Waarvan wij precies verloren
Beste lezer,
Wanneer iemand na een verloren wedstrijd zegt “wij hebben verloren”, zegt u dan wel eens: “u niet, u zat op de bank”? Waarschijnlijk niet. Er ligt een stevig taboe op het uit elkaar peuteren van dat “wij”. Dat taboe is precies waar het bijgevoegde essay over gaat.
Dinsdagochtend was het land in rouw. Niet om Tamar (veertien, doodgereden, acht weken cel geëist tegen de bestuurder), niet om Venezuela (aardbeving, dorpen weg), niet om iets waar iemands leven aan hing. Om een gemiste strafschop, in een sport, door mensen die de rouwende nooit heeft ontmoet.
Ik heb dat niet uit ergernis genoteerd, maar uit interesse. Als een strafschop het lichaam sterker weet aan te spreken dan een aardbeving, is er iets te leren over hoe dat lichaam werkt. In het essay ontleed ik het mechanisme. Waarom een uitkomst waar u geen invloed op had aanvoelt als een verlies dat u persoonlijk overkwam. Sapolsky levert de cortisol. Cialdini de sociologie. Cikara de fMRI. Palacios-Huerta de statistiek van de strafschop zelf, die zo grinnikwekkend in het voordeel van de schutter uitvalt dat het essay op momenten bijna een stukje econometrie wordt. En Ernest Becker legt uit waarom een sportclub voor de moderne westerse man op de plek van god is komen te staan.
De inzet is groter dan voetbal. Het gaat om hoe uw ik in elkaar zit, en over welke goedkope objecten dat ik zich zonder tegensputteren laat annexeren. Voetbal is er één van. Kind, partner, volk en overtuiging zijn er andere.
Zoals gewoonlijk graag reacties, kritiek en tegenspraak.
Veel leesplezier. En overleef de rouw.
Peter Koopman
AfafA Gym, Zandvoort
Waarvan wij precies verloren
Een essay bij de rouw van dinsdagochtend
Toen ik dinsdagochtend ontwaakte was het land in diepe rouw gedompeld. Niet omdat ik plotseling ziek was geworden, ook niet omdat er acht weken cel wordt geëist tegen Jamal T. voor het doodrijden van de veertienjarige Tamar, ook niet vanwege een verwoestende aardbeving in Venezuela. De ramp die al het nieuws beheerste was: we hebben verloren. Uitgeschakeld door Marokko, na een strafschoppenserie waarin drie miljonairs met scheenbeschermers vergaten waar het doel stond. Weg de oranje straten, weg de oranje reclames, weg de oranje patiënten. De ramp had nog erger gekund. We hadden van de Duitsers kunnen verliezen.
In de gym was het maandag stil geweest. Twee vaste leden hadden zich afgemeld met “kop niet naar”. Een derde kwam wel maar sloeg als iemand die iets wilde bewijzen aan een verlies dat hij niet had geleden. Hij had de vorige avond twee uur voor een scherm gestaan, gevloekt, geschreeuwd, een glas gebroken. De strafschop was door iemand anders gemist, in een ander land, tegen een keeper die hij nooit zal ontmoeten. En toch. Zijn cortisol wist het beter. Robert Sapolsky heeft die kromme in Behave gedocumenteerd; fans van verliezende ploegen zitten de dag erna met stresshormonen die zich niet laten praten. Zijn testosteron was gedaald, gemeten in speeksel van supporters van verliezende teams, gepubliceerd door Bernhardt en collega’s in Physiology and Behavior. Zijn lichaam had verloren, ook al had zijn lichaam nooit gespeeld.
Even iets nuchters over waar we precies om rouwen. De strafschop in het internationale mannenspel wordt volgens Ignacio Palacios-Huerta, econoom en statistisch obsessieve voetbaltoerist (Beautiful Game Theory, 2014), in ongeveer driekwart van de gevallen benut. In een shoot-out ligt het percentage iets lager, tussen de zeventig en vierenzeventig procent, omdat de druk telt. Een schutter op elf meter afstand, met een bal van tweeëntwintig centimeter diameter, gericht op een doel van 7,32 bij 2,44 meter, faalt statistisch in ongeveer één op de vier pogingen. Dat is het feit. Wie dat mist doet iets wat statistisch bijna een gegeven was verkeerd. En het land rouwt om een gemiste bonus.
Nog dwazer wordt het bij de keeper. Reactietijd voor een visuele stimulus zit rond de tweehonderd milliseconden. De duik zelf kost daarna nog vijfhonderd tot zevenhonderd milliseconden. De bal legt de elf meter af in vierhonderd tot vijfhonderd milliseconden bij honderd kilometer per uur. De rekensom klopt niet. Palacios-Huerta en Pierre-André Chiappori hebben aangetoond dat keepers moeten kiezen vóór het schot, wat in speltheoretische termen een gemengde strategie oplevert, een Nash-evenwicht van welbewuste willekeur. Wat betekent dat de keeper een gokker is die zich verkleedt als atleet. Wanneer hij de goede hoek raadt is hij een held. Raadt hij de verkeerde, dan is hij een sukkel. Zijn karakter heeft er niets mee te maken. Zijn training weinig. De uitkomst is grotendeels ruis, en die ruis wordt vervolgens door zestien miljoen mensen gelezen als een moreel verhaal.
Daniel Kahneman noemde dat WYSIATI, what you see is all there is. Het brein neemt een uitkomst en verzint er retrospectief een causaal verhaal bij. Nassim Taleb noemde het fooled by randomness. De supporter ziet de bal over de lat vliegen en concludeert: hij had het niet in zich, hij kraakte onder de druk, zijn hoofd zat niet goed. De supporter ziet de bal binnenvliegen en concludeert: hij is een leider, hij bleef koel, hij verdient zijn geld. Beide conclusies worden getrokken uit één enkele meting van een gebeurtenis waarvan de statistische verwachtingswaarde bekend is en waarvan de individuele uitkomst voor pakweg de helft door variantie wordt bepaald. Het is een casinovertelling met een langgerekte pauze in de camera-opname, en achteraf worden er columns over gedragspsychologie geschreven door mensen die vermoedelijk nog nooit een strafschop in hun leven hebben genomen.
Nu de kern van de zaak. Wij hebben niet verloren. Elf miljonairs verloren. Ik zat op de bank, u zat op de bank, honderdduizenden zaten in een kroeg, en niemand van ons heeft een bal aangeraakt. En toch, wanneer ik tegen een supporter zeg “zij hebben verloren”, corrigeert hij mij. Wij. Dat “wij” is geen stijlfiguur. Dat “wij” is de neurologische realiteit van iemand die het elftal in zijn eigen zelfarchitectuur heeft opgenomen. Mina Cikara en collega’s hebben met fMRI aangetoond dat het brein van fans reageert op wedstrijden alsof het zelf speelt. De beloningscentra vuren bij een goal van de eigen ploeg, de pijncentra vuren bij een goal van de tegenstander, en interessanter nog: er is meetbaar plezier wanneer een rivaal faalt. Schadenfreude is niet metaforisch. Het is een gemeten voxel-activatie in het ventraal striatum, gepubliceerd in Psychological Science.
Robert Cialdini beschreef in de jaren zeventig al het gedrag dat bij die neurologie past. Hij noemde het basking in reflected glory, kortweg BIRGing, en het spiegelbeeld CORFing, cutting off reflected failure. Studenten dragen op maandag na een gewonnen wedstrijd het shirt van hun universiteitsteam. Na een verloren wedstrijd draagt niemand het. Ze zeggen “wij” na winst en “zij” na verlies. Cialdini beschreef het als indruksmanagement. Wat er in werkelijkheid onder zit is iets ouders en fysieker. De club is geannexeerd bij het zelf, en het zelf voert een boekhouding waarin de club op de balans staat als kapitaal. Winst is dividend. Verlies is afschrijving. De rouw is boekhoudkundig, met tranen als debetpost.
Voetbal is een uitmuntende annexatie-aanbieder. De club is herkenbaar, permanent, gedeeld met een grote groep, met een duidelijke tegenstander (de vijand is de structurerende kracht van elke identiteit, Carl Schmitt zou tevreden zitten knikken), met periodieke ritualisering waarin elke wedstrijd de annexatie hernieuwt, en, dit is de sluwe truc, met vrijwel geen kosten voor de annexeerder. Je hoeft er niet voor te trainen. Je hoeft niet af te vallen. Je hoeft geen partner te overtuigen, geen kind op te voeden, geen chronische pijn te verduren. Je moet af en toe een shirt kopen, af en toe een biertje bestellen en één keer per vier jaar twee weken in een halfstaat van uitzinnigheid verkeren. In ruil krijg je een “wij” dat groter is dan uzelf, een “vijand” die u legitiem mag haten, en een uitlaat voor emoties waarvoor het dagelijks leven geen erkende ventilator biedt. Norbert Elias en Eric Dunning beschreven het in Quest for Excitement als een gecontroleerde ontsnapping uit de tucht van beschaafd gedrag. Niet toevallig zijn de statistieken van huiselijk geweldpieken op wedstrijddagen (Card en Dahl publiceerden in Quarterly Journal of Economics dat aanmeldingen bij Amerikaanse spoedeisende hulpen aantoonbaar stijgen na onverwachte NFL-nederlagen van de thuisploeg) een empirische bevestiging van wat iedere politievrouw op de spoedwagen al wist. De ontsnapping bestaat. En de rekening ligt in de keuken van iemand die de wedstrijd niet heeft gespeeld.
Hier komt de klap die u misschien niet wil horen. Er is geen principieel verschil tussen “wij hebben verloren van Marokko” en “wij verwachten ons eerste kindje”. Het is hetzelfde mechanisme, gevoerd met andere brandstof. Het zelf is een permeabele constructie, die elk object dat de juiste cues aanbiedt annexeert en vervolgens verdedigt als eigen. De partner, het kind, de club, het merk auto, de politieke overtuiging, het volk. De architectuur is identiek. Het verschil zit in de kosten van de annexatie en de kwetsbaarheid van het object. Het kind is duur en breekbaar. De club is goedkoop en veerkrachtig. Beide worden neurologisch als deel van het zelf behandeld, wat verklaart waarom een fan zich niet minder gekwetst voelt dan een verlaten geliefde, en waarom hij dat gevoel niet als groteske ervaart. Zijn brein voert een correcte berekening uit op basis van foutieve inputs. Foutief, want de club heeft nooit gevraagd om geannexeerd te worden en heeft er geen weet van, laat staan verantwoordelijkheid voor. De Nederlander die huilt om Cody Gakpo huilt met dezelfde apparatuur waarmee hij zou huilen om zijn vader. Alleen goedkoper.
De rouw is oprecht. Dat is het probleem. Als het theater was zou het onschuldig zijn. Maar de tranen zijn echt, de somberte op maandag is echt, de vent in de kroeg die zijn glas breekt heeft echt pijn. Het organisme heeft de annexatie voltooid en betaalt de rekening. Wat dat blootlegt is niet dat mensen dom zijn. Het toont dat de architectuur van het zelf permeabel is voor elk object dat de juiste cues aanbiedt, en dat de meest onbeduidende objecten (een sportclub, elf miljonairs met scheenbeschermers) daarvoor even geschikt zijn als de meest gewichtige. De domheid zit niet in de rouwende. Ze zit in de aanname dat we het over voetbal hebben.
Voor wie het essay als anti-Marokkaans zou willen lezen: dat is het niet, en wie dat er wél in wil lezen bevestigt precies waar het essay over gaat. De Marokkaanse Nederlander die maandag in een Marokkaans shirt over de Zeedijk liep en de Nederlander die met het Nederlandse shirt aan van kater naar therapie sjokte, doen identiek werk. Beiden hebben een team geannexeerd waar ze geen deel van zijn. Beiden hebben hun status laten koppelen aan een uitkomst die ze niet konden beïnvloeden. Beiden lijden of jubelen aan een gebeurtenis die statistisch nauwelijks meer is dan een muntworp met vertraging. Wie het als een botsing van culturen leest ziet twee kopieën van hetzelfde mechanisme aan voor twee mechanismen. Het is één mechanisme met twee shirts. En het is verhelderend, zij het ongemakkelijk, om vast te stellen dat de zelfaangewezen cultuurbeschermer en de door hem gewantrouwde ander in dit theater als perfecte spiegelbeelden opereren.
Iets vergelijkbaars gebeurt met de deugvertoning eromheen. Wie oranje draagt signaleert. Robert Trivers en Amotz Zahavi zouden aangeven dat de kostbare demonstratie (“kijk hoe overtuigd ik ben, kijk hoe belachelijk ik mij durf te maken voor deze zaak”) juist door de belachelijkheid haar geloofwaardigheid ontleent. Wie oranje niet draagt signaleert net zo hard, alleen aan een ander publiek, meestal het publiek dat zichzelf boven het collectieve delirium plaatst en van die verhevenheid vervolgens weer een identiteit maakt. Beide kampen betalen dezelfde kostenloze sociale rekening. De één met een petje, de ander met een verzuchting op sociale media. Beide krijgen er hun status in kleine dosis voor terug. En beide zullen ontkennen dat ze het doen.
Waarom is dit alles zo hardnekkig. Waarom levert een verlies bij het WK zoveel diepere ontreddering op dan het bericht van een oorlog waar iedere avond kinderen sterven, van een aardbeving die dorpen verzwelgt, van een strafeis van acht weken cel voor het doodrijden van een veertienjarige. Het antwoord staat in het handboek Becker-Sapolsky-Trivers en heet identificatie. De oorlog raakt mij niet in mijn zelfarchitectuur, tenzij ik daar bewust aan werk. De aardbeving raakt mij niet, tenzij ik toevallig familie in Caracas heb. Tamar raakt mij een moment, in de portie empathie die het brein reserveert voor gedeelde eigenschappen (jong, meisje, dochter kunnen zijn), en dan sluit de deur weer, want de meting is verlopen. Maar de strafschop raakt mij in het geannexeerde zelf, en dat is een echt verlies voor een echt object dat ik echt bezit, ook al bezit ik het niet. Ernest Becker zou grinniken. De immortality project van de moderne westerse man is niet zijn nageslacht, niet zijn werk, niet zijn god. Het is zijn elftal.
De keeper had geen kans. De schutter had statistisch een cadeau. Het land rouwt. En op maandagochtend ging in de sportschool aan de kust de vloer voor het eerst in weken open zonder dat er iemand kwam trainen. Sapolsky zou de speekseltest doen en de daling van het testosteron uitlezen. Cikara zou de fMRI aanleggen en de pijncentra zien vuren. Cialdini zou de shirts tellen en constateren dat er niemand meer in oranje op straat liep. En de bokser die zaterdagavond twintig minuten met een tegenstander in dezelfde ring een halve rib had gebroken, die zat thuis met de gordijnen dicht omdat elf jongens in een ander land een bal drie keer verkeerd hadden getrapt.
Zijn eigen rib deed niet meer pijn. Die van het elftal wel.
