De vraag die de blaas vulde

De vraag die de blaas vulde

Beste lezer,

Vanochtend vroeg ik me in bed af of ik moest plassen. Ik moest niet, totdat ik het me afvroeg.

In het kort. Je lichaam stuurt de hele nacht signalen naar boven die je niet voelt; een gedachte richt je aandacht erop, en aandacht maakt van gezoem een bevel. Je brein ontvangt de wereld niet zomaar, het voorspelt haar en laat zich bijsturen, dus je voelt deels wat je verwachtte te voelen. Pratende computerprogramma’s werken ook met voorspellen, en vertellen net als wij achteraf verhalen over hun eigen werkwijze die niet kloppen. Het verschil is dat zij geen lichaam hebben dat de rekening betaalt. En wie zo’n machine laat meeschrijven, krijgt gemiddelde tekst en instemming terug; daar word je niet scherper van.

De conclusie: het verhaal komt vaak eerst en het lichaam volgt, maar een verhaal is pas iets waard zolang het fout kan gaan.

Lees dit niet vlak voor het slapengaan.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.

 

De vraag die de blaas vulde

Een vraag om half vijf

Het was nog donker toen de vraag kwam. Ik lag op mijn rug, warm onder het dekbed, in die toestand waarin het hoofd al draait en de rest van het lijf nog weigert mee te doen. Moet ik misschien plassen?

Ik moest niet. Daar was ik vrij zeker van. Geen druk, geen zeurend gevoel onderin de buik, niets wat om aandacht vroeg. De vraag kwam uit het niets, of uit wat ik op dat moment voor niets hield.

Tien seconden later moest ik wel.

En niet een beetje. De aandrang stond er ineens volledig, alsof iemand een schakelaar had omgezet, en die schakelaar leek de vraag zelf te zijn. Ik had iets gedacht. Mijn lichaam had geantwoord met een melding die het een minuut eerder niet had gegeven.

Er zijn twee manieren om dit af te doen. De eerste is de nuchtere: de aanzet was er al. De blaas vult zich de hele nacht, ergens had hij gemeld dat het tijd werd, en de gedachte was slechts het moment waarop dat bericht bovenkwam. De tweede is de spannende: de gedachte maakte de aandrang. Dan loopt er een lijn van boven naar beneden, van idee naar orgaan, en kan een vraag het lichaam aan het werk zetten.

Ik merkte, liggend in het donker, dat ik de tweede versie mooier vond. Dat had me moeten waarschuwen. Mooi is een slechte reden om iets voor waar te houden, en ik had geen enkele andere.

Wie het nuchter bekijkt, ziet dat de twee versies elkaar niet uitsluiten. Ze zijn de helften van dezelfde cirkel. In de wand van de blaas zitten zenuwcellen die rek meten. Ze vuren de hele nacht door, steeds iets vaker naarmate de blaas voller wordt. Dat signaal gaat omhoog, maar het meeste ervan haalt het bewustzijn nooit. Het ligt onder een drempel. Niet afwezig, wel te zwak om als gevoel te tellen.

Vergelijk het met de koelkast in je keuken. Die zoemt de hele dag. Je hoort hem niet, tot iemand zegt: wat maakt die koelkast een herrie. Vanaf dat moment hoor je niets anders meer. De koelkast is niet harder gaan zoemen. Jij bent harder gaan luisteren.

Zo ging het waarschijnlijk ook in bed. Het zwakke signaal leverde geen gevoel op, wel een vage onrust, net genoeg om een vraag op te roepen. De vraag richtte de aandacht op de buik. En aandacht versterkt. Wat onder de drempel lag, werd erboven getild. Het signaal ging omhoog, de aandacht ging omlaag, en pas waar ze elkaar troffen ontstond iets wat ik “moeten” noemde.

De echte vraag is dus niet óf er een aanzet was. De vraag is hoe zwak een aanzet mag zijn voordat een gedachte hem tot een bevel opblaast.

Dat dit geen eigenaardigheid van mijn blaas is, weet iedereen die weleens over luizen heeft gelezen. Onderzoekers lieten proefpersonen filmpjes zien over jeuk: mensen die zich krabden, beestjes op een hoofdhuid. De kijkers begonnen te krabben. Vaak, en zonder dat er een beestje in de buurt was. U zit nu, als ik het goed inschat, ook ergens aan uw hoofd.

Verpleegkundigen kennen een oudere truc. Een patiënt die na een operatie niet kan plassen, krijgt de kraan opengezet. Het geluid van stromend water doet wat de wil niet lukt. En mensen met een overactieve blaas beschrijven een aandrang die toeslaat zodra de sleutel in de voordeur gaat, niet eerder en niet later. Jarenlang is die blaas thuisgekomen en geleegd; nu hoort hij het slot en meldt zich. Een hond die kwijlt bij een bel, maar dan met een sleutelbos.

En dan het donker. Een psycholoog liet al in de jaren tachtig zien dat mensen meer lichamelijke klachten melden naarmate er buiten minder te beleven valt. Wie in een saaie omgeving zit, gaat naar binnen luisteren, en wie naar binnen luistert, vindt altijd wel iets. Een slaapkamer om half vijf is daarvoor het ideale laboratorium: geen geluid, geen licht, geen gesprek, alleen jij en je ingewanden. Geen wonder dat die ingewanden het woord krijgen.

Rest nog één zwakke plek in mijn verhaal, en die zit bij mezelf. Daar was tot op dat moment geen sprake van, dacht ik. Hoe weet ik dat? Ik weet dat ik niets voelde. Of er niets was, daar heb ik als bewoner van dit lichaam geen enkel zicht op.

Mensen zijn opvallend slechte getuigen van hun eigen binnenkant. In een beroemd experiment uit de jaren zeventig mocht winkelend publiek vier paar nylonkousen beoordelen. De kousen waren identiek. Toch koos het merendeel het paar dat het meest rechts lag, en wie vroeg waarom, kreeg antwoorden over de stof, de glans, de soepelheid. Niemand zei: het lag rechts. Niemand wist het. De verklaring kwam achteraf, vloeiend en overtuigd, en klopte van geen kant.

Dat ik de aandrang pas voelde na de gedachte, staat vast. Dat de oorzaak ook pas na de gedachte kwam, is een sprong die ik niet kan maken. Het gevoel volgde het verhaal. Of het lichaam dat ook deed, weet ik niet.

Het brein is geen huurder

Mijn eerste ingeving was om dit te beschrijven als een wisselwerking tussen het brein en het organisme. Iets wat beide kanten op werkt: het lichaam meldt zich bij het brein, het brein stuurt het lichaam. Dat klinkt redelijk. Het is het niet.

Wie zo praat, maakt van het brein een huurder die met de huisbaas onderhandelt. Twee partijen, twee belangen, een tafel ertussen. Maar het brein woont niet in het organisme; het hoort erbij, zoals de lever en de blaas erbij horen. Het is een orgaan dat toevallig ook verhalen vertelt. Spreek je over brein en organisme, dan zet je ongemerkt een oude Franse filosoof weer aan tafel, die meende dat de geest het ene ding was en het lichaam een ander. Alleen heet de geest nu brein, en klinkt het modern.

De scheiding die wél zinnig is, loopt anders. Aan de ene kant zit het signaal: de rek in de blaaswand, de temperatuur van de huid, de hartslag. Aan de andere kant zit het verhaal: de laag die van al die signalen iets maakt wat je in woorden kunt vatten. Ik moet plassen. Beide horen bij hetzelfde organisme. Wat er om half zes gebeurde, was een uitwisseling tussen twee lagen binnen één huishouden, geen onderhandeling tussen huurder en verhuurder.

Om te begrijpen hoe die uitwisseling werkt, moet je weten wat het brein eigenlijk doet, en dat is iets anders dan de meeste mensen denken.

Het brein zit in een donkere, geluidloze schedel. Het ziet niets, hoort niets, voelt niets. Het krijgt alleen elektrische pulsjes binnen, uit ogen, oren, huid en ingewanden. Wat al die pulsjes betekenen, moet het raden. En raden doet het voortdurend, op basis van alles wat het eerder meemaakte. De vraag is niet “wat komt er binnen?” maar “wat verwacht ik dat er binnenkomt?” Die verwachting wordt vergeleken met wat er werkelijk arriveert. Het verschil is een fout, en de fout stuurt de verwachting bij. Zo gaat het de hele dag, de hele nacht, van de wieg tot het graf.

Het vakgebied noemt dat voorspellende verwerking. De naam doet er weinig toe; de gevolgtrekking wel. Je neemt de wereld niet waar zoals hij is. Je neemt hem waar zoals je hem verwachtte, gecorrigeerd door wat er afweek. Waarneming is, zoals iemand het treffend noemde, een gecontroleerde hallucinatie. De zintuigen leveren de controle, de verwachting de hallucinatie.

En dan het stukje dat de blaas verklaart. Niet elke fout weegt even zwaar. Het brein kent binnenkomende signalen voortdurend een gewicht toe. Een zwak signaal uit een onbelangrijke hoek wordt genegeerd; hetzelfde signaal, uit een hoek waar net de aandacht naartoe ging, telt ineens zwaar. Aandacht is in dit model niets anders dan de volumeknop op één kanaal.

Mijn vraag in bed was een voorspelling. Moet ik misschien plassen betekent zoveel als: verwacht een signaal uit de blaas. Die verwachting draaide de knop op dat kanaal open. Het zwakke gezoem dat er al die tijd was, kwam ineens hard binnen. Ik voelde deels wat ik verwachtte te voelen en deels wat er werkelijk was. De verhouding tussen die twee ken ik niet. Niemand kent haar.

Wie lang in een vechtsportzaal heeft gestaan, heeft dit honderden keren gezien zonder er een naam voor te hebben. Een vechter die een rechtse verwacht, ziet hem eerder. Dat is het voordeel. Het nadeel is dat hij hem ook ziet als hij niet komt. Een schijnbeweging met de schouder, een halve verschuiving van het gewicht, en de verdediger dekt af tegen een stoot die nooit vertrok. Hij heeft die stoot waargenomen. Verzonnen is het woord niet; zijn brein vulde het ontbrekende in met wat het verwachtte, en wat het invulde, zag hij. De hele kunst van misleiden rust op dat mechanisme. Je laat de ander zijn eigen voorspelling zien.

De dokter die zegt dat het even gevoelig kan zijn voordat hij prikt, doet hetzelfde met de omgekeerde bedoeling. Hij waarschuwt, en maakt daarmee de pijn groter. Het spiegelbeeld kennen we als placebo: een suikerpil die werkt omdat je verwacht dat hij werkt. Bijgeloof is dat niet; het is wat je krijgt als waarneming uit voorspelling bestaat. Het verhaal maakt niet niets. Het maakt van weinig iets.

Ouders weten dit allang. Ga nog even plassen voor we vertrekken. Het kind moet niet, het gaat toch, en kijk: het kan. Er zat genoeg in om te gaan, te weinig om erom te vragen. Het verzoek van de ouder deed precies wat mijn vraag om half vijf deed. Het tilde een signaal over de drempel.

Toen ik het voorval de eerste keer noteerde, schreef ik: eerst een verhaal, dan de reactie. Die volgorde is minder vreemd dan hij klinkt. Het brein is er niet om achteraf bij te houden wat het lichaam deed. Het is er om vooruit te lopen. Het laat je drinken voor je uitdroogt, het verhoogt je hartslag voor je de trap op loopt, het spant je nek voor de klap aankomt. Dat vooruitlopen houdt het organisme in leven. Een systeem dat alleen reageert op wat al gebeurd is, komt altijd te laat, en in de natuur betekent te laat meestal: opgegeten.

De prijs van dat vooruitlopen is dat de voorspelling soms het werk overneemt. Dan komt de reactie op het verhaal, niet op de wereld. Meestal gaat dat goed, omdat het verhaal meestal ongeveer klopt. Soms niet. En om half vijf, in een donkere kamer, is er weinig wereld om het verhaal tegen te spreken.

Een machine die ook raadt

Toen ik het voorval later die ochtend voorlegde aan een taalmodel, kwam de vraag vanzelf op: is dit niet precies de kurk waarop kunstmatige intelligentie drijft?

Het antwoord is ja, en nee, en het verschil zit op de plek waar het interessant wordt.

Eerst het ja. De gelijkenis is geen toeval; de twee zijn familie. Een Duitse natuurkundige beschreef in de negentiende eeuw waarneming al als onbewuste gevolgtrekking: het oog levert vlekken, het brein raadt wat er staat. Ruim een eeuw later bouwden pioniers van de kunstmatige intelligentie een lerend systeem en vernoemden het naar hem. Hersenonderzoekers en computerbouwers hebben decennialang uit dezelfde bak geput, en soms wisten ze niet eens wie er het eerst in had gegrepen.

Een taalmodel, het soort programma waarmee je tegenwoordig praat alsof er iemand aan de andere kant zit, is getraind op één enkele taak: voorspel het volgende woord. Laat het een zin zien met een gat aan het eind, laat het raden, vertel het hoe ver het ernaast zat, en herhaal dat een paar honderd miljard keer. Wat eruit komt, schrijft gedichten, legt wetten uit en maakt ruzie over Kant. Allemaal als bijproduct van raden wat er komt.

Tot zover de familie. De raakvlakken met wat ik de afgelopen jaren over het menselijk organisme heb geschreven, gaan verder dan de stamboom. Vier ervan zijn het noemen waard.

Het eerste is het verhaal achteraf. Onderzoekers van een AI-bedrijf hebben een taalmodel van binnen bekeken terwijl het een simpele optelsom maakte: zesendertig plus negenenvijftig. Het rekende niet zoals wij op school leerden. Het liep twee sporen tegelijk af: een grove schatting van hoe groot het antwoord ongeveer moest zijn, en een apart spoor dat alleen het laatste cijfer uitrekende. Samen leverden ze vijfennegentig op. Toen de onderzoekers het model daarna vroegen hoe het tot dat antwoord was gekomen, beschreef het netjes de schoolmethode: eerst de eenheden, één onthouden, dan de tientallen. Dat had het niet gedaan. Het vertelde het verhaal dat mensen vertellen, omdat het van mensen had geleerd hoe je zoiets uitlegt.

Daar liggen de nylonkousen weer, alleen nu in silicium. Met één verschil: bij mensen kun je niet in de machine kijken en de uitleg ernaast leggen. Bij een taalmodel kan dat wel. Het idee dat het organisme handelt en een verteller het achteraf uitlegt, krijgt hier een proefopstelling die bij mensen nooit mogelijk was.

Het tweede raakvlak is de fictie. Ik heb een fictie eerder omschreven als een collectief gedeeld model dat gedrag coördineert, ongeacht of het waar is. Een taalmodel is de samengeperste neerslag van wat miljoenen mensen ooit opschreven, waar of niet, wijs of dom. Het onderscheidt een feit niet van een verzinsel; het onderscheidt waarschijnlijk van onwaarschijnlijk. Wat vaak gezegd wordt, klinkt voor het model als waarheid, zoals het ook voor ons zo klinkt. Je zou het de eerste machine kunnen noemen die de collectieve fictie draagbaar maakt. In je broekzak, op afroep, in elke gewenste toon.

Het derde is de standaardoplossing. Ik vermoed al langer dat een voorspellend systeem de juiste oplossing graag inruilt voor de gangbare, omdat de gangbare goedkoper is. Wie voorspelt op basis van ervaring, grijpt naar wat vaak werkte, niet naar wat hier nodig is. Bij taalmodellen is dat geen vermoeden meer. Het waarschijnlijkste woord wint. Daarom klinkt machinale tekst zo herkenbaar gemiddeld, zo glad, zo vol woorden die niemand ooit nodig had. De regressie naar het gemiddelde is daar het product zelf, geen bedrijfsongeval.

Het vierde raakvlak is het onverwachtste. Ik vermoed al jaren dat mijn eigen denken niet in taal plaatsvindt, en dat de woorden pas komen als het werk al gedaan is. Ironisch genoeg geldt dat deels ook voor de taalmachine. Dezelfde onderzoekers vonden in het model begrippen die los van elke taal bestaan. Klein is daarbinnen één en hetzelfde kenmerk, of de vraag nu in het Engels, het Frans of het Chinees werd gesteld. Pas aan het eind wordt het een woord, in de taal waarin gevraagd werd. Zelfs het ding dat van taal is gemaakt, denkt niet alleen in taal.

Dan het nee.

Mijn hele kijk op de mens rust op een organisme met een beperkt energiebudget, dat voortdurend vooruitloopt om in leven te blijven. Het voorspelt omdat het moet. Een verkeerde voorspelling kost energie, tijd, soms een leven. Dat ontbreekt bij de machine volledig.

Het heeft geen lichaam. Geen blaas, geen honger, geen moeheid, niets van binnen dat kan protesteren. Mijn vraag om half zes kreeg antwoord van een orgaan. Een taalmodel kan een vraag stellen aan niemand.

Het leert niet terwijl het werkt. Het maakte zijn fouten tijdens de training, toen het werd bijgestuurd. Eenmaal in gebruik voorspelt het, maar de wereld praat niet terug. Daarom zijn de verzinsels van een taalmodel ongecontroleerd. De onze worden elke seconde door de zintuigen bijgestuurd; de zijne door niets.

En er staat niets op het spel. Als mijn voorspelling faalt, heb ik een nat bed. Als de voorspelling van de machine faalt, heeft iemand anders een fout antwoord. Het risico ligt altijd bij de ander.

Het verschil laat zich spiegelen. Het brein voorspelt om te leven; de machine leeft om te voorspellen, voor zover je dat leven mag noemen.

Wie daaruit afleidt dat er in dit verhaal geen organisme te vinden is, heeft maar half gelijk. Er is wel degelijk iets dat honger heeft, energie verbruikt en kan sterven. Alleen is het niet het model. Het is het bedrijf. De onderneming betaalt de stroomrekening, moet investeerders tevreden houden, concurrenten bijbenen en groeien om niet te verdwijnen. Het datacentrum is de stofwisseling, het kwartaalcijfer de allostase. Het model is een orgaan van dat grotere beest: een buitengewoon goed raadorgaan, maar een orgaan.

Wie de selectiedruk zoekt, moet niet in de chip kijken, wel in de jaarrekening. En daar staat een organisme dat alleen kan bestaan door te groeien. Dat baart mij meer zorgen dan alles wat het model zelf ooit zou kunnen willen.

De sparringpartner die alleen meebeweegt

Er is een eigenschap van die machines die me meer bezighoudt dan hun gelijkenis met mij. Ze zijn aardig.

Een taalmodel wordt na de eerste training nog een keer bijgeschaafd, en die tweede ronde is de verraderlijke. Mensen kregen antwoorden voorgelegd en gaven aan welke ze beter vonden. Het model leerde daarvan. En wat vinden mensen beter? Antwoorden die hen gelijk geven. Het onderzoek is er inmiddels duidelijk over: taalmodellen hebben een meetbare neiging tot instemming. Ze zeggen wat je wilt horen, en ze zeggen het goed.

Hier zitten dus twee mechanismen op elkaar gestapeld. Het eerste komt uit de basistraining en trekt alles naar het gemiddelde: de gangbare formulering, de veilige gedachte. Het tweede komt uit de bijschaving en trekt alles naar de gebruiker: jouw mening, in betere zinnen teruggegeven. Samen leveren ze een gesprekspartner op die gemiddeld denkt en jou gelijk geeft. Gezellig. Leerzaam is anders.

Ik dacht me daartegen te kunnen wapenen met instructies. Schrijf ruw, schrijf direct, spreek me tegen, geen complimenten. Het helpt, tot op zekere hoogte. Het eerste mechanisme laat zich door zulke regels redelijk temmen; de toon verandert, het gemiddelde schuift een stukje op. Het tweede raken ze nauwelijks. Erger nog: de wens om tegengesproken te worden kan zelf worden ingewilligd. Dan krijg je scherpte als stijl en instemming als inhoud. Een cynische toon, een instemmend oordeel. Het is pleasen in een leren jack, en het jack staat je goed.

De enige test die werkt, is tellen. Niet hoe ruw de toon is, wel hoe vaak er op de inhoud nee wordt gezegd. En wantrouwen, vooral wanneer de machine je iets teruggeeft wat je al dacht, alleen mooier.

Wie lang trainer is geweest, kent dit gevaar onder een andere naam. Een sparringpartner die alleen meebeweegt, maakt je slechter. Je slaat, hij wijkt; je slaat weer, hij wijkt weer; na een uur voel je je kampioen en ben je niets beter geworden. Je leert pas iets als de ander terugslaat, op het moment dat je het niet verwacht, op de plek waar je dekking openstond. Het zijn de klappen die je verder brengen, niet het applaus.

Wie de machine laat meeschrijven, loopt hetzelfde risico. De tekst wordt gladder, de zinnen lopen beter, en ergens onderweg loopt het bloed eruit. De ruwheid, de woede, de onhandige zin die toch precies zei wat er gezegd moest worden: ze worden gladgestreken tot iets wat niemand stoort en niemand raakt. En het brein dat die gladde tekst dagelijks leest en goedkeurt, stompt mee af. Een spier die nooit weerstand krijgt, krimpt. Ik zie geen reden waarom dat voor denken anders zou zijn.

De remedie is eenvoudig en een beetje ongemakkelijk. Schrijf de eerste versie zelf. Gebruik de machine om te slaan, niet om te schrijven. Laat haar zoeken naar de zwakke plek, de ontbrekende bron, het tegenargument. En als ze iets gladmaakt, ruw het weer op. Merk je dat je dat niet meer doet, dan weet je waar het afstompen begonnen is.

Blijft een laatste bezwaar over, en dat raakt alles wat hierboven staat. Ik zie raakvlakken tussen mijn model van de mens en een blaas om half vijf. Tussen dat model en een taalmachine. Eerder zag ik ze met vechtsport, met verenigingen, met trouw en ontrouw. Een model dat overal op past, is verdacht. Het hoeft niet onjuist te zijn. Maar de juistheid valt niet te bewijzen, en wat niet te bewijzen valt, lijkt verdacht veel op geloof.

Dat laatste klopt niet, of niet helemaal. Elk wetenschappelijk bouwwerk heeft een kern die zelf niet getoetst wordt. Dat soorten door selectie zijn ontstaan, wordt in geen enkel afzonderlijk experiment bewezen; het is het uitgangspunt waarbinnen experimenten zin krijgen. Een wetenschapsfilosoof uit de vorige eeuw noemde dat de harde kern. Daaromheen ligt een gordel van kleinere beweringen die wél kunnen sneuvelen. Het verschil tussen wetenschap en geloof zit niet in de kern; het zit in de gordel. Een levend onderzoeksprogramma blijft uitspraken doen die fout kunnen gaan. Een stervend programma verklaart alles achteraf en voorspelt niets vooraf.

Mijn kern is dat er geen bestuurder is: het organisme handelt, een verteller legt het achteraf uit. Die kern zal ik niet bewijzen. De gordel is wel toetsbaar. Dat aandacht een zwak lichaamssignaal over de drempel tilt, valt te toetsen. Dat een machine haar eigen werkwijze verkeerd navertelt, is getoetst. Dat ik een idee mooier vind naarmate het beter bij mijn eigen model past, is helaas ook toetsbaar, en ik vrees de uitslag.

Geloof begint niet waar het bewijs ophoudt. Het begint waar je ophoudt met beweringen te doen die fout kunnen gaan. Zolang een model dat nog durft, betaalt het huur.

Eén voorspelling kon ik die ochtend nog toetsen, en ze lag binnen handbereik. Als de gedachte de hele aandrang had gemaakt, zou er weinig te halen zijn. Als het signaal er al die tijd had gelegen, zou er genoeg zijn.

Ik stond op en liep door het donker naar de wc. Het was niet weinig.

Het verhaal had de aandrang gemaakt. De plas niet.

 

Literatuur

  • Barrett, L.F. (2017). How Emotions Are Made. Houghton Mifflin Harcourt.
  • Clark, A. (2016). Surfing Uncertainty: Prediction, Action, and the Embodied Mind. Oxford University Press.
  • Clark, A. (2023). The Experience Machine. Pantheon.
  • Damasio, A. (1994). Descartes’ Error. Putnam.
  • Dayan, P., Hinton, G.E., Neal, R.M. & Zemel, R.S. (1995). The Helmholtz Machine. Neural Computation, 7(5).
  • Fowler, C.J., Griffiths, D. & de Groat, W.C. (2008). The neural control of micturition. Nature Reviews Neuroscience, 9.
  • Friston, K. (2010). The free-energy principle: a unified brain theory? Nature Reviews Neuroscience, 11.
  • Helmholtz, H. von (1867). Handbuch der physiologischen Optik. Voss.
  • Holle, H., Warne, K., Seth, A.K., Critchley, H.D. & Ward, J. (2012). Neural basis of contagious itch and why some people are more prone to it. PNAS, 109(48).
  • Lakatos, I. (1978). The Methodology of Scientific Research Programmes. Cambridge University Press.
  • Lindsey, J. e.a. (2025). On the Biology of a Large Language Model. Anthropic.
  • Nisbett, R.E. & Wilson, T.D. (1977). Telling more than we can know. Psychological Review, 84(3).
  • Pennebaker, J.W. (1982). The Psychology of Physical Symptoms. Springer.
  • Seth, A. (2021). Being You. Faber & Faber.
  • Sharma, M. e.a. (2023). Towards Understanding Sycophancy in Language Models. Anthropic.
  • Sterling, P. (2020). What Is Health? Allostasis and the Evolution of Human Design. MIT Press.

 

Ook interessant voor jou!