysteem van een vleermuis en nog steeds niets weten over hoe het is om er een te zijn, als er al een hoe is. Vertaal dat naar de mens naast je. Je zult nooit weten of achter zijn ogen een licht brandt of dat er alleen gedrag plaatsvindt dat zich voordoet als licht. Het enige geval waarin je iets van binnenuit meent te kennen is je eigen, en zelfs dat geval bestaat voor het overgrote deel uit reconstructie achteraf.
Zet dit naast elkaar en de conclusie is minder griezelig dan hij klinkt, en tegelijk minder troostrijk. Er is geen kamertje in het hoofd waar een klein mannetje de knoppen bedient. Er is een organisme dat voorspelt, reageert, en vervolgens een verklaring optuigt die het zelf voor waar houdt. Dat geldt voor de soldaat die instinctief dekking zoekt voordat hij weet waarom, voor de rechter die zijn vonnis voelt voordat hij de argumentatie schrijft, en voor de man die ’s ochtends koffiezet en denkt dat hij besloten heeft dat hij dorst had, terwijl de cortisolspiegel dat veertig minuten eerder al had geregeld.
Er is geen bestuurder. Er is alleen gedrag, en een stem achterin die volhoudt dat zij aan het roer staat.
