De guillotine kiest het pak

De guillotine kiest het pak

Harde werker en trouwe lezer,

Weet u waarom de loodgieter zich minder zorgen hoeft te maken over AI dan de beleidsadviseur? En wat gebeurde er in 1933 in een Oostenrijks dorp met mensen die opeens alle tijd van de wereld hadden, behalve dat ze die niet meer konden gebruiken?

Iedereen roept dat de machine ons werk overneemt. Weinigen vragen wie er dan de huur int, en waarom een brein van twintig watt wordt vervangen door een apparaat dat stroom drinkt als een klein land. Nog minder mensen vragen wat er gebeurt met de man die op een verjaardag niet meer kan antwoorden op de vraag “en wat doe jij?”.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie 

  

De guillotine kiest het pak

Op elke verjaardag valt vroeg of laat dezelfde vraag. En wat doe jij? Niemand vraagt wat je bent, wat je denkt of waar je bang voor bent. Wat je doet, daar gaat het om, en het antwoord bepaalt binnen drie seconden waar je in de kring komt te zitten. Loodgieter: een knikje, en of je zaterdag even naar de lekkende kraan wil kijken. Strategisch beleidsadviseur: een instemmend hm, en niemand die doorvraagt, uit angst het antwoord te krijgen.

Grofweg valt de westerse wereld in twee groepen uiteen. De ene groep sjouwt, schept en repareert. De andere is daarvan vrijgesteld en herken je aan de kleding; zij vergaderen, rapporteren en sturen mails naar mensen die mails sturen. De eerste groep levert spierkracht en vakmanschap. De tweede levert vooral aanwezigheid, en wordt daar beter voor betaald.

Nu komt de machine die kan denken, of iets doet wat er van buitenaf verdacht veel op lijkt. Het gangbare verhaal is dat ze ons allemaal het werk afneemt. Dat verhaal klopt in grote lijnen en is in de details precies verkeerd om.

De verkeerde mieren

De vorige revolutie nam de spieren en spaarde het hoofd. Deze neemt het hoofd en spaart de spieren.

Dat klinkt als een woordgrap, maar het is een oude waarneming uit de robotica. Wat een mens moeilijk vindt, vindt een computer makkelijk, en omgekeerd. Schaken, een contract opstellen, een beleidsnotitie van veertig pagina’s terugbrengen tot vijf punten: voor een machine is dat een tussendoortje. Een trap op lopen met een krat bier, onder een gootsteen liggen en op de tast een geroeste moer losdraaien, met de ene hand een tegel vasthouden en met de andere de lijmkam: daar zweten de knapste ingenieurs ter wereld al zestig jaar op. Een kind van vier doet het beter dan de duurste robot.

De reden is evolutionair en niet erg verheffend. Aan lopen, grijpen en balanceren heeft de natuur honderden miljoenen jaren geschaafd. Het zit zo diep dat we het niet eens als prestatie herkennen. Abstract redeneren is een vers laagje lak van een paar honderdduizend jaar. Dun, dus makkelijk na te bootsen.

Het gevolg laat zich raden. De stukadoor hoeft voorlopig niet te vrezen. De man die de offerte van de stukadoor beoordeelt, wel. De guillotine kiest het pak.

Zweet is geen waarde

Het ligt voor de hand te zeggen dat werk zijn waarde verliest omdat er geen menselijke energie meer in gaat. Zo werkt het niet. Werk heeft zijn waarde nooit ontleend aan de energie die erin ging.

Neem water en diamant. Zonder water ben je binnen een paar dagen dood, zonder diamant leef je prima. Toch betaal je voor een liter water een paar cent en voor een diamant een maandsalaris. De economie van de achttiende eeuw liep op die puzzel vast; pas toen men inzag dat schaarste de prijs bepaalt, en wat de gek ervoor geeft, viel het kwartje. Een diamant is niet duur omdat er zweet in zit. Er zit zweet in omdat hij duur is.

Voor denkwerk geldt hetzelfde. Een juridisch advies was duur omdat weinig mensen het konden geven. Levert een machine het voor een paar centen, dan zakt de prijs naar een paar centen. De jurist heeft er niet minder hard voor gestudeerd. Het doet er alleen niet meer toe.

Wie daaruit concludeert dat het werk nu gratis is, vergist zich. Niets aan deze revolutie is gratis. De waarde verdampt niet, ze verhuist: van de man die de brief schreef naar het bedrijf dat de rekenkracht bezit. Van het loon naar de huur. Je betaalt voortaan de schrijver niet meer, je betaalt het abonnement.

Nieuw is dat patroon niet. Toen de eerste fabrieken in Engeland draaiden, groeide de economie als kool. De arbeiders die erin stonden werden niet rijker. Ze werden kleiner. Mannen die rond 1830 werden geboren waren gemiddeld korter dan hun grootvaders; slechter eten, smeriger lucht, langere dagen. De vooruitgang was echt. Ze kwam alleen niet bij hen terecht, en zeker niet op tijd.

Twintig watt

Er is nog een denkfout waar ik zelf graag in trap: dat de machine ons energie bespaart.

Een menselijk brein draait op ongeveer twintig watt. Een gloeilamp uit de jaren zeventig verbruikte meer. Daarmee schrijft het gedichten, verzint het oorlogen en onthoudt het waar de autosleutels liggen, al lukt dat laatste niet altijd. De datacenters die nu een deel van dat werk overnemen, slurpen samen meer stroom dan heel Nederland. Techbedrijven kopen kerncentrales om hun modellen te voeden. Besparing kun je dat moeilijk noemen; de rekening verhuist alleen, van de boterham naar het stopcontact.

In 1865 merkte een Engelse econoom op dat de zuinigere stoommachine het steenkoolverbruik niet had verlaagd maar opgejaagd. Wordt iets goedkoper, dan gaan we er meer van gebruiken. Veel meer. Wie dacht dat zuinige auto’s het verkeer zouden verminderen, heeft nooit op de A4 gestaan. Met tekst, beeld en analyse gebeurt nu hetzelfde. Niemand schrijft minder rapporten omdat ze sneller te maken zijn. We schrijven er tien keer zoveel, en lezen er geen enkele meer van.

De drukpers en haar rekening

De vergelijking met de boekdrukkunst houdt stand, mits je de rekening erbij legt.

Toen Gutenbergs pers ging draaien, werd de Bijbel goedkoop. Wie kon lezen, kon nu zelf lezen wat er stond, en dus ook zelf bepalen wat het betekende. Wat volgde was geen eeuw van verlichting. Het was anderhalve eeuw godsdienstoorlog, omdat iedereen ineens zijn eigen gelijk in huis had, gedrukt en ingebonden. De verlichting kwam later. Veel later, en over een berg lijken.

Eén verschil is er wel. De drukpers vermenigvuldigde wat er al was. Deze machine maakt wat er nog niet was, en in onbeperkte hoeveelheid. Wie alles overvloedig maakt, maakt aandacht schaars. De lezer heeft nog altijd één paar ogen en een avond van een paar uur. Tekst wordt goedkoop, aandacht wordt goud.

En er is een detail waar de bioloog in mij een glimlach niet bij kan onderdrukken. Taalmodellen die worden getraind op tekst die andere taalmodellen hebben gemaakt, worden met elke generatie dommer. Het eigenaardige slijt eraf, de uitschieters verdwijnen, alles schuift naar het gemiddelde tot er pap overblijft. Inteelt, gewoon. Een systeem dat alleen zichzelf leest, degenereert. Machines hebben daar het patent niet op; kijk maar naar een gemiddelde vriendengroep in een gemiddelde app.

Marienthal

Dan het eigenlijke probleem, en dat is geen economisch probleem.

In 1930 voorspelde een beroemde Britse econoom dat zijn kleinkinderen rond deze tijd vijftien uur per week zouden werken. De productiviteit zou dat mogelijk maken. Over de productiviteit had hij gelijk, over de mens niet. We hebben de vrije tijd niet opgenomen. We hebben nieuwe banen verzonnen, en daarbinnen nieuwe titels, nieuwe overleggen, nieuwe lagen. Een deel daarvan is onzin, al valt dat aandeel tegen als je het echt gaat meten: de meeste mensen vinden hun werk niet zinloos, ook als het er van buitenaf wel zo uitziet. Dat zegt minder over het werk dan over wat werk met ons doet.

Wat werk met ons doet, werd zichtbaar in een Oostenrijks dorp ten zuiden van Wenen. Marienthal had één werkgever, een textielfabriek, en rond 1930 ging die dicht. Bijna het hele dorp zat in één klap thuis. Een groep jonge onderzoekers trok erheen om te zien wat er gebeurt met mensen die alles verliezen behalve hun tijd.

Ze verwachtten woede. Opstand misschien, of op zijn minst politieke onrust. Ze vonden traagheid. De mannen verloren hun baan, en daarna hun tred: ze liepen langzamer over straat, de onderzoekers maten het met een stopwatch vanachter een raam. Ze bleven vaker staan, zonder aanleiding. De bibliotheek was gratis en liep leeg. Kranten werden opgezegd, verenigingen vielen stil. Toen de mannen werd gevraagd hun dag op te schrijven, bleven er hele uren blanco. Tussen opstaan en middageten: niets. Vrije tijd hadden ze niet gekregen. Ze waren hun tijd kwijtgeraakt.

De vrouwen hielden het beter vol. Sterker waren ze niet; het huishouden ging gewoon door. Er moest gekookt, gewassen en gestopt worden. Hun dag had nog een vorm. Die van de mannen niet meer.

Daar zit de kern. Werk levert loon, maar ook een ritme, een plek in de rangorde en een antwoord op de verjaardagsvraag. Haal het werk weg en het loon is nog het makkelijkst te vervangen. De rest niet.

Een nieuw meetlint

Wie nu denkt dat de mens dan gewoon iets anders zoekt om trots op te zijn, heeft gelijk. Geruststellend is dat niet.

De mens is een primaat die rang zoekt. Dat deed hij al voordat er loonstroken bestonden en dat blijft hij doen als ze verdwijnen. Arbeid was alleen het handigste meetlint van de afgelopen tweehonderd jaar: je deed iets, je kreeg ervoor betaald, en het bedrag stond op je auto, je huis en je pak. Valt dat meetlint weg, dan verdwijnt de rangorde niet. Er komt een ander meetlint.

Een glimp ervan is al te zien. Volgers. Bereik. Authenticiteit als merk. Handgemaakt als nieuwe adel: het brood dat zichtbaar met de hand is gekneed, de stoel die een mens heeft getimmerd, de brief die niet door een machine is geschreven. Hoe meer de machine kan, hoe meer we gaan betalen voor het bewijs dat zij het niet deed. De loodgieter wordt zomaar de nieuwe aristocraat, om wat de machine niet kan en hij wel.

Of dat nieuwe meetlint vriendelijker is dan het oude, valt te betwijfelen. Een rangorde op basis van werk had tenminste nog iets met nut te maken. Een rangorde op basis van zichtbaarheid heeft dat niet.

Het pak hangt nog aan de kapstok. De man die erin hoort, loopt al iets langzamer over straat.

 

Literatuur

  • Jahoda, M., Lazarsfeld, P. & Zeisel, H. (1933). Die Arbeitslosen von Marienthal. Het dorp, de stopwatch, de lege tijdsbladen.
  • Keynes, J.M. (1930). Economic Possibilities for our Grandchildren. De vijftienurige werkweek.
  • Moravec, H. (1988). Mind Children. Waarom het moeilijke makkelijk is en het makkelijke moeilijk.
  • Smith, A. (1776). The Wealth of Nations. De water-diamantparadox.
  • Jevons, W.S. (1865). The Coal Question. Zuiniger wordt meer.
  • Acemoglu, D. & Johnson, S. (2023). Power and Progress. Wie de winst van technologie binnenhaalt.
  • Varoufakis, Y. (2023). Technofeudalism. Van loon naar huur.
  • Komlos, J. (1998). Shrinking in a Growing Economy? Journal of Economic History. De krimpende Engelse arbeider.
  • Eisenstein, E. (1979). The Printing Press as an Agent of Change.
  • Simon, H. (1971). Designing Organizations for an Information-Rich World. Overvloed aan informatie, armoede aan aandacht.
  • Shumailov, I. e.a. (2024). AI models collapse when trained on recursively generated data. Nature.
  • Graeber, D. (2018). Bullshit Jobs. En de natrekking: Soffia, M., Wood, A. & Burchell, B. (2021), Work, Employment and Society.
  • Henrich, J. & Gil-White, F. (2001). The evolution of prestige. Evolution and Human Behavior.
  • Veblen, T. (1899). The Theory of the Leisure Class.
  • IEA (2025). Energy and AI. Stroomverbruik van datacenters.

 

Ook interessant voor jou!