Beste lezer,
Vandaag een essay over die ene zin die iedereen vroeg of laat gebruikt: “zo ben ik eigenlijk niet”.
In het kort. Mensen geloven dat er onder hun gedrag een echte kern zit, en dat die kern beter is dan wat ze doen. Onderzoek laat zien dat we zo’n kern niet waarnemen maar toekennen: we noemen kern wat we goedkeuren, en omstandigheden wat we afkeuren. Wat iemand over zichzelf vertelt, helpt ook niet, want mensen verzinnen vlekkeloos redenen voor keuzes die ze aantoonbaar niet hebben gemaakt. En karakter blijkt veel minder stabiel dan we denken; gedrag hangt sterker af van de situatie dan van het type mens. Er is één eerlijk tegenargument: wie in zo’n kern gelooft, voelt zich zinvoller en is tevredener over zijn keuzes. De illusie werkt dus, tot iemand hem achteraf gebruikt om onder iets uit te komen.
De conclusie is onaangenaam: “zo ben ik niet” is geen zelfkennis, maar een verzoek om krediet bij een bank die nooit gecontroleerd wordt.
Zeg vandaag eens niet wie u werkelijk bent, en kijk wat er overblijft.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Diep vanbinnen ben ik zo niet
Vraag iemand wie hij werkelijk is en hij begint over een kern. Diep vanbinnen goed, eerlijk, moediger dan de omstandigheden toestonden. Het bewijs voor die kern bestaat uit één getuige, en die getuige heeft belang bij de uitspraak. Psychologen legden proefpersonen ooit een gelovige voor die zich publiek tegen homoseksualiteit keert en privé naar mannen verlangt (Newman e.a., 2014). De progressieve lezer weet zeker dat de man in werkelijkheid homoseksueel is en zichzelf onderdrukt. De conservatieve lezer weet even zeker dat hij hetero is en zich laat verleiden. Zelfde man, zelfde feiten, tegengestelde essenties. Wie de kern zoekt, vindt zijn eigen stembriefje.
Dat patroon houdt stand zodra je eraan trekt. In serie na serie experimenten schrijven mensen aan de kern van een ander precies toe wat ze zelf goedkeuren. Wat ze afkeuren wordt oppervlakte: een slechte periode, verkeerde vrienden, de druk van het moment. Het oordeel komt eerst, de diagnose volgt. En de uitkomst is opvallend eenzijdig. Zelfs uitgesproken misantropen, mensen die desgevraagd verklaren dat de mensheid overwegend rot is, blijven geloven dat er onder dat rot een goede kern schuilt; hetzelfde vinden onderzoekers terug in Rusland, Singapore en Colombia (De Freitas e.a., 2018). Een overtuiging die overleeft bij mensen die er niets aan hebben, is geen waarneming van de wereld. Het is een instelling van de waarnemer.
Toch is die kern niet helemaal lucht, en juist daar wordt het interessant. Als je families vraagt wanneer hun zieke vader “niet meer dezelfde persoon” is, blijkt het antwoord niet met het geheugen te maken te hebben. Patiënten met frontotemporale dementie, bij wie het morele repertoire wegvalt, worden door hun naasten beschreven als iemand anders. Patiënten met alzheimer, die hun hele biografie kwijtraken, blijven veel vaker gewoon zichzelf (Strohminger & Nichols, 2015). Identiteit, zoals die van buitenaf aan mensen wordt toegeschreven, hangt van morele trekken en van verder bijna niets af. Dat verklaart waarom de kern zo werkelijk voelt. Het verklaart niet dat hij bestaat. Het brein heeft een orgaantje dat mensen indeelt op moraal, en dat orgaantje rapporteert enthousiast over een binnenkant die het nooit heeft gezien.
Blijft over: de getuige zelf. Introspectie is de zwakste bron in de hele psychologie, en dat weten we al sinds proefpersonen keurig uitlegden waarom ze de rechter panty hadden gekozen terwijl alle panty’s identiek waren (Nisbett & Wilson, 1977). Het wordt nog ongemakkelijker in het choice blindness-onderzoek, waarin mensen een foto kiezen, er via een goocheltruc de andere foto voor terugkrijgen, en vervolgens met verve uitleggen waarom die vrouw zo aantrekkelijk was (Johansson e.a., 2005). Driekwart merkt de wissel niet op. De verklaring rolt er onmiddellijk uit, vloeiend, met details. Wat mensen hun ware zelf noemen, is het product van dezelfde afdeling: een persvoorlichter die nooit bij de vergadering aanwezig was en toch elke beslissing kan toelichten.
En het karakter zelf dan, die stabiele binnenkant waar we elkaar op afrekenen? Daar loopt de psychologie al een eeuw tegenaan. Toen onderzoekers duizenden kinderen in tientallen situaties de gelegenheid gaven te spieken, te liegen en te stelen, vonden ze geen eerlijke en oneerlijke types (Hartshorne & May, 1928). Ze vonden situaties. Een kind dat niet spiekt bij het rekenen, jat rustig geld uit een envelop. Veertig jaar later maakte Mischel (1968) daar een crisis van die nooit is opgelost, alleen weggemiddeld: gedrag hangt samen met situaties, zeker, maar zwak. Karakter bestaat als statistiek over honderd gelegenheden. Als voorspelling voor de volgende dinsdag is het bijna waardeloos, en dinsdag is precies wanneer het ertoe doet.
Dan de vraag waar het essay naartoe wil. Als er niets te vinden is, waarom houdt iedereen de fictie in de lucht? Omdat hij gratis is. “Dit ben ik niet” is de goedkoopste zin in de Nederlandse taal. Hij kost de spreker niets, want er is geen instantie die de kern kan natrekken, geen weegschaal, geen meetlat. Wie zich beroept op zijn ware zelf, doet een claim zonder onderpand; hij vraagt om krediet en biedt zijn eigen goede bedoelingen als zekerheid aan. De formule werkt alleen omdat het publiek hetzelfde essentialisme hanteert en dus meent iets te controleren. De politicus die “eindelijk zichzelf durft te zijn”, de manager die zijn hele zelf mee naar het werk brengt, de vriend die na de derde streek uitlegt dat hij zo eigenlijk niet in elkaar zit: ze doen alle drie een beroep op een fonds waar nooit iemand de boeken van heeft ingezien.
Er is een eerlijk tegenargument, en het is sterker dan me lief is. Wie gelooft in een ware zelf rapporteert meer zingeving en is achteraf tevredener over zijn beslissingen (Schlegel e.a., 2009; Schlegel e.a., 2011). De illusie doet dus werk. En er is een welwillende lezing: wie zegt “dit ben ik niet” bedoelt vaak zijn langetermijnvoorkeur, tegenover de impuls van het moment. De roker die wil stoppen, meent iets echts. Dat onderscheid is bruikbaar. Alleen valt het onmiddellijk uiteen zodra het achteraf wordt ingezet. Als kompas vooruit is de ware zelf een keuze; als alibi achteraf is hij een vervalsing. Het verschil tussen die twee is niet psychologisch. Het is de vraag of er nog iets op het spel staat.
In ronde drie valt het commentaar stil. Geen verhaal meer over wie je eigenlijk bent, geen voornemen, geen kern die het zou hebben gedaan als de omstandigheden anders waren. Er staat een organisme met een hartslag van honderdtachtig dat doet wat het geoefend heeft of niet geoefend heeft. Daar hoeft niets onder te liggen. Er lag nooit iets onder.
Literatuur
De Freitas, J., Cikara, M., Grossmann, I., & Schlegel, R. (2018). Moral goodness is the essence of personal identity. Trends in Cognitive Sciences, 22(9), 739-749. (Zie ook: De Freitas e.a. (2018), Cognitive Science, over de goede ware zelf bij misantropen en in vier culturen.)
Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. New York: Ecco. (Over de linkerhemisfeer als “interpreter” die achteraf verklaringen fabriceert.)
Hartshorne, H., & May, M. A. (1928). Studies in the Nature of Character, Vol. I: Studies in Deceit. New York: Macmillan.
Johansson, P., Hall, L., Sikström, S., & Olsson, A. (2005). Failure to detect mismatches between intention and outcome in a simple decision task. Science, 310(5745), 116-119.
Mischel, W. (1968). Personality and Assessment. New York: Wiley.
Newman, G. E., Bloom, P., & Knobe, J. (2014). Value judgments and the true self. Personality and Social Psychology Bulletin, 40(2), 203-216.
Nisbett, R. E., & Wilson, T. D. (1977). Telling more than we can know: Verbal reports on mental processes. Psychological Review, 84(3), 231-259.
Schlegel, R. J., Hicks, J. A., Arndt, J., & King, L. A. (2009). Thine own self: True self-concept accessibility and meaning in life. Journal of Personality and Social Psychology, 96(2), 473-490.
Schlegel, R. J., Hicks, J. A., King, L. A., & Arndt, J. (2011). Feeling like you know who you are: Perceived true self-knowledge and meaning in life. Personality and Social Psychology Bulletin, 37(6), 745-756.
Strohminger, N., & Nichols, S. (2014). The essential moral self. Cognition, 131(1), 159-171.
Strohminger, N., & Nichols, S. (2015). Neurodegeneration and identity. Psychological Science, 26(9), 1469-1479.
Doris, J. M. (2015). Talking to Our Selves: Reflection, Ignorance, and Agency. Oxford: Oxford University Press.
