Waarom vertelt u een wildvreemde in de trein soms wat uw partner na veertig jaar nog altijd niet weet? En waarom is het ene filmpje van een opgeblazen soldaat een overwinning en het andere een schande?
Mij wordt weleens verweten dat ik te vaak uitkom bij het brein, bij geweld en bij seks. Daar heb ik geen verweer tegen, wel een verklaring. Weet u bijvoorbeeld hoelang het medeleven met een verdronken kind op een strand standhield, gemeten in euro’s?
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie
Gemeenschap
Soms, niet al te vaak, treft me het verwijt dat mijn essays opvallend vaak uitkomen bij het brein, bij geweld en bij seks. Ik kan het niet weerleggen. Verklaren kan ik het wel, en de verklaring is eenvoudiger dan het verwijt: het is één onderwerp in drie vermommingen.
Mijn leven lang ben ik gefascineerd door gedrag. Waarom doe ik wat ik doe, waarom deze keuze en niet die andere, en wat levert het op? Wat drijft mij? Darwin gaf twee antwoorden, overleven en voortplanten. Het eerste neem ik graag in ontvangst. Met het tweede heb ik moeite, althans zolang ik op het niveau van het organisme blijf. Niemand ligt ’s avonds in bed te denken aan de verspreiding van zijn genen. Het organisme wil lust, of iets wat erop lijkt, en de voortplanting komt er ongevraagd achteraan. Voor de evolutie ligt het precies andersom: lust is het lokaas, het nageslacht de vangst. Beide kloppen, elk op een eigen niveau. Wie wil begrijpen waarom een mens iets doet, moet bij de mens blijven, en daar is voortplanting een bijwerking.
De boekhouder
Het brein is in de eerste plaats een boekhouder. Het houdt bij wat iets kost en wat het oplevert, en de grootste post in die boekhouding is de ander. Een mens alleen is een prooi; een mens in een groep is een macht. We zijn sociale dieren, niet uit beschaving, maar uit noodzaak. De eerste vraag die het brein bij een vreemde stelt, gaat dan ook niet over zijn karakter. Ze luidt: hoort hij erbij?
Daar komen geweld en seks samen. Het zijn de twee oudste instrumenten voor die ene vraag. Met het ene houd je de ander buiten, met het andere haal je hem binnen.
Geweld dat telt en geweld dat scoort
We zijn niet tegen geweld. We zijn tegen geweld dat ons treft, of onze groep. Gericht tegen de ander, de outgroup, heet de verdediging, gerechtigheid of, als het goed gefilmd is, een doelpunt.
Nederland stuurt via zijn regering miljarden aan geld en wapentuig naar Oekraïne, onder de noemer ‘het is ook onze oorlog‘. Op sociale media circuleren de beelden: Russische jongens die door een drone worden opgeblazen, soldaten die na hun overgave alsnog worden doodgeschoten, een schedel die met een geweerkolf wordt ingeslagen. Dit is oorlog. De wreedheden voltrekken zich aan beide kanten en de Verenigde Naties hebben ze aan beide kanten vastgelegd. Toch is de gangbare reactie hier geen afschuw, wel tevredenheid. We scoren. We winnen. Draai de rollen om, toon dezelfde beelden met een Oekraïense jongen onder de drone, en het land staat op zijn achterste benen.
Met slechte opvoeding heeft dat weinig te maken. In hersenscanners is te zien dat tegenslag van de tegenpartij het beloningssysteem activeert, en dat haar succes oplicht in de gebieden die ook bij pijn actief worden. Het brein voert twee kolommen. Leed in de ene kolom is verlies, leed in de andere is winst.
Verontwaardiging die niets kost
Dan is er het leed dat we wél voelen, of zeggen te voelen.
Op 2 september 2015 spoelt bij Bodrum een Syrisch jongetje van drie aan, met zijn gezicht in het zand. Angela Merkel had twee dagen eerder al ‘Wir schaffen das’ gezegd; de foto gaf haar politiek een gezicht, en een paar dagen later rolden de treinen uit Boedapest Duitsland binnen. Europa huilde. De donaties aan vluchtelingenhulp schoten omhoog, om binnen enkele weken terug te zakken naar het niveau van daarvoor. Het verdriet bleek houdbaar tot ongeveer de volgende foto.
In mei 2020 houdt de politie van Minneapolis een man aan die met een vals briefje van twintig dollar zou hebben betaald. Een agent drukt ruim negen minuten zijn knie in de nek van de man. ‘I can’t breathe’ gaat de wereld over, de man sterft, de agent wordt later voor moord veroordeeld. Tot daar is het een strafzaak. Wat erna komt, is interessanter. Op duizenden kilometers afstand haalt de universiteit van Edinburgh de naam van David Hume van een gebouw, vanwege een voetnoot uit 1753. Wie had daar iets aan? De man in Minneapolis niet. De universiteit wel.
In januari 2015 schieten twee broers in Parijs de redactie van een satirisch weekblad aan flarden. Twaalf doden. Miljoenen mensen zetten ‘Je suis Charlie’ onder hun profielfoto. Vrijwel niemand van hen tekende daarna een profeet. Zolang het maar niets kost.
In de biologie is bekend waarom zo’n signaal weinig zegt. De pauw is geloofwaardig omdat zijn staart hem bijna het leven kost: een roofdier ziet hem van verre aankomen, en toch leeft hij nog. Dat bewijst iets. Een hashtag kost niets en bewijst dus ook niets, behalve dat je weet welke hashtag die week de goede is. Die verontwaardiging is niet aan het slachtoffer gericht. Ze is gericht aan de eigen groep: kijk, ik sta aan de goede kant. Het slachtoffer is het decor, en solidariteit kun je het niet bepaald noemen.
Te cynisch? Ik ben een mens. Geweld is een standaardmodus, en verontwaardiging over geweld is dat evengoed. In beide gevallen wegen we eigen schade en eigen voordeel tegen elkaar af, en in beide gevallen noemen we de uitkomst achteraf moraal.
Seks voor publiek
Ook seks kent die twee richtingen.
Er is seks die naar buiten wijst. Wie sociaal is losgezongen en de ander als zijn bezit beschouwt, gebruikt geweld om haar te krijgen; daarover valt weinig te zeggen dat niet al gezegd is. Interessanter is de alledaagse variant, die zonder geweld werkt maar dezelfde logica volgt. In een wereld waarin aandacht goud is, geldt seks als de ultieme vorm van persoonlijke aandacht. Alleen telt die aandacht pas wanneer anderen haar zien. Kom op met die beelden. De partner wordt een trofee, het bed een podium, de foto het bewijs. Het is een individualistische exercitie die zich voordoet als intimiteit: twee mensen, één publiek.
Het gedeelde brein
Terug naar het groepsdier. Mensen die lang en intensief samenleven, verdelen ongemerkt het werk. De één zet de kliko buiten en onthoudt alle verjaardagen, de ander doet de afwas en plant de vakantie. Na een paar jaar weet je de verjaardag van je schoonzus niet meer, omdat je hem niet meer hoeft te weten. Luiheid is het niet, uitbesteding wel. Het geheugen van een stel ligt verdeeld over twee hoofden, en wie zijn partner verliest, verliest ook een stuk van zijn eigen geheugen.
Het gaat verder dan geheugen. In een bekend experiment lagen vrouwen in een hersenscanner en kregen te horen dat ze elk moment een lichte elektrische schok konden krijgen. Hielden ze tijdens het wachten de hand van een onbekende vast, dan reageerden de alarmgebieden in hun brein minder heftig. Hielden ze de hand van hun eigen man vast, dan nog minder. En hoe beter het huwelijk, hoe stiller het alarm. Het brein rekent een vertrouwde ander tot zijn eigen voorraad: dreiging weegt minder als je haar met z’n tweeën draagt. Het brein wordt gedeeld, en dat is geen beeldspraak.
Gemeenschap
Daar zit mijn fascinatie voor seks: niet als doel, maar als middel. Het Nederlands heeft dat allang begrepen en er één woord voor gekozen. Geslachtsgemeenschap en gemeenschap. Seks die naar binnen wijst, is het vlooien van de mensaap: exclusieve aandacht die zegt dat jij erbij hoort en de rest niet. Geen plastic verbintenis voor de bühne. De ander werkelijk kennen, en waar begrijpen te veel gevraagd is, hem accepteren in al zijn eigenschappen en behoeften.
En juist daar delen we het minst. Na veertig jaar samen zijn er verlangens die de partner niet kent en misstappen die hij nooit te horen krijgt. Een enkele keer worden ze wel verteld, aan een wildvreemde, in een trein of aan een bar. Dat is minder raadselachtig dan het lijkt. De vreemde heeft geen toekomst met je. Hij houdt geen boek bij. Hij stapt uit in Haarlem en neemt je geheim mee, zonder dat het je morgen iets kost. De partner stapt nergens uit. Elke bekentenis wordt een post in een boekhouding die nooit sluit.
Daarom geven we ons zelden helemaal bloot. Volledig gekend worden betekent gezien worden zoals je bent: een organisme dat vooral met zichzelf bezig is, een paar decennia meedraait en dan verdwijnt. Die echtheid is waar de gemeenschap op uitkomt, en het is precies de echtheid waarvoor we vluchten, omdat ze de onbelangrijkheid en de vluchtigheid van het bestaan blootlegt.
En toch blijft het trekken. In de mens leeft het idee dat volledige gemeenschap bestaat, een toestand van totale overgave, en dat zo’n toestand het bestaan inhoud geeft. Dat idee komt ergens vandaan. De evolutie bouwt zelden iets nieuws als er iets ouds voorhanden is, en voor de partner is geen nieuw systeem ontworpen. Het is het systeem waarmee een baby zich aan zijn moeder hecht, hergebruikt. In de hersenscanner is het te zien: bij moederliefde en bij verliefdheid gaan grotendeels dezelfde gebieden aan, en in beide gevallen gaan de gebieden uit waarmee we anderen beoordelen. Liefde zet de boekhouder op non-actief.
Alleen heeft het origineel nooit bestaan. De baby gaf zich niet over. Hij had geen zelf om over te geven, geen reputatie, niets om te verbergen; blootheid zonder inzet vraagt geen moed, ze is de beginstand. En de moeder hield wel degelijk boek. Haar zorg was voorwaardelijk, afgewogen tegen haar eigen krachten en tegen het volgende kind. Herinneren kan niemand het zich ook, want de vroegste jaren zijn uit ons geheugen gewist. We verlangen dus naar een toestand die we nooit hebben meegemaakt, in een vorm die we achteraf zelf hebben bedacht. Het verlangen is echt. Het origineel is een fictie.
Daar zit de klem. We verlangen naar de blootheid van de baby en vluchten voor die van de volwassene, want de baby had niets te verliezen en de volwassene alles. De moeder kon iets wat geen partner kan: je volledig zien en je volledig verbergen voor de wereld. De partner is zelf ook wereld. Hij is getuige, hij heeft een geheugen, en morgen zit hij weer aan het ontbijt.
Dus vertellen we het aan de man tegenover ons in de trein. Thuis staat de kliko aan de straat, buitengezet door iemand die alles van ons weet, behalve dat.
Literatuur
- Bartels, A. & Zeki, S. (2004). The neural correlates of maternal and romantic love. NeuroImage, 21(3), 1155-1166.
- Becker, E. (1973). The Denial of Death. New York: Free Press.
- Cikara, M., Bruneau, E. G. & Saxe, R. R. (2011). Us and them: Intergroup failures of empathy. Current Directions in Psychological Science, 20(3), 149-153.
- Coan, J. A., Schaefer, H. S. & Davidson, R. J. (2006). Lending a hand: Social regulation of the neural response to threat. Psychological Science, 17(12), 1032-1039.
- Coan, J. A. & Sbarra, D. A. (2015). Social Baseline Theory: The social regulation of risk and effort. Current Opinion in Psychology, 1, 87-91.
- Hazan, C. & Shaver, P. (1987). Romantic love conceptualized as an attachment process. Journal of Personality and Social Psychology, 52(3), 511-524.
- Hrdy, S. B. (1999). Mother Nature: A History of Mothers, Infants, and Natural Selection. New York: Pantheon.
- Marcus, G. (2008). Kluge: The Haphazard Construction of the Human Mind. Boston: Houghton Mifflin.
- Rubin, Z. (1975). Disclosing oneself to a stranger: Reciprocity and its limits. Journal of Experimental Social Psychology, 11(3), 233-260.
- Simmel, G. (1908). Exkurs über den Fremden. In Soziologie. Leipzig: Duncker & Humblot.
- Slovic, P., Västfjäll, D., Erlandsson, A. & Gregory, R. (2017). Iconic photographs and the ebb and flow of empathic response to humanitarian disasters. PNAS, 114(4), 640-644.
- Tinbergen, N. (1963). On aims and methods of ethology. Zeitschrift für Tierpsychologie, 20, 410-433.
- Trivers, R. L. (1974). Parent-offspring conflict. American Zoologist, 14(1), 249-264.
- Wegner, D. M. (1987). Transactive memory: A contemporary analysis of the group mind. In B. Mullen & G. R. Goethals (red.), Theories of Group Behavior. New York: Springer.
- Zahavi, A. & Zahavi, A. (1997). The Handicap Principle. Oxford: Oxford University Press.
