Hi allemaal,
Een nieuwe brief, en deze valt rauwer op de mat dan de meeste.
We kennen de namen. Verstappen, Polgár, Williams, Antonelli, Agassi. Vaders die hun kinderen vanaf het vierde jaar in één domein hebben gemarineerd en daar wereldtoppers uit zagen rollen. We noemen het talentontwikkeling. We schrijven er boeken over. We draaien er documentaires over.
Wat we niet zien is het kerkhof eronder. De duizend kinderen die identiek werden gedrild en op hun vijftiende stopten met praten. Of erger. Cicero zag het al, lang voordat Taleb het herontdekte.
Deze brief gaat over dat kerkhof, en over een vraag die zelden wordt gesteld. Wie was de vader voordat hij vader werd. En waarom moest dat kind in godsnaam winnen.
Want laten we wel zijn: het is een spelletje. Een balletje, een netje, een gaatje. Daar bouwen we hele kinderlevens omheen, en de vraag is voor wie eigenlijk.
Veel leesplezier op een verlaatte Vaderdag
Groet,
Peter
Over de rug van je kind
Hoe je een wonderkind dresseert
Laten we beginnen met wat we eigenlijk aan het bekijken zijn. Een man rijdt rondjes op een asfaltstrook. Hij doet dat sneller dan andere mannen, met duizendsten van seconden verschil. Een kind slaat een balletje over een netje. Een ander kind slaat een balletje in een gaatje dat tweehonderd meter verderop in het gras zit. Op een houten bord verschuift een vrouw stukjes hout volgens regels die in de zestiende eeuw zijn vastgelegd. We hebben besloten dat dit ertoe doet. We hebben er stadions omheen gebouwd, televisierechten voor verkocht, en hele kinderlevens op afgestemd vanaf het vierde jaar.
Daar moeten we even bij stilstaan voordat we het over de ouders hebben. Anders wordt het volgende verhaal sentimenteel.
Kimi Antonelli zit dit seizoen in de Mercedes en hij is negentien. Zijn vader Marco organiseert het gezinsleven sinds Kimi zeven was rondom kartbanen. Max Verstappen werd door zijn vader Jos in de regen langs het circuit gezet tot hij niet meer huilde. Judit Polgár werd door László op vierjarige leeftijd voor het schaakbord gezet, samen met haar zussen Susan en Sofia, omdat László had besloten dat hij geniën ging maken. Venus en Serena werden door Richard Williams in Compton op de gravelbanen gedrild volgens een 78 pagina’s tellend plan dat hij had opgesteld voordat ze waren geboren. Andre Agassi werd door een ballenmachine bestookt die zijn vader “the dragon” noemde, tot zijn arm in opstand kwam.
Dit zijn de winnaars. Dit zijn de namen waar we over schrijven. Achter deze namen ligt iets dat we nooit zien.
Cicero noemde het in De Natura Deorum. Diagoras de atheïst krijgt een schilderij voorgehouden van schipbreukelingen die hun goden hadden aangeroepen en wonderbaarlijk waren gered, als bewijs dat de goden bestonden. Diagoras vraagt waar de schilderijen hangen van degenen die ook baden en alsnog verdronken. Die hangen nergens. Konden ze niet schilderen, want dood. Taleb hangt zijn hele oeuvre op aan deze gedachte. Fooled by Randomness uit 2001 en The Black Swan uit 2007 leggen uit hoe wij systematisch oordelen over de overlevers en de verdronkenen onder de waterspiegel laten.
Voor elke Judit Polgár hangt er een kerkhof van zussen die we nooit hebben gekend.
Mary Pierce liet haar vader Jim arresteren in 1993 omdat hij haar sloeg. Jelena Dokic beschrijft in Unbreakable uit 2017 hoe haar vader Damir haar met een riem afranselde als ze een wedstrijd verloor en hoe hij haar tussen toernooien door bewusteloos sloeg in hotelkamers. Todd Marinovich werd door zijn vader Marv vanaf zijn geboorte gevormd tot quarterback. Hij at vegetarisch volgens een schema, oefende dagelijks, kreeg geen junkfood te zien tot zijn dertiende. Hij werd gedraft door de NFL en bezweek aan heroïne. Jennifer Capriati werd op haar veertiende prof, op haar zeventiende gearresteerd voor winkeldiefstal en marihuanabezit, en kwam pas een decennium later terug, gebroken. Sofia Polgár, de middelste zus, was getalenteerd genoeg om Internationaal Meester te worden. Ze stopte zodra ze het ouderlijk huis verliet. Schaak interesseerde haar niet meer. Of misschien interesseerde haar vader haar niet meer.
Dit zijn de namen die ergens in een sportarchief staan. Daaronder liggen duizenden namen die nergens staan. Het meisje uit Tampere dat vanaf haar vijfde tennis kreeg, op haar elfde een knieblessure opliep, en nu in een meubelzaak werkt. De jongen uit Modena die karten moest van zijn vader en op zijn vijftiende stopte met praten. Die schrijven geen autobiografie. Daar wordt geen Netflix-documentaire over gemaakt. Hun afwezigheid uit de cijfers wordt verward met hun afwezigheid uit de werkelijkheid.
Phil Rosenzweig laat in The Halo Effect uit 2007 hetzelfde mechanisme zien in de bedrijfsliteratuur. Boeken zoals Good to Great destilleren succesprincipes uit overlevende bedrijven, terwijl identieke principes bij gefaalde bedrijven onbesproken blijven. Kahneman noemt het in Thinking, Fast and Slow uit 2011 “what you see is all there is”. We oordelen over wat zichtbaar is en doen alsof het onzichtbare niet bestaat.
Pas hier wordt het echt vreemd.
We kijken naar Judit Polgár en denken: László heeft dat gedaan. We kijken naar Max Verstappen en denken: Jos heeft dat gedaan. We schrijven boeken over de methode, we vragen aan de vader hoe hij het heeft aangepakt, en hij vertelt het ons graag. Hij gelooft het zelf ook. Hij koos het traject, hij ontwierp het programma, hij hield vol toen anderen opgaven. Daar zit hij dan in een interview, met de naam van zijn kind achter hem geprojecteerd, en hij beschrijft hoe hij het heeft gemaakt.
Maar wie heeft László gemaakt. Een Hongaarse pedagoog die zich verzette tegen het naoorlogse onderwijssysteem dat hijzelf had doorlopen. Hij las 400 biografieën van geniën omdat hij ergens van moest bewijzen dat de school waar hij in zat ongelijk had. Wie heeft Jos Verstappen gemaakt. Een Formule 1-rijder die de top niet haalde en die zijn onvoltooide carrière op de schouders van een vierjarige zette. Wie heeft Richard Williams gemaakt. Een man die in het Amerika van de jaren zestig zwart was, arm, en die geen route uit Compton vond behalve via de baarmoeder van zijn vrouw. Geen van deze vaders koos in een vrije ruimte. Ze gehoorzaamden aan hun eigen geschiedenis. Het organisme dat de ouder is, gevormd door zijn eigen tekorten en frustraties, vormde vervolgens het organisme dat het kind is.
Twee bestuurders waar er nul zijn. En dan komt de derde laag.
De cultuur eromheen, die wel de filmcrew naar Antonelli stuurt en niet naar de jongen uit Modena, fungeert als laatste filter. We zien degenen die de filter passeerden. Over hen schrijven we boeken. Over hen draaien we documentaires. Wat we noemen succesvolle opvoeding is statistisch gesproken een naam die we achteraf plakken op wat de filter heeft doorgelaten. Robert Frank toont het in Success and Luck uit 2016 met cijfers waar weinig tegen in te brengen valt. Winnaars onderschatten systematisch de rol van toeval en overschatten die van eigen handelen. De vaders ook.
Drie ontbrekende bestuurders. Geen stuurman in het kind, geen stuurman in de ouder, geen stuurman in de cultuur die selecteert wie we vereren. Toch verschijnt er aan het eind een eindbeeld dat eruitziet als een prestatie van vrije individuen. Wonderbaarlijk.
Er ontbreekt nog één laag, en die is wranger dan de andere drie samen.
Waar gaat het allemaal om. Een rondje rijden, een balletje slaan, stukjes hout verschuiven. Geen oorlog gewonnen, geen ziekte genezen, geen mens uit het water gehaald. Een spelletje. We hebben besloten dat het ertoe doet omdat we de aandacht erop richten. En daar zit het mechanisme dat de hele opvoeding draagt.
Ernest Becker schreef het op in The Denial of Death uit 1973. De mens kan zijn eigen sterfelijkheid niet verdragen en bouwt levenslang aan onsterfelijkheidsprojecten. Het kind is daar het meest voorradige bouwmateriaal voor. De ouder die zelf niet werd opgemerkt, wordt opgemerkt via zijn kind. De vader die in zijn eigen leven onder de radar bleef, ziet zijn naam op een achterruit van een Formule 1-wagen rijden. Hij bestaat by proxy. Hij is zichtbaar geworden omdat zijn kind het podium haalde.
Geen detail. De motor zelf. Het kind moet winnen omdat de ouder anders niet bestaat. De methode, het 78 pagina’s tellende plan, de duizenden uren dressuur, het functioneert allemaal als infrastructuur voor de ontologische honger van de ouder. Het balletje moet over het netje omdat de vader anders een man zonder gezicht is.
Wat is het stuk waar het kind dan zelf doorheen moet. Het organisme dat het kind is, krijgt vanaf het vierde jaar te horen dat zijn waarde gebonden is aan een handeling. Een baan, een netje, een schaakbord. Wie wint, mag bestaan. Wie verliest, valt uit het verhaal van de vader. Het kind leert die rekenkunde als ware het een natuurwet, en het wordt zijn voorspellende model. Het organisme richt zich naar wat zichtbaar wordt beloond en wat zichtbaar wordt verworpen, en wat het verwerpt is zijn eigen vader die wegkijkt na een verloren partij.
Daarna gaan we het talent noemen.
Dan kantelen we het. Het wordt karakter. Het wordt mentaliteit. Het wordt een mooie reportage van zes minuten op het sportjournaal waarin we de tranen op het podium zien en de ouder op de tribune, die nu eindelijk huilt van geluk omdat het project is geslaagd. Het kind wordt teruggebracht tot een instrument dat heeft gepresteerd. De ouder wordt teruggebracht tot een visionair die het zag aankomen. De duizend kinderen die het niet haalden, en hun duizend vaders die nu zwijgen op verjaardagen, blijven buiten beeld.
En ergens daar tussenin slaat een kind een balletje in een gaatje.
