De klok die voor iedereen tikt

De klok die voor iedereen tikt

Beste lezer,

Elke sportschool heeft een man die tijdens het lichte sparren op zeventig procent gaat en daarna alleen overblijft.

In het kort. Een nieuw computerexperiment laat zien dat roven vanzelf uitsterft als de rover en zijn slachtoffer uit dezelfde energiepot leven: wie te veel afpakt, put de gezamenlijke voorraad uit en wordt overschreven door de buurman die niets deed. Er is geen moraal, geen reputatie en geen beslisser voor nodig. Dat steunt mijn kijk op samenwerking als boekhouding. Het ondergraaft ook mijn eigen woorden: ik schrijf steeds dat iemand “kiest”, terwijl er niemand kiest. En mijn energieverhaal verklaart zowel stelen als niet stelen, en voorspelt dus niets. Bij mensen is de pot bovendien meestal zo groot dat niemand de rekening ziet.

Samenwerking zonder besluit bestaat, maar alleen waar jouw uitputting mijn snelheid kost; overal elders mag je gewoon roven.

Lees het en zoek uit in welke van je eigen relaties de klok niet gedeeld wordt.

Peter Koopman

Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.

 

 

De klok die voor iedereen tikt

Er is in elke sportschool een man die tijdens het lichte sparren niet licht kan. Je kent hem. Afspraak is dertig procent, hij gaat op zeventig, en zegt daarna dat het toch allemaal bij de sport hoort. De eerste ronde pakt hij de punten. De tweede ronde krijg je nog iets terug, uit pure reflex. De derde ronde zijn jullie allebei buiten adem, is de kwaliteit van het werk weg en wil de rest van de zaal niets meer met hem te maken hebben. Over een maand traint hij alleen op de zak, en hij vertelt iedereen dat hij daar zelf voor koos.

Dit tafereel is te mooi om waar te zijn, en daarom moet je het wantrouwen. Het past precies in het verhaal dat ik zelf vertel: een organisme met een beperkte energievoorraad, dat kosten minimaliseert, dat zichzelf een verhaal geeft over wat het deed. Er komt deze maand een preprint voorbij die op het eerste gezicht hetzelfde zegt, alleen dan in machinecode. Ik ga eerst na wat er werkelijk in staat, en daarna wat het met mijn model doet. Dat laatste valt minder gunstig uit dan ik had gehoopt.

De opstelling

Een team rond Agüera y Arcas liet 16.384 programma’s los op elkaar. Elk programma is een rijtje van 32 volstrekt willekeurige bytes, geschreven in een aangepaste versie van de assembleertaal van de Z80, de processor uit de eerste thuiscomputers. Twee programma’s krijgen telkens een gedeeld stuk geheugen van 64 bytes, en een energievoorraad: elk 24 eenheden per ronde, met een plafond van 255. Elke instructie kost een eenheid. En nu het belangrijkste: wie de volgende instructie mag uitvoeren, wordt geloot, met een kans die gelijk is aan het aandeel in de gezamenlijke energie. Wie veel heeft, rekent snel. Wie weinig heeft, kruipt.

Daarbovenop hebben de onderzoekers één opdracht toegevoegd, STEAL. Een programma dat die uitvoert, trekt energie van zijn buurman naar zichzelf. Per gestolen eenheid komt er 0,8 binnen en de rest verdampt. Dat is een gevangenendilemma zonder omhaal: roven loont voor de rover, maar twee rovers zijn samen armer dan twee niksdoeners. Replicatie moet je er zelf bij verzinnen. Een programma dat zichzelf wil kopiëren moet een routine van ongeveer elf bytes schrijven die het eigen lichaam over dat van de buurman heen schrijft. Dat zit er niet in. Dat moet uit de ruis opstaan, met een mutatiekans van 1 op 128 per byte.

Het resultaat: het stelen verdwijnt. Niet in sommige varianten, maar in alle opstellingen die de auteurs beschrijven, ook in een goed doorgeroerde populatie zonder geheugen, zonder reputatie, zonder dat de ene bekende de andere beschermt. Ze noemen het een zelflimiterende defectie. Wie te veel steelt, put het gedeelde reservoir uit voordat hij de elf bytes kan schrijven die hem zouden laten voortbestaan. Zijn buurman, die niets stal, heeft energie opgepot en dus de snellere klok, en overschrijft hem midden in zijn eigen uitvoering. Het is een nogal rustig soort moord.

Er zit ook een controle in die ik graag zie. Ze zaaiden een soep met één procent werkende kopieerprogramma’s en één procent STEAL-instructies, schakelden de mutatie uit, en zagen dat de stelers in de minderheid bleven. Bij een grotere diefstalmaat (van 16 naar 32 eenheden) ging het de stelers significant slechter, met een effectgrootte van 4,17. Daar kun je iets mee doen; dat getal is niet bescheiden. Opvallend ook: de efficiëntie van het stelen deed er weinig toe. Maak stelen minder verlieslatend en de stelers winnen niet merkbaar. Het zit hem dus niet in een slecht gekozen tarief.

Waar het mijn model steunt

Ik heb altijd beweerd dat het organisme geen moraal nodig heeft om te doen wat wij samenwerking noemen. Het heeft een energierekening nodig. Hier gebeurt dat zonder dat er ook maar één programma iets begrijpt, belooft, bestraft of onthoudt. Geen wederkerigheid, geen verwantschap, geen reputatie, de vijf klassieke routes die het standaardoverzicht uit 2006 opsomt. Een zesde route, dan: een gedeelde klok. Als jouw uitputting mijn rekenkracht kost, ben je niet mijn vijand maar mijn omgeving, en het is goedkoper om je niet kapot te maken.

Dat past bij het deel van mijn werk dat nog steeds het beste standhoudt. Gedrag dat er van buiten uitziet als deugd is vaak boekhouding die de eigenaar nooit heeft ingekeken. De sparringpartner die zijn slagen inhoudt, heeft geen karakter; hij weet (in de zin dat zijn lichaam het weet) dat hij morgen weer een partner nodig heeft. Dat een programma van 32 willekeurige bytes hetzelfde kan, zonder iemand die het weet, is een prettige pijnlijke herinnering dat ik geen bestuurder nodig heb om het te verklaren.

Ook de scheiding tussen ruimtelijk en goed doorgeroerd is voor mij interessant. Zodra de energie ongelijk is verdeeld, storten de goed doorgeroerde populaties in tot eenvoudige, arme kopieerders, terwijl populaties op een raster blijven bouwen. Er ontstaan zakken van succes in rijke hoeken die programma’s trainen voor de armere hoeken. Een zaal waar iedereen elkaar kent, bouwt iets op wat een zaal waar iedereen elke week een andere partner krijgt niet haalt. Dat sluit aan bij wat ik veertig jaar geleden op papier zette over een vereniging van mensen die elkaar kennen, met bijdragers, deelnemers en meelifters die buiten blijven. Het model waarmee ik toen werkte kreeg zonder het te weten een veel strengere pendant in Z80-code.

Waar het mijn model kraakt

Nu het vervelende deel. Er zijn vier plekken waar ik moet toegeven dat mijn eigen taal de bocht niet haalt.

Eerste punt: het woord samenwerking. In het artikel werkt geen enkel programma samen. Een programma voert instructies uit, en de instructie STEAL komt in de nakomelingen minder vaak voor. Dat is alles. Wat de auteurs coöperatie noemen, is een label dat een waarnemer plakt op de afwezigheid van iets. Ik doe hetzelfde in mijn eigen stukken, en ik doe het slordig. Ik schrijf dat iemand “kiest” voor samenwerking, dat een organisme “besluit” zijn kosten te drukken. Ook het artikel doet dat met zijn rollen “coöperator” en “defector”, alsof er twee soorten wezens bestaan in plaats van twee reeksen bytes met een bepaalde kans om een bepaalde instructie te hebben. Het cartesiaanse moment waarop iemand “de keuze maakt” is er niet. Er is een programma dat wel of niet de instructie bevat, en een soep die het over een paar honderd generaties dunner maakt. Elke keer dat ik “keuze” schrijf, zet ik ergens een mannetje in de machine, en de Z80 toont precies hoe overbodig dat mannetje is.

Tweede punt, en het is het serieuste: mijn model is te flexibel. Als energieschaarste het gedrag bepaalt, dan voorspelt dat zowel egoïsme als samenwerking, afhankelijk van hoe je de rekening opstelt. Een organisme met een beperkte voorraad steelt, want dat is goedkoper dan zelf produceren. Een organisme met een beperkte voorraad steelt niet, want de klok is gedeeld en de rover verhongert. Beide uitkomsten heet ik achteraf een bevestiging. Een theorie die elke uitkomst netjes kan opnemen, voorspelt geen enkele. Het artikel is hier eerlijker dan ik: het zegt waar het om draait, namelijk de kinetische regel dat uitvoeringssnelheid evenredig is aan energieaandeel. Haal die regel weg en het effect is niet gegarandeerd. Een geautomatiseerde referee-lezing op Pith, wat dus geen menselijke beoordeling is maar wel een bruikbare, merkt op dat dit niet is getest met alternatieve tijdsregels, bijvoorbeeld een constante stap. Dat is geen detail. Het is de enige aanname die het hele resultaat draagt, en het is een aanname over de natuurkunde van het model, niet over de natuur. Ik heb de neiging uit zo’n resultaat af te leiden dat energie dus de wereld regeert. Wat er staat is smaller: als er een koppeling bestaat tussen de uitputting van de een en de snelheid van de ander, dan wordt roven duur.

Derde punt: de schaal. Bij mensen is diefstal juist daarom zo succesvol dat de klok niet gedeeld wordt. De man die in de zaal te hard slaat heeft nog een gedeelde klok, want de zaal is klein en iedereen merkt het. De schoorsteen die de lucht van een hele stad gebruikt, de visser op de laatste kabeljauw: die putten een reservoir uit dat zo groot is dat niemand het ziet en hun eigen snelheid er niet van afhangt. Dat is het hele probleem van gemeenschappelijke hulpbronnen, en het is precies het geval waarin het programma niet verhongert. Mijn kleinschaligheidsargument, dat van een vereniging van veertig jaar terug, lijkt hierdoor gesteund. Maar kijk wat er gebeurt: het steunt alleen als je aanneemt dat de gemeenschap zo klein is dat de klok daadwerkelijk gedeeld wordt. Dat is een vooraf ingebouwde conclusie. De simulatie bewijst niet dat kleine gemeenschappen werken; ze toont dat een gedeelde klok werkt. Of er bij mensen een gedeelde klok bestaat, en op welke schaal, is een empirische vraag waarop het artikel geen antwoord heeft en ik tot nu toe ook niet. Als ik zeg dat groei de vijand is van kleine schaal, dan neem ik het antwoord al aan.

Vierde punt: het fundament onder het fundament wankelt, en dat is voor mij ongemakkelijk omdat mijn vertrouwen in energieverhalen deels op dezelfde soort steun leunt. De verwante bevinding uit 2024, die het team rond dezelfde groep publiceerde, liet zien dat zelfkopiërende programma’s spontaan opduiken uit willekeurige interacties. Dit jaar kwam een vervolg uit dezelfde stal dat dat verhaal onderuithaalt. Het simpelweg willekeurig muteren van programma’s vond kopieerders ongeveer zes keer sneller dan de interacties tussen programma’s, en met een zorgvuldig gekozen verdeling ging het ongeveer vijfentwintig keer sneller. Het mechanisme waar de eerste publicatie om gevierd werd, is dus geen bijzonder krachtige zoekmethode. Dit raakt de nieuwe preprint niet rechtstreeks, want daar gaat het om wat er gebeurt nadat de kopieerders er zijn. Maar het leert iets over hoe makkelijk een mooi verhaal over emergentie uit de data wordt gehaald voordat iemand de simpelste alternatieve verklaring heeft doorgerekend. Een kanttekening die ik bij mezelf moet maken: ook de eigen groep schreef mee aan het verhaal dat ze later zelf corrigeerde. Dat is wetenschap die werkt, en tegelijk een waarschuwing dat de preprint van vorige maand nog geen meetlat is.

Ik voeg er één ding aan toe dat ik uit andere hoek ken. Het idee dat een beperkt energiebudget de loop van de evolutie bepaalt, staat of valt in de menselijke context al dertig jaar met de hypothese van het dure weefsel: grotere hersenen werden betaald met een kleinere darm. Het is een prachtig verhaal voor iemand zoals ik. Het is ook in 2011 flink beschadigd. Een vergelijking over honderd zoogdiersoorten vond geen negatief verband tussen hersengrootte en de massa van darm of een ander duur orgaan. Wel was er een negatief verband met vet. Hersenen kopen je geen darm af, ze kopen zekerheid bij gebrek aan voedsel. Dat verhaal is bruikbaar, maar het is een ander verhaal dan het mijne. Mijn eigen kernzin, dat het organisme sterft aan de beperking zich onvoldoende aan te kunnen passen, bevat een hoeveelheid energie die ik nooit heb gemeten.

Wat overblijft

Wat het artikel me laat zien is dit: samenwerking kan verschijnen zonder dat iemand iets beslist, mits de rekening van de ene partij wordt betaald uit dezelfde pot als die van de andere. Dat is een klein, hard en nuttig gegeven. Het is meer dan ik had, en minder dan ik wilde.

Wat het artikel me niet laat zien: dat mensen zo werken. Dat energie in plaats van iets anders de verklarende variabele is. Dat er een schaal bestaat waarop mijn vereniging van meeliftersvrije leden blijft draaien. En het laat me mijn eigen formuleringen zien, vol keuzes, besluiten en pogingen, als een soort accent dat ik zelf niet meer hoor. Elke zin waarin een organisme “probeert” iets te voorkomen, is een zin die je kunt schrappen zonder dat de beschrijving iets verliest. Ik laat de proef aan mezelf over, op een willekeurige bladzijde van mijn eigen manuscript, en verwacht niet dat ik er trots uitkom.

De man uit de sportzaal traint inmiddels alleen op de zak. Hij slaat er hard op, want dat mag hier. De zak slaat niet terug en heeft geen klok. Hij is tevreden, en niemand zal hem ooit vertellen waarom.

Er is geen bestuurder. Alleen gedrag.

 

Literatuur

Aiello, L.C. & Wheeler, P. (1995). The Expensive-Tissue Hypothesis: The Brain and the Digestive System in Human and Primate Evolution. Current Anthropology, 36(2), 199-221.

Jha, K., Cicala, F., Agüera y Arcas, B., Richards, B.A., Jaques, N., Kleiman-Weiner, M. & Niklasson, E. (2026). Tapes Together Strong: The Co-evolution of Computation and Cooperation. arXiv:2609.10817. https://arxiv.org/abs/2609.10817

Knierim, C., Versari, L., Obryk, R., Agüera y Arcas, B. & Saurous, R.A. (2026). BFF: Simple explanations for complex phenomena. arXiv:2607.01483. https://arxiv.org/abs/2607.01483

Navarrete, A., van Schaik, C.P. & Isler, K. (2011). Energetics and the evolution of human brain size. Nature, 480, 91-93. doi:10.1038/nature10629

Niklasson, E., Agüera y Arcas, B., Mordvintsev, A., Laurie, B., Randazzo, E., Versari, L., Alakuijala, J. & Evans, J. (2024). Computational Life: How Well-formed, Self-replicating Programs Emerge from Simple Interaction. arXiv:2406.19108. https://arxiv.org/abs/2406.19108

Nowak, M.A. (2006). Five Rules for the Evolution of Cooperation. Science, 314(5805), 1560-1563. doi:10.1126/science.1133755

Pith (2026). Geautomatiseerde referee-lezing van arXiv:2609.10817 (geen menselijke peer review). https://pith.science/paper/2609.10817

Ook interessant voor jou!