Het horloge dat je niet meer voelt

Het horloge dat je niet meer voelt

Beste lezer,

Wanneer voelde u voor het laatst dat u een horloge droeg? Vanochtend, waarschijnlijk, bij het omdoen. Daarna niet meer. En waarom smaakt de eerste bes zoeter dan de honderdste, terwijl het dezelfde bes is?

Dat lijken onschuldige vragen, maar ze leiden regelrecht naar een minder onschuldige: waarom doen we zo verkrampt over iets wat vrijwel iedereen doet? Is die schaamte rond seks een restje kerk, of zit er iets ouders onder, iets wat we zelf niet meer voelen? En wat zegt het over ons dat twee op de drie mannen in een experiment liever zichzelf een stroomschok gaven dan een kwartier stil te zitten?

Het antwoord ligt niet in de slaapkamer. Het ligt bij een bessenstruik, een cruiseschip en een aap die zijn buurman vlooit.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie 

 

Het horloge dat je niet meer voelt

De orgie die er nooit was

Wie heeft er de laatste tijd nog een orgie meegemaakt? Gewoon zo’n Romeinse orgie, wekenlang onbeperkt seks, drank en eten, met slaven en slavinnen die af en aan lopen. Niemand?

Geen schande. De Romeinen zelf ook niet, of nauwelijks. Het woord komt uit het Grieks en betekende oorspronkelijk niets wilders dan geheime eredienst: de rituelen rond Dionysus, waar ingewijden bij elkaar kwamen. Het beeld van de wekenlange uitspatting komt grotendeels uit de pen van mannen die er belang bij hadden. Geschiedschrijvers die een gehate keizer of diens vrouw zwart wilden maken, en een satiricus die een parvenu belachelijk maakte door hem aan een eindeloze, smakeloze maaltijd te zetten. Romeinse moralisten gebruikten seksuele losbandigheid als politiek scheldwoord¹. Wie een tegenstander kwijt wilde, gaf hem een orgie.

Dat is meer dan een historische voetnoot. De orgie is een fantasie, en wel een heel specifieke: de fantasie van onbeperkte toegang. Alles, iedereen, altijd. Dat ze vooral bestaat in het hoofd van wie er nooit bij was, is de eerste aanwijzing voor waar dit stuk heen gaat. Het verlangen leeft van wat er niet is.

De bessenstruik

Stel je voor: je bent een jager-verzamelaar, honderdduizend jaar geleden. Je loopt door het bos. Ineens sta je voor een prachtige struik vol besjes. Je neemt er een paar. Heerlijk. Je eet door. De smaak is geweldig, je wordt er opgewekt van, en een opgewekt organisme heeft daar op de savanne geen nadeel van: het zoekt verder, deelt makkelijker en valt meer op bij een mogelijke partner.

Dus je eet. En tijdens het smullen gebeurt er iets wat je niet verwacht. De eerste besjes waren lekkerder dan de honderdste. Eet je door, dan word je misselijk. Je denkt niet in koolhydraten, eiwitten en vetten; je denkt in lekker en bitter, en wat zoet was, wordt wee.

Fysiologen hebben daar twee namen voor. De eerste is alliesthesie: dezelfde prikkel voelt aangenaam of onaangenaam, afhankelijk van de toestand van het lichaam². Een warm bad is hemels als je verkleumd bent en ondraaglijk na een dag in de zon. Het genot zit niet in de prikkel. Het zit in het verschil tussen de prikkel en wat het lichaam op dat moment nodig heeft. De tweede naam is sensorisch-specifieke verzadiging: je raakt verzadigd van de smaak die je eet, niet van eten in het algemeen³. Daarom is er na drie hartige gangen altijd nog plek voor het toetje. Je maag is niet vol; je tong is klaar met hartig.

Je neemt wat besjes mee voor de stam. Veel kan het niet zijn, je hebt geen plastic zak. En onderweg dringt zich een gedachte op die geen fysiologie meer is, maar politiek. Vertel ik de stam waar de struik staat? Dan doet iedereen zich te goed aan mijn besjes en vind ik morgen een kale struik. Houd ik het voor mezelf, dan heb ik morgen nog besjes en komen de anderen naar mij. Schaarste als machtsmiddel. De eerste keer dat een mens zweeg over een plek, was de eerste keer dat hij iets bezat.

Dan, een andere dag, een ander bos. Je vindt niet één struik, maar een onuitputtelijke vallei vol bessen. Iedereen kan eten, blijven eten, en de hele stam voelt zich goed. Wat gebeurt er met de besjes? Ze worden gewoon. Wat schaars was, was kostbaar; wat overal is, is decor. En jij, de vinder, bent niemand meer.

Het buffet op dag eenentwintig

Wie weleens een cruise heeft gemaakt, kent het. De eerste avond sta je voor het buffet als een kind in een snoepwinkel. Je schept je bord vol, soms twee borden, en je krijgt er geen genoeg van. Drie weken later loop je er langs. Hetzelfde buffet, dezelfde kreeft, dezelfde chocoladefontein. Jij bent veranderd, het buffet niet.

Hetzelfde patroon zie je bij mensen die de loterij winnen. Een bekend onderzoek vergeleek prijswinnaars met mensen die door een ongeluk verlamd waren geraakt⁴. Een tijd later waren de winnaars niet gelukkiger dan een willekeurige controlegroep, en ze genoten minder van alledaagse dingen, een compliment, een grap, een ontbijt. De verlamde slachtoffers zaten lager, maar de klap was kleiner dan iedereen had voorspeld. Het organisme stelt zijn meetlat bij, naar boven en naar beneden. Het gelukkigst ben je niet als je veel hebt, maar op het moment dat je meer krijgt.

Hier zit een onderscheid dat ertoe doet en dat in bijna elk gesprek over dit onderwerp door elkaar loopt. Verzadiging en gewenning zijn twee verschillende dingen.

Verzadiging is te veel. De honderdste bes. Het lichaam heeft genoeg en zet het genot uit, en na een nacht slapen is de honger terug en smaakt de bes weer zoals de eerste.

Gewenning is te constant. Niet de hoeveelheid doodt de prikkel, wel de stilstand ervan.

Het horloge

Doe een horloge om en je voelt het. Het metaal is koud, het bandje knelt, je bent je bewust van een gewicht om je pols. Een uur later voel je niets meer. Het horloge zit er nog, met hetzelfde gewicht en dezelfde druk. Alleen meldt je zenuwstelsel het niet meer.

Dat heet habituatie, en het is een van de oudste eigenschappen van zenuwstelsels, tot bij zeeslakken aan toe. Een nieuwe prikkel krijgt volle aandacht: het hoofd draait, de hartslag verandert, de pupillen verwijden. Bij herhaling dooft die reactie uit. Pas als de prikkel verandert of wegvalt, schrik je weer wakker⁵. Je hoort de koelkast pas als hij afslaat. Je ruikt je eigen huis pas na twee weken vakantie. En je voelt het horloge pas als het er niet meer zit: die kale, lichte pols die de hele dag iets lijkt te missen.

We reageren op beweging, niet op stilstand. Een zenuwstelsel is geen thermometer die meldt hoe warm het is, eerder een detector die meldt of het warmer of kouder wordt. Dat is zuinig. Een brein dat alles wat constant is blijft melden, verspilt energie aan nieuws dat geen nieuws is. We voelen niet wat we hebben; we hebben wat we niet meer voelen.

Wat we prettig vinden, volgt een omgekeerde U⁶. Te bekend is saai, te vreemd is bedreigend. Het genot zit in het midden, bij wat net genoeg afwijkt van het verwachte om op te vallen, maar niet zoveel dat het alarm afgaat. Een liedje dat je voor het eerst hoort, is nog vreemd. Bij de vijfde keer is het geweldig. Bij de vijftigste zet je de radio uit.

Dat is de sleutel tot de rest. Als het over seks gaat, praten we bijna altijd alsof het om verzadiging gaat: te veel, te makkelijk, te beschikbaar. Het gaat vooral om gewenning. Om iets wat er altijd is en daarom niet meer gevoeld wordt. Om een horloge.

Vlooien

Mensen worden graag afgeschilderd als wezens die naar seks hunkeren. Dat is de verkeerde volgorde. Seks is minder een doel dan een uitdrukking: van exclusieve aandacht en sociale verbinding. Kijk naar onze naaste verwanten. Apen vlooien elkaar urenlang, niet omdat ze zoveel vlooien hebben, maar omdat vlooien de lijm van de groep is⁷. Het kost tijd, en tijd is schaars, dus wie jou vlooit, laat zien dat jij het waard bent. Het geeft een goed gevoel, het lichaam maakt er zijn eigen opiaten bij aan, en het vergroot je kansen: wie gevlooid wordt, heeft bondgenoten als er geknokt moet worden.

Bij de bonobo is seks het vlooien geworden⁸. Seks bij het vinden van voedsel, seks na een ruzie, seks als begroeting, seks om spanning rond het eten te sussen. Het gebeurt overal en in het volle zicht. Het is goedkoop, frequent en sociaal. En je zoekt bij bonobo’s tevergeefs naar iets wat op schaamte lijkt.

Wat een aanraking opwindend maakt, is ook bij mensen zelden de huid. Krab iemand op zijn rug en raak hem daarna intiem aan. Je hand voelt in beide gevallen ongeveer hetzelfde: warme huid, wat druk, wat beweging. De hand beleeft niets. Het verschil zit in wat de aanraking betekent. De ander staat je toe, geeft je beschikking, over zijn lichaam en over een moment dat nog moet komen. De opwinding zit niet in de sensatie. Ze zit in de toegang.

De neurowetenschap ondersteunt dat. Er loopt een scheidslijn tussen willen en genieten, tussen het verlangen naar iets en het genot ervan⁹. Het dopaminesysteem drijft het willen aan, en het reageert vooral op wat nieuw, onzeker en net buiten bereik is. Het genieten loopt via andere routes en is een stuk minder grillig. Daarom kan iemand hevig verlangen naar iets wat hij nauwelijks lekker vindt, en iets lekker vinden waar hij geen stap voor zou zetten. Het klassieke voorbeeld komt uit het rattenlab. Een mannetjesrat die na een reeks paringen uitgeblust in een hoek ligt, leeft op als er een nieuw vrouwtje in de kooi wordt gezet¹⁰. Het lichaam is moe; het brein niet. Seks wordt niet in het kruis beleefd, wel in het hoofd.

Mijn

Als seks vlooien is, blijft er een lastige vraag over. Apen vlooien in het openbaar, en ze vlooien er tien. Mensen verbergen seks. In vrijwel elke cultuur die ooit is beschreven, gebeurt het uit het zicht: in een hut, achter een gordijn, in het donker¹¹. Waarom verbergen we het ene vlooien wel en het andere niet?

Het verschil is exclusiviteit. Ergens in de geschiedenis van onze soort is seks van een gedeelde groepsactiviteit een zaak tussen twee mensen geworden. Langdurige paarbanden, vaders die investeren in kinderen waarvan ze redelijk zeker willen zijn dat het de hunne zijn, vrouwen die een partner binden die blijft. Evolutiepsychologen beschrijven de keerzijde als partnerbewaking: jaloezie, controle, waakzaamheid¹². Dat is het domein van MIJN.

Er is ook een IK in dit verhaal, en die twee bestaan prima naast elkaar. Bij langdurige liefde wordt de ander onderdeel van jezelf. Je zegt “mijn vrouw” niet zoals je “mijn fiets” zegt, eerder zoals je “mijn hand” zegt. Verlies je haar, dan raak je je partner kwijt en een stuk van je eigen lijf. Dat is minder bezit dan uitbreiding: het organisme heeft de ander in zijn eigen model opgenomen.

En dan gebeurt wat met elk horloge gebeurt. De exclusiviteit die ooit voelbaar was, de opwinding van gekozen worden, de spanning van de eerste aanraking, de angst om het kwijt te raken, wordt constant. Wat constant is, wordt niet meer gevoeld. De exclusiviteit is er nog, we voelen haar alleen niet meer. Pas bij afwezigheid, bij dreiging, bij verandering schrikt het systeem wakker.

Hier ligt de bron van de verkramping. We doen niet moeilijk over seks omdat seks zo bijzonder is. We doen moeilijk over seks omdat het de plek is waar een onzichtbare exclusiviteit ineens voelbaar kan worden. Elke blik van een ander op je partner, elk gesprek over vreemdgaan, elke naakte foto in een krant trekt aan het bandje. We bewaken niet de seks, maar het horloge dat we niet meer voelen, tot iemand eraan trekt.

Bij de bonobo, waar geen exclusiviteit is, is ook geen verkramping. Die volgt niet uit de seks; ze volgt uit het hek eromheen.

Het zesje dat een acht wil

Exclusiviteit heeft een prijs, en die prijs wordt op een markt bepaald. Iedereen weet ongeveer wat hij waard is op die markt, en iedereen mikt hoger. Een zesje wil liever een zeven of een acht.

De cijfers zijn ongemakkelijk. Een onderzoek naar miljoenen berichten op datingsites liet zien dat mensen gemiddeld iemand aanschrijven die zo’n kwart begeerlijker is dan zijzelf¹³. Iedereen kijkt omhoog. Alleen kijkt de acht ook omhoog, en antwoordt niet. In de jaren zestig liet een experiment met blind dates al zien dat studenten vooral de aantrekkelijkste partner wilden, ongeacht hoe ze er zelf uitzagen¹⁴. In de praktijk belanden mensen meestal bij iemand van ongeveer hun eigen niveau. Het zesje trouwt een zesje en houdt er een levenslang zacht gevoel van gemis aan over.

Daar komt bij dat zesjes niet bestaan. Laat mensen een reeks foto’s van hun eigen gezicht zien, een paar digitaal mooier gemaakt, een paar lelijker, en vraag welke de echte is. Ze kiezen een opgepoetste versie¹⁵. Iedereen is in eigen ogen een ondergewaardeerde zeven.

Volg die rekensom en je ziet twee bronnen van verkramping in één bed liggen. Wie zichzelf een zeven waant en naast een zes wakker wordt, heeft in zijn hoofd een concessie gedaan; de wereld zit vol mogelijkheden die hij heeft laten liggen. Wie zichzelf een zes waant en een acht heeft gevangen, slaapt met één oog open. Onderzoek onder getrouwde stellen laat precies dat zien: mannen met een aantrekkelijke vrouw steken meer energie in bewaking¹⁶. MIJN, met een rekenmachine.

Wie het horloge de hele dag voelt

Waarom voelt de één die dreiging de hele dag en haalt de ander er zijn schouders over op? Het makkelijke antwoord is omgeving, opvoeding en hormonen. Dat klopt waarschijnlijk, maar het is een antwoord dat alles verklaart en daarmee niets. Wie het concreter wil, vindt een paar kandidaten.

De eerste is de manier waarop iemand zich hecht. Volwassen relaties volgen grofweg dezelfde patronen als de band tussen een kind en zijn verzorger¹⁷. Angstig gehechte mensen scannen voortdurend op tekenen van verlies: een late reactie op een bericht, een blik die een tel te lang duurt. Vermijdend gehechten hebben het verlies al afgeschreven voordat het kan knellen. De eerste voelt het horloge elke minuut, de tweede heeft het in een la gelegd.

De tweede kandidaat is aandacht. Angstige mensen richten hun blik sneller op wat bedreigend is; in het lab is dat te meten in fracties van een seconde¹⁸. Daar zit een lus in. Wie aandacht besteedt aan een dreiging, voelt haar sterker, en wie haar sterker voelt, besteedt er meer aandacht aan. Het is de man die om de vijf minuten op zijn horloge kijkt en dan concludeert dat de tijd dringt.

De derde is walging. Seksuele walging blijkt een apart domein, los van walging voor bedorven voedsel of ziekte¹⁹. Wie daar gevoelig voor is, oordeelt strenger over het seksuele gedrag van anderen, ook als dat gedrag niemand schaadt²⁰. Het oordeel komt eerst. Het argument volgt.

Met hormonen moet je voorzichtiger zijn dan de populaire pers. Testosteron en oxytocine doen mee, maar de veelgehoorde verhalen over vrouwen die rond hun eisprong ineens andere mannen aantrekkelijk vinden, hebben het in grote herhalingsonderzoeken niet best gedaan²¹. Wie daar zijn verklaring op bouwt, bouwt op klei.

Het verhaal achteraf

Wie de dreiging voelt, wil een reden. Redenen zijn er genoeg: God, de natuur, het fatsoen, de kinderen, de volksgezondheid. De vraag is of die redenen de oorzaak zijn, of het verhaal dat achteraf om het gevoel heen is gebouwd.

Mensen zijn daar opvallend goed in, en opvallend slecht in het doorzien ervan. In de jaren zeventig lieten psychologen klanten in een winkel kiezen uit een rij identieke nylonkousen. De meesten pakten de meest rechtse. Gevraagd waarom, noemden ze de kwaliteit, de kleur, de soepelheid. Niemand noemde de plek op de tafel²². Ze logen niet. Ze geloofden hun eigen verklaring.

Het mooiste voorbeeld gaat juist over seks. Een moraalpsycholoog legde mensen een verhaal voor over een volwassen broer en zus die op vakantie besluiten één keer met elkaar naar bed te gaan. Ze gebruiken twee voorbehoedsmiddelen, doen het vrijwillig, vertellen het niemand, en hun band wordt er alleen hechter van²³. De meeste mensen vinden het verwerpelijk. Vraag waarom, en ze noemen het risico op een kind met afwijkingen; dat is uitgesloten. Emotionele schade; die is er niet. Wat als iemand erachter komt; niemand komt erachter. Na elke gesneuvelde reden blijven ze bij hun oordeel. “Ik weet het niet, het is gewoon fout.” De onderzoeker noemde dat morele sprakeloosheid. Ik noem het de verkramping in laboratoriumvorm: eerst de walging, dan de zoektocht naar een reden, en als die reden sneuvelt, blijft de walging gewoon staan.

Freud had het in 1912 al gezien²⁴. De waarde van een behoefte zakt zodra de bevrediging makkelijk wordt, schreef hij, en er is een obstakel nodig om het verlangen op te drijven. Waar natuurlijke hindernissen ontbraken, hebben mensen er altijd conventionele tussen geschoven. Een halve eeuw later ging een Franse schrijver verder: het erotische bestaat dankzij het verbod, zonder grens valt er niets te overschrijden²⁵. En een hedendaagse relatietherapeut zag in haar praktijk wat dat voor stellen betekent: verlangen heeft afstand nodig, en de huiselijke nabijheid die we van een goede relatie eisen, is precies wat het verlangen smoort²⁶.

Maar kijk wat daar gebeurt. Al die verklaringen, van de kansel tot de divan, zijn ook verhalen achteraf. Ze geven de verkramping een functie: het verbod dient de spanning, het taboe dient de orde, de schaamte dient God. Een organisme dat een druk voelt zonder te weten waar die vandaan komt, verzint er een bedoeling bij. Dat doet het met alles, dit essay incluis. Er is geen ontwerper die het taboe heeft ingevoerd om seks spannend te houden. Er is een horloge dat knelt als iemand aan het bandje trekt, en een brein dat daar een verhaal bij maakt.

Ook de populaire verklaring dat het allemaal om macht draait, ontsnapt daar niet aan. Machtsongelijkheid en beschikking zijn voor velen een prima uitgangspunt, juist omdat ze een schuldige opleveren. Wie een schuldige heeft, hoeft niet meer naar zijn eigen pols te kijken.

De tribune

In de jaren zeventig gooide een Franse denker een flinke steen in deze vijver²⁷. Het idee dat we seksueel onderdrukt zijn, vond hij een mythe. Nooit is er zoveel over seks gepraat als in de eeuwen die we preuts noemen: in de biechtstoel, in de spreekkamer van de arts, in opvoedingshandboeken, in wetboeken. Het taboe zweeg niet. Het was een eindeloze stroom woorden.

Dat klopt, maar het verklaart minder dan het lijkt. Mensen praten over wat hen fascineert, en wat fascineert, ligt meestal op afstand. Kijk naar de voetbalsupporter. Na een overwinning dragen fans vaker het shirt van hun club en zeggen ze “wij hebben gewonnen”. Na een nederlaag wordt het “zij hebben verloren”²⁸. Ze hebben geen bal geraakt. Ze hebben in hun hoofd een deelname gefabriceerd die hen vreugde verschaft, op veilige afstand van het veld. Seks als gespreksonderwerp werkt net zo. Het is de tribune: alle opwinding van de wedstrijd, geen enkel risico op een gebroken been.

En hier sluiten de twee verklaringen op elkaar aan. Als fascinatie afstand vraagt en het taboe die afstand maakt, dan produceert de verkramping precies het gepraat dat ze zegt te willen voorkomen. Het verbod is de tribune. Wie preekt over zedeloosheid, zit er met zijn neus bovenop; wie roddelt over de buren, speelt mee zonder te spelen. Het taboe zwijgt niet over seks. Het maakt er een kijksport van.

Steeds een tandje harder

Wat gebeurt er als de afstand wordt opgeheven? Dat experiment loopt sinds een jaar of twintig, met het internet als laboratorium en een flink deel van de mensheid als proefpersoon. Wat ooit achter een gordijn zat, zit nu achter een schermvergrendeling.

Het voor de hand liggende antwoord: men gaat op zoek naar nieuwe, extremere prikkels, of het nu drugs zijn of seks. Daar is biologisch het nodige voor te zeggen. Een Nederlandse bioloog liet in de vorige eeuw zien dat een scholekster liever gaat broeden op een reusachtig nep-ei dan op haar eigen ei²⁹. Een overdreven versie van een natuurlijke prikkel wint het van het origineel. Een Amerikaanse psycholoog trok dat door naar onze tijd: junkfood, porno, televisie, het zijn allemaal reuzen-eieren³⁰. De moderne wereld is een fabriek van overdreven prikkels, en wij zitten erop te broeden.

Wie zijn ogen openhoudt, ziet alleen dat het escalatieverhaal niet voor iedereen opgaat. De meeste pornokijkers belanden niet in steeds extremer materiaal, en het veelgehoorde verband met erectieproblemen is in grotere onderzoeken nauwelijks terug te vinden³¹. Gewenning werkt twee kanten op. Wie een tijd stopt, wordt weer gevoelig. De cruisepassagier die thuiskomt, vindt een boterham met kaas weer gewoon lekker. Escalatie is een helling, geen val, en wie erop uitglijdt, had meestal al iets anders aan de hand.

Zoeken zonder te vinden

Blijft de vraag waarom we überhaupt nieuwe prikkels zoeken. Mijn antwoord is eenvoudig: omdat het leven zelf geen doel heeft. Er is geen eindpunt waar het organisme naartoe werkt, geen moment waarop het klaar is en tevreden kan gaan zitten. Er is alleen de volgende prikkel.

Dat klinkt somber. Het is gewoon biologie. In de hersenen zit een circuit dat het best te omschrijven is als een zoeksysteem³². Het vuurt bij het jagen, niet bij het vangen. Dopamine schiet omhoog bij een onverwachte beloning en zakt weg zodra de beloning voorspelbaar wordt. Een organisme dat tevreden bleef zitten bij de eerste struik, werd ingehaald door het organisme dat doorliep. We zijn gebouwd om te zoeken, niet om te vinden. Niemand heeft dat zo bedoeld. Het is wat overbleef.

Een Duitse filosoof schreef twee eeuwen geleden dat het leven heen en weer slingert als een pendule, tussen pijn en verveling³³. Een Franse wiskundige had al eerder opgemerkt dat alle ellende van de mens uit één ding voortkomt: dat hij niet rustig alleen in een kamer kan blijven zitten³⁴. In 2014 werd dat getest³⁵. Proefpersonen moesten een kwartier alleen zitten met hun gedachten, zonder telefoon, zonder boek. Binnen handbereik zat een knop die een stroomschok gaf, een schok die ze eerder hadden gevoeld en waarvan ze hadden gezegd dat ze geld zouden betalen om hem te ontlopen. Twee op de drie mannen drukten toch. Bij de vrouwen was het een op de vier. Eén man drukte honderdnegentig keer. Liever pijn dan niets. Liever beweging dan stilstand.

Pascal had drie eeuwen gelijk en een stroomdraad nodig om het te bewijzen.

En zo komen we terug bij de Romeinse orgie. Ze heeft nauwelijks bestaan en bestaat toch al tweeduizend jaar, als verhaal, omdat ze precies is wat het zoeksysteem wil horen: overvloed, net buiten bereik. Wie er ooit echt een had meegemaakt, stond na een week aan de reling, zoals de cruisepassagier op dag eenentwintig. Achter hem de wijn, de kreeft, de slaven en slavinnen. Hij kijkt er niet meer naar. Hij kijkt naar de horizon, het enige aan boord wat niet te krijgen is.

 

Literatuur

De nummers verwijzen naar de superscripts in de tekst.

  1. Edwards, C. (1993). The Politics of Immorality in Ancient Rome. Cambridge University Press. Primaire bronnen: Suetonius, De vita Caesarum; Tacitus, Annales XI (Messalina); Petronius, Satyricon (het feestmaal van Trimalchio).
  2. Cabanac, M. (1971). Physiological role of pleasure. Science, 173, 1103–1107.
  3. Rolls, B. J., Rolls, E. T., Rowe, E. A. & Sweeney, K. (1981). Sensory specific satiety in man. Physiology & Behavior, 27, 137–142.
  4. Brickman, P., Coates, D. & Janoff-Bulman, R. (1978). Lottery winners and accident victims: Is happiness relative? Journal of Personality and Social Psychology, 36, 917–927.
  5. Sokolov, E. N. (1963). Perception and the Conditioned Reflex. Pergamon.
  6. Berlyne, D. E. (1971). Aesthetics and Psychobiology. Appleton-Century-Crofts.
  7. Dunbar, R. (1996). Grooming, Gossip and the Evolution of Language. Faber & Faber. Over de opiaten: Keverne, E. B., Martensz, N. D. & Tuite, B. (1989). Beta-endorphin concentrations in cerebrospinal fluid of monkeys are influenced by grooming relationships. Psychoneuroendocrinology, 14, 155–161.
  8. De Waal, F. & Lanting, F. (1997). Bonobo: The Forgotten Ape. University of California Press.
  9. Berridge, K. C. & Robinson, T. E. (1998). What is the role of dopamine in reward: hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews, 28, 309–369.
  10. Wilson, J. R., Kuehn, R. E. & Beach, F. A. (1963). Modification in the sexual behavior of male rats produced by changing the stimulus female. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 56, 636–644. (Het Coolidge-effect.)
  11. Brown, D. E. (1991). Human Universals. McGraw-Hill.
  12. Buss, D. M. (1994). The Evolution of Desire: Strategies of Human Mating. Basic Books.
  13. Bruch, E. E. & Newman, M. E. J. (2018). Aspirational pursuit of mates in online dating markets. Science Advances, 4(8), eaap9815.
  14. Walster, E., Aronson, V., Abrahams, D. & Rottman, L. (1966). Importance of physical attractiveness in dating behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 4, 508–516.
  15. Epley, N. & Whitchurch, E. (2008). Mirror, mirror on the wall: Enhancement in self-recognition. Personality and Social Psychology Bulletin, 34, 1159–1170.
  16. Buss, D. M. & Shackelford, T. K. (1997). From vigilance to violence: Mate retention tactics in married couples. Journal of Personality and Social Psychology, 72, 346–361.
  17. Hazan, C. & Shaver, P. (1987). Romantic love conceptualized as an attachment process. Journal of Personality and Social Psychology, 52, 511–524.
  18. MacLeod, C., Mathews, A. & Tata, P. (1986). Attentional bias in emotional disorders. Journal of Abnormal Psychology, 95, 15–20.
  19. Tybur, J. M., Lieberman, D. & Griskevicius, V. (2009). Microbes, mating, and morality: Individual differences in three functional domains of disgust. Journal of Personality and Social Psychology, 97, 103–122.
  20. Inbar, Y., Pizarro, D. A., Knobe, J. & Bloom, P. (2009). Disgust sensitivity predicts intuitive disapproval of gays. Emotion, 9, 435–439.
  21. Jones, B. C. e.a. (2018). No compelling evidence that preferences for facial masculinity track changes in women’s hormonal status. Psychological Science, 29, 996–1005.
  22. Nisbett, R. E. & Wilson, T. D. (1977). Telling more than we can know: Verbal reports on mental processes. Psychological Review, 84, 231–259.
  23. Haidt, J. (2001). The emotional dog and its rational tail: A social intuitionist approach to moral judgment. Psychological Review, 108, 814–834.
  24. Freud, S. (1912). Über die allgemeinste Erniedrigung des Liebeslebens. Jahrbuch für psychoanalytische und psychopathologische Forschungen, 4.
  25. Bataille, G. (1957). L’Érotisme. Éditions de Minuit.
  26. Perel, E. (2006). Mating in Captivity: Reconciling the Erotic and the Domestic. HarperCollins.
  27. Foucault, M. (1976). Histoire de la sexualité I: La volonté de savoir. Gallimard.
  28. Cialdini, R. B. e.a. (1976). Basking in reflected glory: Three (football) field studies. Journal of Personality and Social Psychology, 34, 366–375.
  29. Tinbergen, N. (1951). The Study of Instinct. Oxford University Press.
  30. Barrett, D. (2010). Supernormal Stimuli: How Primal Urges Overran Their Evolutionary Purpose. W. W. Norton.
  31. Landripet, I. & Štulhofer, A. (2015). Is pornography use associated with sexual difficulties and dysfunctions among younger heterosexual men? Journal of Sexual Medicine, 12, 1136–1139.
  32. Panksepp, J. (1998). Affective Neuroscience: The Foundations of Human and Animal Emotions. Oxford University Press. Zie ook: Schultz, W., Dayan, P. & Montague, P. R. (1997). A neural substrate of prediction and reward. Science, 275, 1593–1599.
  33. Schopenhauer, A. (1819). Die Welt als Wille und Vorstellung, deel I, § 57.
  34. Pascal, B. (1670). Pensées (fragment over het divertissement).
  35. Wilson, T. D. e.a. (2014). Just think: The challenges of the disengaged mind. Science, 345, 75–77.

 

Ook interessant voor jou!