Ich bin ein Berliner. Ich bin een Hollander.

Ich bin ein Berliner. Ich bin een Hollander.

Ich bin ein Berliner. Ich bin een Hollander.

Beste lezer,

Kennedy riep in 1963 dat hij een Berlijner was. Niemand geloofde hem niet. Niemand vroeg naar zijn paspoort. De menigte juichte.

Dat zegt iets over hoe identiteit werkt. En over waarom het debat over ‘de Nederlander’ zo hardnekkig is, zo emotioneel, en zo weinig over feiten gaat.

In dit essay onderzoek ik waar het ‘wij’ vandaan komt, waarom mensen zeggen wat ze zeggen (en wat ze er eigenlijk mee bedoelen), hoe verveling een grotere rol speelt in politiek en identiteit dan doorgaans wordt aangenomen, en waarom een samenleving uiteindelijk geen grond is maar een verhaal.

Geen ideologie. Geen partijkeuze. Gedragsbiologie, evolutiepsychologie en een flinke dosis nuchterheid.

Het is geen pleidooi voor of tegen iets. Het is een poging te begrijpen hoe het werkt.

Met vriendelijke groet,

Peter Koopman

Ich bin ein Berliner. Ich bin een Hollander.

Op 26 juni 1963 sprak de Amerikaanse president John F. Kennedy in West-Berlijn vier woorden uit die de geschiedenis zouden overleven:

“Ich bin ein Berliner.”

De menigte juichte. Niemand vroeg naar zijn geboorteakte. Niemand controleerde zijn paspoort. Niemand wees erop dat Kennedy geen Berlijner was, duizenden kilometers verderop geboren, van Ierse komaf, door zijn opvoeding even Duits als een Texas barbecue.

Iedereen begreep wat hij bedoelde. Of beter gezegd: iedereen dacht te begrijpen wat hij bedoelde.

Kennedy deed namelijk iets merkwaardigs. Hij maakte aanspraak op een identiteit die biologisch, juridisch en geografisch niet de zijne was. Toch werd zijn uitspraak niet ervaren als een leugen. Zij werd ervaren als een waarheid.

Dat roept een ongemakkelijke vraag op.

Wat is eigenlijk een Berlijner? En als Kennedy een Berlijner kon zijn, wat is dan een Nederlander?

Dat lijkt een eenvoudige vraag. Zoals veel eenvoudige vragen blijkt zij dat niet te zijn. De vraag behoort tegenwoordig tot de meest explosieve onderwerpen die men op een verjaardag, in een kroeg of op sociale media kan aansnijden zonder direct kennissenkringen tegen zich in het harnas te jagen.

Iemand met een Nederlands paspoort? Iemand die Nederlands spreekt? Iemand die hier geboren is? Iemand die zich Nederlander voelt? Iemand die belasting betaalt? Iemand die bereid is voor Nederland te sterven? Of iemand die gelooft dat Nederlanders bestaan?

Opmerkelijk genoeg worden al deze definities gebruikt. Nog opmerkelijker is dat de meeste mensen zich daar nauwelijks van bewust zijn.

Wanneer iemand zegt: ‘Wij moeten vluchtelingen opvangen.’ Of: ‘Nederland is van ons.’ Of: ‘De Nederlander bestaat niet.’ Dan lijkt dat een feitelijke uitspraak. Vaak is het dat niet. Veel vaker is het een verborgen definitie van het woord ‘wij’. En precies daar wordt het interessant.

Want misschien gaat het hele debat over Nederland helemaal niet over Nederland. Misschien gaat het over iets wat veel verder teruggaat. Het ontstaan van het woord ‘wij’.

Het organisme en zijn verlengstukken

Een mens wordt geboren als individu. Dat denken we althans. Bij nadere beschouwing klopt dat niet helemaal.

Een baby overleeft niet zonder ouders. Een kind niet zonder groep. Een volwassene niet zonder samenleving. De mens is een van de minst zelfstandige organismen die de natuur ooit heeft voortgebracht.

Een pasgeboren veulen loopt binnen enkele uren. Een menselijk kind produceert na enkele uren voornamelijk geluidsoverlast. Toch heeft juist deze hulpeloze primaat de planeet veroverd. Niet dankzij snelheid, kracht of scherpe tanden, maar dankzij samenwerking.

De mens is een coalitie-organisme. Kijk om je heen. De meeste dingen waarvoor mensen werken, sparen, vechten, stemmen, ruzie maken en sterven bevinden zich niet binnen hun huid. Hun gezin, familie, woning, bedrijf, religie, voetbalclub, land. Allemaal psychologische verlengstukken van het zelf.

Het ‘ik’ blijkt opmerkelijk elastisch. Een man kan woedend worden wanneer iemand zijn auto beschadigt, niet omdat zijn been of lever wordt beschadigd, maar omdat zijn auto-onderdeel is geworden van zijn uitgebreide zelf. Dezelfde man kan trots zijn wanneer een voetbalclub wint waarin hij nooit heeft gespeeld. Hij kan zich persoonlijk aangevallen voelen wanneer een vlag wordt verbrand.

Psychologisch gezien is dat volkomen normaal. Het organisme eindigt niet bij de huid. En precies daarom werkte Kennedy’s uitspraak. Hij verklaarde geen administratief feit maar een loyaliteit, een verbondenheid, een uitbreiding van zijn identiteit.

“Jullie lot is mijn lot.”

Dat hoorde de menigte. De rest was grammatica.

Waarom de waterpoel spreekt

Voordat we begrijpen wat mensen zeggen, moeten we begrijpen waarom ze iets zeggen. Dat klinkt triviaal. Het is het niet.

De psycholoog Jonathan Haidt beschreef het zo: morele oordelen zijn geen conclusies van een redenering. Het zijn intuïties die achteraf worden gerechtvaardigd. Het brein beslist eerst, de mond verklaart daarna. Wat wij menen te zeggen over vluchtelingen, nationale identiteit, solidariteit of de grenzen van het ‘wij’, zijn grotendeels post-hoc verhalen die bestaande gevoelens verbergen achter een laagje argumentatie.

Richard Nisbett en Timothy Wilson lieten dat in 1977 al zien in een beroemd geworden onderzoek: mensen geven betrouwbare verklaringen voor hun keuzes en oordelen, maar die verklaringen kloppen aantoonbaar niet. Het bewustzijn weet minder dan het denkt te weten over de eigen drijfveren. De taal is vlot; de inzichten zijn gebrekkig.

Robert Trivers voegde daar een evolutionair argument aan toe. Zelfbedrog is geen bug maar een functie. Wie zijn eigen motief gelooft, vertelt het geloofwaardiger aan anderen. Het organisme dat oprecht gelooft dat het vecht voor rechtvaardigheid, overtuigt zijn coalitiegenoten beter dan het organisme dat zegt: ik vecht omdat ik status wil, grondstoffen wil, of mijn angst wil onderdrukken.

Dat betekent iets verstrekkends. Wanneer mensen spreken over nationale identiteit, migratie, solidariteit of het ‘wij’, zijn zij zelden zo rationeel als zij denken. Zij rationaliseren een gevoel. Dat gevoel is vaak ouder dan de argumenten die het omhullen, soms ouder dan de taal waarmee het wordt uitgedrukt.

Het debat over de Nederlander is voor een aanzienlijk deel dan ook geen debat over feiten. Het is een gevecht tussen rivaliserende gevoelens, verkleed als gevecht over feiten. Dat maakt het taai. Feiten lossen zo’n gevecht niet op. Zo’n gevecht vraagt iets anders.

Waarom bestaat het ‘wij’?

Hier komen we op glad ijs. Veel mensen beschouwen groepsvorming als iets cultureel, iets aangeleerd, iets dat wij misschien ooit kunnen afleren. De gedragsbiologie is daar minder optimistisch over.

Groepsvorming is geen ongeluk. Het is een strategie, en een succesvolle bovendien. Een geisloleerd organisme is kwetsbaar. Een groep organismen is sterker. Dat geldt voor wolven, leeuwen, chimpansees en zeker voor mensen.

Stammen. Steden. Rijken. Religies. Naties. Allemaal pogingen om samenwerking op grotere schaal mogelijk te maken. De mens bleek namelijk in staat iets te doen waar vrijwel geen enkel ander dier toe in staat is: samenwerken met grote aantallen onbekenden.

U vertrouwt erop dat de bakker het brood niet vergiftigt. De bakker vertrouwt erop dat u betaalt. Beiden vertrouwen erop dat de politie optreedt wanneer iemand besluit het brood gratis mee te nemen. Iedereen vertrouwt erop dat de rest zich ongeveer aan hetzelfde verhaal houdt. Dat verhaal noemen wij samenleving.

De verveling als motor

Hier verschijnt een factor die zelden serieus wordt genomen, maar vermoedelijk meer geschiedenis heeft aangedreven dan alle ideologieën bij elkaar. Verveling.

Verveling klinkt triviaal. Een luxeprobleem, iets voor mensen met te veel tijd en te weinig fantasie. Dat is het precies niet. Verveling is een evolutionair signaal. Het is de melding van het organisme dat zijn omgeving te weinig informatie biedt, te weinig uitdaging, te weinig kansen op beloning. Het systeem staat op rood: hier valt niets te winnen, zoek elders.

De neurowetenschapper John Eastwood omschrijft verveling als een mismatch tussen de behoefte van het brein aan zinvolle cognitieve betrokkenheid en de beschikbaarheid ervan. Een brein dat niet bezig is, zoekt iets om bezig mee te zijn. Altijd. Soms iets constructiefs. Soms iets destructiefs. Het brein is geen machine die wacht op opdrachten maar een systeem dat actief zoekt naar betekenis om te verwerken.

Dat heeft verstrekkende gevolgen. Religies ontstonden niet uitsluitend uit angst voor de dood, zoals Freud beweerde, of als sociale lijm, zoals Durkheim stelde. Zij ontstonden ook simpelweg omdat hersenen aan het werk willen. Een verhaal over goden, oorzaken en bestraffingen geeft het brein iets te doen: patronen herkennen, regels afleiden, gedrag aanpassen. Verveling gevuld met kosmologie is draaglijker dan verveling gevuld met niets.

Politieke bewegingen worden gevoerd door mensen met iets te doen, mensen die genoeg te eten hebben en weinig te verliezen. Revoluties worden zelden gesmeed door de absolute onderklasse, die te uitgeput is, maar door mensen die net boven het bestaansminimum zitten en tegen het plafond aankijken. De klasse die beschikt over energie, tijd en frustratie tegelijk.

Sociale media zijn in dat licht gezien de perfecte vervelingsmachine. Zij bieden het brein een eindeloze stroom van prikkels precies in het formaat dat het brein het liefste heeft: sociale informatie, statusupdates, potentiële bedreigingen en potentiële kansen, voortdurend wisselend. Een vroeg-pleistoceen brein in een savanne vol zichtbare gevaren en voedselkansen zou dezelfde dopaminereactie vertonen als een moderne mens die zijn tijdlijn scrollt. Het mechanisme is identiek. De context is alleen vervangen.

Wie begrijpen wil waarom mensen zeggen wat ze zeggen over Nederland, identiteit en het ‘wij’, moet niet alleen kijken naar hun overtuigingen. Hij moet ook kijken naar hun energieniveau, hun frustratie, hun beschikbare tijd en hun behoefte aan betekenis. Een tevreden, rustig bezet organisme dat zijn plek in de groep zeker is, voert geen debat over nationale identiteit. Dat debat is grotendeels de uitkomst van mensen die op zoek zijn naar iets om energie in kwijt te kunnen.

Moraal als technologie

Hier stuiten we op een ongemakkelijke gedachte. Misschien is moraal niet ontstaan om mensen goed te maken. Misschien is moraal ontstaan om groepen stabiel te houden.

Dat klinkt bijna blasfemisch. Maar onderzoek de gedachte eens. Een groep waarin iedereen steelt functioneert slecht. Een groep waarin niemand afspraken nakomt functioneert slecht. Niet omdat de kosmos dat wil, maar omdat samenwerking dan instort.

Vanuit dat perspectief wordt moraal iets anders. Geen openbaring, geen absolute waarheid, maar een technologie. Een sociale technologie, vergelijkbaar met taal, geld of wetgeving. Een mechanisme waarmee organismen hun onderlinge samenwerking organiseren.

Dat betekent niet dat moraal onbelangrijk is. Het betekent dat moraal waarschijnlijk belangrijker is dan wij denken, niet omdat zij heilig is, maar omdat zij functioneel is.

Mensen helpen elkaar niet uitsluitend omdat zij goed zijn. Zij helpen elkaar omdat groepen waarin mensen elkaar helpen beter functioneren dan groepen waarin iedereen uitsluitend voor zichzelf leeft. Hier ontstaat direct een spanning. Binnen iedere groep loont het om samen te werken. Maar binnen iedere groep loont het ook om soms niet samen te werken, om te profiteren van de inspanningen van anderen. De evolutiebiologie kent daar een naam voor: de free rider.

De prijs van het Wij

Zodra een groep ontstaat, ontstaat een probleem. Geen moreel probleem, geen politiek probleem; een wiskundig, energetisch probleem dat vrijwel iedere vorm van samenwerking achtervolgt. Wie draagt de lasten? En wie ontvangt de baten?

Samenwerking werkt. Dat is de reden dat zij bestaat. Maar zodra er iets te verdelen valt, verschijnt er altijd iemand die graag wil meedelen. Dat hoeft geen slecht mens te zijn. Het is simpelweg een terugkerend patroon. Waar energie beschikbaar komt, verschijnen gebruikers.

Het succes van een systeem trekt nieuwe deelnemers aan zoals licht insecten aantrekt. Niet omdat insecten slecht zijn, maar omdat licht zichtbaar is. Een succesvolle samenleving is zichtbaar. Zij straalt veiligheid uit, welvaart, voorspelbaarheid, kansen. En organismen bewegen zich naar kansen. De geschiedenis van de mensheid kan voor een aanzienlijk deel worden gelezen als een geschiedenis van verplaatsingen richting gunstiger omstandigheden. Niet alleen oorlog dreef mensen op pad. Hoop deed dat eveneens, soms meer dan oorlog.

De aantrekkelijke waterpoel

Stel je een waterpoel voor op de savanne. Maandenlang droogte. Dan regen. De poel vult zich. Kort daarna verschijnen antilopen. Vervolgens zebra’s. Daarna buffels. Dan roofdieren. Niemand organiseert dat proces. De aanwezigheid van een waardevolle hulpbron verandert het gedrag van organismen. Dat is alles.

Welvaart werkt op een vergelijkbare manier. De meeste migratiestromen op aarde lopen van arme naar rijke gebieden, van instabiele naar stabiele gebieden. Dat is logisch. Vrijwel niemand vlucht vrijwillig van veiligheid naar chaos.

De mens is niet alleen een sociaal organisme. Hij is ook een opportunistisch organisme. Dat woord klinkt tegenwoordig als een belediging. In biologische zin is het een compliment. Een gazelle die uit principe blijft staan wanneer een leeuw verschijnt, laat zelden een indrukwekkende genetische erfenis achter.

De geboorte van de free rider

Een samenleving produceert collectieve voordelen: veiligheid, infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg, rechtspraak, defensie, publieke orde. Die voordelen bestaan omdat voldoende mensen eraan bijdragen.

Maar zodra een collectief voordeel ontstaat, verschijnt ook een verleiding. Waarom bijdragen als anderen het werk ook doen? Waarom risico nemen als anderen dat risico al nemen? Dit probleem is ouder dan de landbouw, ouder dan steden, misschien ouder dan de mens zelf.

Het klassieke free rider-probleem. Wanneer enkele individuen meeliften, blijft de groep functioneren. Wanneer te veel individuen dat doen, stort de samenwerking uiteindelijk in. Vrijwel iedere succesvolle samenleving ontwikkelt dan ook mechanismen om dit te beheersen: beloningen, straffen, normen, schaamte, status, religie, wetgeving. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat organismen reageren op prikkels. De moraal staat daarmee niet boven de biologie; zij is er een product van.

Moraal als bewaker van de energiestroom

Waarom wordt eerlijkheid gewaardeerd? Waarom wordt betrouwbaarheid gewaardeerd? Niet uitsluitend omdat deze eigenschappen mooi zijn, maar omdat zij samenwerking mogelijk maken. Een samenleving waarin niemand zijn woord houdt, functioneert slecht.

Dat verklaart ook waarom moraal voortdurend moet worden herhaald, onderwezen, beloond en afgedwongen. Moraal lijkt in dat opzicht op onderhoud. Niemand bewondert een brug omdat zij dagelijks wordt geschilderd. Stop met schilderen en uiteindelijk stort zij in.

De uitbreiding van de morele kring

De mens blijkt in staat zijn morele kring voortdurend uit te breiden. Ooit eindigde die kring bij de familie. Later bij de stam. Daarna bij de stad, het koninkrijk, de natie. Sommigen proberen haar tegenwoordig uit te breiden tot de gehele mensheid.

Maar iedere uitbreiding heeft een prijs. Hoe groter de kring wordt, hoe abstracter zij wordt. Hoe abstracter zij wordt, hoe moeilijker wederkerigheid zichtbaar wordt. Ik zie mijn buurman. Ik zie mijn familie. Maar ik zie de miljoenen mensen die deel uitmaken van een nationale gemeenschap niet. Ik vertrouw erop dat zij bestaan, bijdragen, en zich aan dezelfde spelregels houden.

Vertrouwen is daarmee misschien wel de meest onderschatte grondstof van een samenleving. Zodra het verdwijnt, wordt iedere interactie duurder. Controle groeit. Bureaucratie groeit. Wantrouwen groeit. Uiteindelijk wordt de samenleving minder productief.

Het succesprobleem

Succes creëert overvloed. Overvloed creëert aantrekkingskracht. Aantrekkingskracht creëert instroom. Instroom creëert druk. En druk creëert discussie die bijna altijd over hetzelfde gaat: de grenzen van het ‘wij’.

Wie hoort erbij? Wie mag meedoen? Wie bepaalt de regels? Wie draagt bij? Hoeveel verschil kan een groep verdragen voordat zij zichzelf niet meer herkent? Dat zijn geen moderne vragen. Iedere succesvolle coalitie wordt er uiteindelijk mee geconfronteerd.

Te gesloten en een samenleving verstart. Te open en zij riskeert verlies van cohesie. Zoals een lichaam voortdurend moet balanceren tussen isolatie en uitwisseling. Volledige afsluiting betekent dood. Volledige openheid eveneens. Leven speelt zich af tussen die twee extremen. Misschien geldt dat ook voor samenlevingen.

De ironie van de moderne mens

De moderne mens ziet zichzelf graag als individu. Vrij, autonoom, onafhankelijk. Toch is hij waarschijnlijk afhankelijker van collectieve systemen dan enig mens voor hem.

Zijn voedsel, elektriciteit, water, veiligheid, pensioen, gezondheidszorg: geproduceerd door onbekenden. Hij leeft in een web van wederzijdse afhankelijkheden dat zo complex is geworden dat geen enkel individu het nog volledig begrijpt. En toch blijft hij spreken over zelfstandigheid.

Nog nooit was de mens zo afhankelijk van een collectief. Nog nooit sprak hij zo vaak over individualisme. Misschien verklaart dat ook waarom discussies over identiteit, migratie en nationale gemeenschap zo emotioneel worden. Zij raken aan de vraag hoe groot het ‘wij’ mag worden voordat het ophoudt als een ‘wij’ te voelen.

Van calorieën naar aandacht

Gedurende het grootste deel van zijn bestaan had de mens een tamelijk overzichtelijk probleem. Niet doodgaan. Dat klinkt simplistisch. Eenvoud is vaak een onderschatte kracht.

Voordat er filosofen waren, waren er hongerige mensen. Voordat er beleidsadviseurs, diversiteit coördinatoren, influencers en strategische communicatie-experts waren, waren er hongerige mensen. Die hongerige mensen besteedden het grootste deel van hun tijd aan activiteiten die direct verbonden waren met overleven. Voedsel zoeken. Onderdak creëren. Roofdieren vermijden.

Pas wanneer een samenleving voldoende energie produceert, ontstaat ruimte voor kunst, wetenschap, filosofie, religie, bureaucratie, entertainment, sport. Zodra de basisvoorzieningen zijn geregeld, verschuift de competitie. De strijd om calorieën wordt langzaam vervangen door een strijd om aandacht.

De handel in aandacht

Aandacht is misschien wel de meest onderschatte valuta van de moderne wereld. Geld kan worden terugverdiend. Tijd niet. Iedere seconde aandacht die iemand weggeeft, is een seconde leven die definitief verdwijnt.

Vrijwel de gehele moderne economie blijkt uiteindelijk gebaseerd op het verkrijgen, vasthouden en sturen van aandacht. Een sportcoach verkoopt niet alleen beweging maar ook ritueel, structuur, uitdaging, groepsbinding, status, erkenning, betekenis. Een influencer verkoopt vrijwel uitsluitend aandacht. Een politicus verkoopt een toekomstbeeld. Een priester duizend jaar geleden verkocht verlossing. Een consultant verkoopt zekerheid.

Misschien zijn de verschillen kleiner dan wij denken. En hier sluit de cirkel van de verveling. Een samenleving die voldoende calorieën produceert, produceert automatisch miljoenen aandachtige consumenten die op zoek zijn naar iets om die aandacht mee te vullen. Degenen die dat iets leveren, beleggen een aanzienlijk deel van de sociale macht.

Mijn bullshit job

Toen de antropoloog David Graeber zijn boek Bullshit Jobs publiceerde, veroorzaakte hij een merkwaardig soort ongemak. Niet omdat zijn boek onweerlegbaar was, maar omdat veel mensen zichzelf herkenden. Mensen met goede salarissen, goede opleidingen en een knagend gevoel dat hun werk eigenlijk weinig verschil maakte.

Mijn eigen werk als sportinstructeur zou door sommigen probleemloos in die categorie kunnen worden geplaatst. Ik produceer geen voedsel. Ik bouw geen huizen. Ik repareer geen hoogspanningskabels. Ik verkoop aandacht, met een sausje. Een plezierig sausje misschien. Maar toch een sausje.

Wanneer morgen alle sportinstructeurs verdwijnen, blijft de zon opkomen. Wanneer morgen alle boeren verdwijnen, ontstaat een ander probleem. Dat lijkt een overtuigend argument. Totdat je verder kijkt. Want dezelfde redenering geldt voor muziek, theater, sport, verhalen, rituelen, humor, religie, kunst, vriendschap, liefde. Voor vrijwel alles wat mensen hun leven betekenisvol laat ervaren.

Blijkbaar leeft de mens niet uitsluitend van calorieën. Zodra voldoende calorieën beschikbaar zijn, ontstaat er iets anders. Een honger naar betekenis, verbondenheid, erkenning, aandacht. En misschien is verveling de onzichtbare directeur van dit theater. Zij zorgt ervoor dat het brein nooit lang genoegen neemt met genoeg. Zij drijft mensen naar religie, politiek, identiteitsdebat, naar alles wat het aanwezige maar lege moment kan vullen met iets wat voelt als urgentie.

De explosie van de cognitieve elite

Welvaart produceert specialisatie. Specialisatie produceert expertise. Expertise produceert elites. Een samenleving met miljoenen inwoners kan niet functioneren zonder mensen die zich bezighouden met bestuur, rechtspraak, onderwijs, financiën, wetenschap en organisatie.

Maar succesvolle samenlevingen produceren steeds meer van deze functies. Meer managers, meer beleidsmakers, meer adviseurs, meer communicatiespecialisten. Meer vergaderingen om te bespreken waarom er zoveel vergaderingen zijn.

De historicus Peter Turchin noemt dit elite-overproductie: het verschijnsel waarbij een samenleving meer mensen produceert die aanspraak maken op invloedrijke posities dan er invloedrijke posities beschikbaar zijn. Dat creëert spanning. Niet onder de armsten, maar juist onder de hoogopgeleiden, onder mensen die geleerd hebben dat zij bijzonder zijn, dat zij recht hebben op een bepaalde maatschappelijke positie.

Wanneer de werkelijkheid dat niet bevestigt, ontstaat frustratie. En gefrustreerde hoogopgeleiden met een telefoon en een mening zijn precies het soort organisme dat ideologische bewegingen fuelt. Historisch blijkt statusverlies psychologisch pijnlijker dan armoede. Een arme arbeider die arm blijft, ervaart teleurstelling. Een elite die haar positie verliest, ervaart vernedering. Vernedering is een krachtige politieke brandstof.

De komst van de machine die schrijft

Veel technologische revoluties hebben lichamelijke arbeid vervangen. De tractor verving spierkracht. De machine verving handwerk. AI lijkt iets anders te doen. Voor het eerst verschijnt een technologie die een deel van de cognitieve tussenlaag raakt: de laag die informatie verzamelt, sorteert, analyseert, samenvat, presenteert, herschrijft en adviseert.

Precies de werkzaamheden waarop een groot deel van de moderne kenniseconomie is gebouwd.

Een ongemakkelijke vraag komt op tafel. Hoeveel van ons werk bestaat uit activiteiten die daadwerkelijk noodzakelijk zijn? En hoeveel bestaat uit activiteiten die mogelijk zijn geworden doordat de samenleving rijk genoeg was om ze te onderhouden? Onderzoeksvragen hebben de vervelende eigenschap dat zij soms antwoorden opleveren die niemand graag hoort. Een elite die net heeft leren leven met haar onmisbaarheid, heeft weinig affiniteit met vragen die die onmisbaarheid in twijfel trekken.

De herschikking

Wanneer energiestromen veranderen, verandert macht. Dat geldt voor organismen, bedrijven en beschavingen gelijkelijk. Toen landbouw verscheen, veranderde macht. Toen stoomkracht verscheen, veranderde macht. AI zal dit patroon herhalen.

De vraag is niet of dat gebeurt. De vraag is naar wie. En misschien nog belangrijker: welke verhalen zullen sterk genoeg blijken om de samenwerking tussen miljoenen mensen in stand te houden wanneer die verschuiving plaatsvindt?

Want uiteindelijk draait iedere samenleving op verhalen. Verhalen over rechtvaardigheid, eigendom, solidariteit, identiteit, de toekomst. Verhalen over het woord ‘wij’.

Ich bin een Hollander

En daarmee keren we terug naar Kennedy. Naar die vier woorden.

“Ich bin ein Berliner.”

Misschien waren zij veel meer dan een politieke uitspraak. Misschien waren zij een demonstratie van een van de meest bijzondere eigenschappen van onze soort: het vermogen om een ‘wij’ te creëren dat groter is dan familie, groter dan stam, groter zelfs dan een natie.

De mens is waarschijnlijk het enige organisme dat bereid is offers te brengen voor abstracties. Voor vlaggen, grondwetten, religies, revoluties, mensen die hij nooit heeft ontmoet, generaties die nog niet bestaan.

Dat is een opmerkelijke eigenschap. Misschien onze grootste kracht. Misschien ook onze grootste zwakte. Want hetzelfde vermogen dat samenwerking mogelijk maakt, maakt ook uitsluiting mogelijk. Een ‘wij’ produceert onvermijdelijk een ‘zij’. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat een grens zonder buitenkant geen grens is.

De verzorgingsstaat als wederkerigheidsmachine

Nergens wordt dat duidelijker dan in de moderne verzorgingsstaat. Miljoenen onbekenden betalen gezamenlijk voor voorzieningen die zij grotendeels gebruiken voor mensen die zij nooit zullen ontmoeten. Evolutionair gezien is dat bijna absurd. Een jager-verzamelaar uit het Pleistoceen zou vermoedelijk denken dat wij krankzinnig zijn geworden.

Wij betalen voor zieken die wij niet kennen, voor ouderen die wij niet kennen, voor wegen waar wij nooit rijden. En toch werkt het. Althans, meestal.

Waarom? Omdat voldoende mensen geloven dat er uiteindelijk sprake is van wederkerigheid. Vandaag betaal ik. Morgen ontvang ik misschien. Dat vertrouwen vormt de fundering van het systeem.

Wanneer mensen het gevoel krijgen dat bijdragen en ontvangen structureel uit balans raken, ontstaat spanning. Wanneer mensen het gevoel krijgen dat de regels niet voor iedereen hetzelfde zijn, ontstaat spanning. Wanneer mensen het gevoel krijgen dat zij offers brengen voor een gemeenschap waarmee zij zich niet langer verbonden voelen, ontstaat spanning.

Dat betekent niet dat zij gelijk hebben. Maar het gevoel alleen is vaak al voldoende. Samenlevingen leven niet uitsluitend van feiten. Zij leven ook van percepties. En voor percepties geldt wat voor alle post-hoc verhalen geldt: zij zijn moeilijker te weerleggen met feiten dan met een beter verhaal.

De grenzen van solidariteit

Hier raken we een onderwerp dat vaak onmiddellijk in politieke loopgraven verdwijnt. Het is eigenlijk een wetenschappelijke vraag. Hoe ver reikt menselijke solidariteit? Tot de familie? Tot het dorp? Tot de natie? Tot de mensheid?

Het eerlijke antwoord: dat weten we niet precies. Sommige mensen blijken in staat hun morele kring zeer ver uit te breiden. Anderen houden haar relatief klein. Beide strategieën hebben voordelen en risico’s.

De werkelijkheid lijkt minder geïnteresseerd in ideologische zuiverheid. Zoals een organisme voortdurend moet balanceren tussen openheid en bescherming: een lichaam zonder huid sterft, een lichaam volledig afgesloten van zijn omgeving eveneens. Leven bevindt zich ergens tussen die twee extremen.

De grote trek

Door de geschiedenis heen hebben mensen zich verplaatst. Soms uit noodzaak, soms uit ambitie, vaak uit beide. Het proces is niet nieuw. Nieuw is de schaal, de snelheid, en de mate waarin informatie onmiddellijk zichtbaar maakt waar kansen zich bevinden.

Een boer in de Middeleeuwen wist nauwelijks hoe het leven honderd kilometer verderop eruitzag. Een jongeman met een smartphone weet binnen enkele seconden hoe mensen leven aan de andere kant van de wereld. Dat verandert gedrag. Niet omdat mensen veranderd zijn, maar omdat informatie veranderd is.

Het organisme reageert nog steeds zoals het altijd reageerde: op kansen, veiligheid, voorspelbaarheid, welvaart. Misschien moeten we daarom oppassen om migratie uitsluitend als ideologie te beschouwen. Vaak is zij eenvoudiger: een organisme dat beweegt richting een gunstiger omgeving. Dat is geen veroordeling. Dat is een observatie.

Wanneer wordt een verhaal te groot?

Naties bestaan niet uit grond. Zij bestaan uit gedeelde verwachtingen, aannames, verhalen. Zolang voldoende mensen geloven dat zij onderdeel zijn van hetzelfde project, blijft de constructie bestaan. Wanneer dat geloof afneemt, wordt de constructie fragiel.

De vraag is dus niet uitsluitend hoeveel mensen zich Nederlander noemen. De vraag is hoeveel mensen ongeveer hetzelfde bedoelen wanneer zij dat zeggen. Dat is iets anders, en mogelijk veel belangrijker.

De ironie van Maxima

Jaren geleden ontstond ophef toen koningin Maxima zei dat ‘de Nederlander niet bestaat’. De discussie ging vervolgens vooral over de vraag of zij gelijk had. Misschien was dat de verkeerde vraag.

Vanuit biologisch perspectief heeft zij waarschijnlijk gelijk. Er bestaat geen Nederlandse schedel, geen Nederlandse lever, geen Nederlands gen. Onder een microscoop verdwijnt Nederland onmiddellijk. Maar hetzelfde geldt voor geld, religie, democratie, mensenrechten, bedrijven, universiteiten, wetten, eigendom. Voor vrijwel alles wat het menselijk leven structuur geeft. Onder een microscoop bestaan deze dingen niet. En toch bepalen zij dagelijks het gedrag van miljarden mensen.

De interessante vraag is niet of de Nederlander bestaat. De interessante vraag is hoe iets dat niet bestaat zo’n enorme invloed kan hebben op mensen die wel bestaan.

De mens als verhalenverteller

Misschien onderscheidt de mens zich uiteindelijk niet door intelligentie, niet door taal, niet door technologie, maar door zijn vermogen om collectieve ficties te creëren.

De mens leeft niet alleen in de fysieke werkelijkheid. Hij leeft ook in een symbolische werkelijkheid van verhalen, betekenissen, identiteiten, loyaliteiten, verwachtingen. Dat maakt samenwerking op ongekende schaal mogelijk. Maar het maakt ons ook kwetsbaar. Want wanneer verhalen botsen, botsen uiteindelijk ook de groepen die erin geloven.

Religieuze oorlogen, burgeroorlogen, revoluties, nationalistische bewegingen, ideologische conflicten. Vaak ging het minder om grondgebied dan om concurrerende werkelijkheden, om verschillende definities van het woord ‘wij’.

Slotbeschouwing

Misschien was Kennedy’s uitspraak daarom veel diepzinniger dan zij op het eerste gezicht lijkt.

“Ich bin ein Berliner.”

Vier woorden. Geen biologisch feit, geen juridisch feit, geen geografisch feit. Een coalitieverklaring. Een verklaring van verbondenheid. Een uitbreiding van het zelf.

En misschien doen wij precies hetzelfde wanneer wij zeggen: ik ben Nederlander. Of Europeaan. Of socialist. Of liberaal. Of christen. Of moslim. Of Ajax-supporter. Of wereldburger.

Steeds opnieuw proberen wij antwoord te geven op dezelfde vraag: bij welk ‘wij’ hoor ik?

Misschien bestaat de Nederlander inderdaad niet. Niet in de natuur, niet in het bloed, niet onder een microscoop. Maar misschien bestaat hij op dezelfde manier als alle grote menselijke constructies bestaan. Als een verhaal. Een gedeeld verhaal. Een verhaal dat voldoende mensen geloven om het werkelijk te maken.

En misschien is dat uiteindelijk alles wat een samenleving ooit is geweest. Een verhaal. Verteld door miljoenen mensen, aan zichzelf, aan elkaar, van generatie op generatie, totdat niemand zich nog herinnert waar het begon.

De vraag is niet of het verhaal waar is. De vraag is hoeveel mensen het verhaal nog delen. En misschien nog belangrijker: welk verhaal ervoor in de plaats komt wanneer zij dat niet meer doen.

Alles geverifieerd. Hier is de literatuurlijst, opgebouwd per thematisch cluster zoals dat in het essay zit, met correcte bibliografische gegevens:

Literatuur

Groepsvorming, coalitie en identiteit

Lorenz, K. (1966). On Aggression. Harcourt, Brace & World. (Oorspronkelijk: Das sogenannte Böse, 1963.)

Harari, Y.N. (2011). Sapiens: A Brief History of Humankind. Harper. Hoofdstuk over collectieve ficties en gedeelde mythen als basis van menselijke samenwerking.

Post-hoc rationalisatie en zelfbedrog

Nisbett, R.E. & Wilson, T.D. (1977). Telling more than we can know: verbal reports on mental processes. Psychological Review, 84(3), 231-259. Het meest geciteerde artikel in de bewustzijnsstudies; de empirische grondslag voor het argument dat mensen hun eigen drijfveren niet kennen. Semantic Scholar

Haidt, J. (2012). The Righteous Mind: Why Good People Are Divided by Politics and Religion. Pantheon Books. Over morele intuïties als primaire motor, redenering als rechtvaardiging achteraf. Wikipedia

Trivers, R. (2011). The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life. Basic Books. Zelfbedrog als evolutionaire aanpassing: wie zijn eigen leugen gelooft, vertelt haar overtuigender. Wikipedia

Verveling als evolutionaire motor

Eastwood, J.D., Frischen, A., Fenske, M.J. & Smilek, D. (2012). The Unengaged Mind: defining boredom in terms of attention. Perspectives on Psychological Science, 7(5), 482-495. Sage Journals

Free riders, moraal en samenwerking

Axelrod, R. (1984). The Evolution of Cooperation. Basic Books. Over hoe samenwerking kan ontstaan en standhouden tussen rationele eigenbelang-maximaliseerders.

Dawkins, R. (1976). The Selfish Gene. Oxford University Press. Reciprocal altruïsme, kin selection, de biologische basis van coöperatief gedrag.

Aandachtseconomie en werk

Graeber, D. (2018). Bullshit Jobs: A Theory. Simon & Schuster. Wikipedia

Elite-overproductie en maatschappelijke instabiliteit

Turchin, P. (2016). Ages of Discord: A Structural-Demographic Analysis of American History. Beresta Books. Zie ook zijn recentere End Times (2023, Penguin Press) voor de actualisering van hetzelfde argument. BooksRun

Achtergrond: migratie als organisch gedrag

Diamond, J. (1997). Guns, Germs, and Steel: The Fates of Human Societies. Norton. Over geografische en ecologische determinanten van bevolkingsbewegingen en maatschappelijk succes.

Vertrouwen als sociale grondstof

Fukuyama, F. (1995). Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity. Free Press. Vertrouwen als sleutelvariabele in economische en sociale prestaties van samenlevingen.

Putnam, R.D. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. Simon & Schuster. Over erosie van sociaal kapitaal en de gevolgen voor collectief vertrouwen.

Ook interessant voor jou!