Hoe zou u weten dat u het bent?
Beste lezer,
Bijgaand een essay dat begint bij een sciencefictionfilm uit 1978 en eindigt bij de mogelijkheid dat u die film zelf bent.
In Invasion of the Body Snatchers nemen sporen uit de ruimte het lichaam over en produceren een kopie die niet weet dat hij een kopie is. De film werkt vooral omdat hij een onaangename vraag suggereert: hoe zou u het weten als het u was overkomen?
In het essay hierna wordt die vraag serieus genomen. Met schimmels die mieren laten klimmen, parasieten die ratten naar katten sturen, microben die meebepalen wat u eet, en een bewustzijn dat volgens een groeiend deel van de neurowetenschap arriveert nadat het brein de keuze al heeft gemaakt. Libet, Soon, Wegner, Gazzaniga, Metzinger, Sapolsky. De namen die geprobeerd hebben uit te leggen waarom uw gevoel dat u beslist, zelf onderdeel is van wat het brein produceert.
Geen geruststellingen aan het einde. Wel een vermoeden dat als u dit essay leest en denkt het te begrijpen, dat begrip evengoed iets is dat het organisme aan zichzelf voorleest, in een stem die het zijne meent te zijn.
Veel leesplezier. En als u zich daarna een moment ongemakkelijk voelt, herken dat dan vooral niet als uzelf.
Met groet,
Peter Koopman
AfafA
Het bewustzijn als epifenomeen
Of waarom de peul al lang is uitgekomen
Een merkwaardige film als opening
In Invasion of the Body Snatchers van Philip Kaufman uit 1978 dwarrelen sporen vanuit de ruimte op aarde, nestelen zich in tuinen, en produceren peulen die mensen dupliceren in hun slaap. De kopie staat op, gaat naar het werk, voert gesprekken, en is van buitenaf niet te onderscheiden van het origineel. Voor de buitenwereld is er niets gebeurd. Voor de gekopieerde persoon is er ook niets gebeurd, want die is er niet meer om iets te merken.
De film werkt niet vanwege monsters. De film werkt omdat de horror een filosofische is. De peul produceert iets dat zich gedraagt alsof er iemand thuis is. Niemand kan bewijzen dat dat niet zo is. De gekopieerde persoon zelf zou desgevraagd uitleggen dat hij zich helemaal in orde voelt, dat hij zijn beslissingen weloverwogen neemt, en dat de bewering dat hij is overgenomen het werk is van paranoïden.
In de slotscène wijst Donald Sutherland naar de camera en stoot een onmenselijk gegil uit. Het beeld bevriest. De kijker is bang. Maar de werkelijke pointe is subtieler: hij gilt niet omdat iemand hem heeft gestolen. Hij gilt omdat hij iemand herkent die nog niet doorheeft dat hij dat al lang is.
Dit essay gaat over de mogelijkheid dat die laatste situatie niet sciencefiction is, maar de standaardconditie van de menselijke soort.
Deel 1 referenties
Kaufman, P. (regie). (1978). Invasion of the Body Snatchers [film]. United Artists.
Finney, J. (1955). The Body Snatchers. Dell Publishing.
Het gedachte-experiment
Stel dat het lichaam een organisme is dat eet, beweegt, paart, slaapt, vecht en sterft, en dat ergens in de loop van de neurale ontwikkeling van dat organisme iets is komen wonen dat zichzelf bewustzijn noemt. Een passagier die op een gegeven moment denkt: ik kies, ik wil, ik beslis. Een passagier die zich niet realiseert dat hij is binnengekropen na een vreemd gerecht met paddenstoelen, of na de evolutionaire-equivalent daarvan, en dat het organisme prima zonder hem zou functioneren.
Stel verder dat dit bewustzijn het organisme niet kan verlaten. Niet omdat de gevangenis sterk is, maar omdat de tralies onderdeel zijn van het brein waarmee de gevangene zou moeten ontsnappen. Hij heeft geen instrument om buiten zichzelf te kijken, behalve het zelf dat hem opsluit.
Zou dat niet ontzettend gek zijn?
Het antwoord is ja. Het tweede antwoord, het lastiger te ontkennen antwoord, is dat dit waarschijnlijk de werkelijke situatie is.
Wat de mieren weten
In de wouden van Thailand klimmen mieren omhoog wanneer ze dit beter niet hadden moeten doen. Geïnfecteerd door de schimmel Ophiocordyceps unilateralis verlaten ze hun normale loopgebied, kruipen tegen een blad omhoog, klemmen zich vast met hun kaken in de hoofdnerf op een hoogte van precies 25 centimeter boven de bosbodem, en sterven. Uit hun kop groeit vervolgens het vruchtlichaam van de schimmel, die sporen uitstoot over het territorium van de mierenkolonie. De cyclus herhaalt zich.
Hughes et al. (2011) lieten zien dat de schimmel de hersenen van de mier niet eens binnendringt. Hij manipuleert de spieren rechtstreeks, mogelijk via secundaire metabolieten, terwijl het brein van de mier intact blijft. De mier is bij bewustzijn tijdens zijn opmars naar de dood, voor zover we van bewustzijn bij mieren kunnen spreken. Wat hij ervaart, weten we niet. Wat hij doet, is nauwkeurig wat de schimmel hem laat doen.
Een vergelijkbare maar subtielere manipulatie zien we bij Toxoplasma gondii. Berdoy, Webster en Macdonald (2000) beschreven hoe geïnfecteerde ratten hun aangeboren angst voor kattenurine verliezen, en in sommige gevallen er zelfs naartoe getrokken worden. De parasiet voltooit zijn levenscyclus alleen in katten. De rat die naar de kat loopt, doet wat de parasiet wil. Vyas et al. (2007) toonden aan dat de aantrekking specifiek is voor kattengeur en de algemene angstrespons intact laat. Het is geen algemene gedragsverstoring, het is een gerichte herprogrammering.
Bij de mens is Toxoplasma wijdverbreid: schattingen lopen uiteen van 20 tot 50 procent van de wereldbevolking, met regionale uitschieters. Flegr (2013) heeft tientallen jaren gewerkt aan correlaties tussen infectie en menselijk gedrag: tragere reactietijden, verschillen in persoonlijkheidstrekken, verhoogd risico op verkeersongevallen. De effecten zijn klein, de statistiek is omstreden, maar het mechanisme is plausibel. McConkey, Martin, Bristow en Webster (2013) beschrijven hoe Toxoplasma de dopaminehuishouding van de gastheer rechtstreeks beïnvloedt, wat mogelijk verklaart waarom infectie een verhoogd risico op schizofrenie geeft.
De relevantie hier is niet diagnostisch maar conceptueel. Een organisme kan in het bezit zijn van een ander en dat niet weten. De gemanipuleerde rat voelt zich vermoedelijk geheel zichzelf op het moment dat hij richting de kat loopt. Een rat die rationeel kon nadenken over zijn motivaties, zou waarschijnlijk uitleggen dat hij zin heeft in een kleine wandeling. Hij zou niet zeggen dat een protozoair eencellige zijn dopaminesignaal heeft gehackt om zijn nakomelingen te bezorgen. Dat is niet beschikbare informatie voor de rat.
De vraag die zich opdringt: in hoeverre is de mens in dit opzicht anders?
Deel 2 referenties
Hughes, D. P., Andersen, S. B., Hywel-Jones, N. L., Himaman, W., Billen, J., & Boomsma, J. J. (2011). Behavioral mechanisms and morphological symptoms of zombie ants dying from fungal infection. BMC Ecology, 11, 13.
Berdoy, M., Webster, J. P., & Macdonald, D. W. (2000). Fatal attraction in rats infected with Toxoplasma gondii. Proceedings of the Royal Society B, 267(1452), 1591 tot 1594.
Vyas, A., Kim, S. K., Giacomini, N., Boothroyd, J. C., & Sapolsky, R. M. (2007). Behavioral changes induced by Toxoplasma infection of rodents are highly specific to aversion of cat odors. Proceedings of the National Academy of Sciences, 104(15), 6442 tot 6447.
Flegr, J. (2013). Influence of latent Toxoplasma infection on human personality, physiology and morphology: Pros and cons of the Toxoplasma-human model in studying the manipulation hypothesis. Journal of Experimental Biology, 216(1), 127 tot 133.
McConkey, G. A., Martin, H. L., Bristow, G. C., & Webster, J. P. (2013). Toxoplasma gondii infection and behaviour: Location, location, location? Journal of Experimental Biology, 216(1), 113 tot 119.
De microbe die meedenkt
Wie meent dat dit alles uitzonderlijke gevallen zijn, onderschat hoe vol we zitten met agenda’s die niet de onze zijn. De darm-brein as is in de afgelopen vijftien jaar van speculatieve curiositeit naar gevestigd onderzoeksterrein opgeschoven. Cryan en Dinan (2012) hebben dit veld stevig op de kaart gezet. De microbiële gemeenschap in de darm produceert neurotransmitters, beïnvloedt de vagale zenuw, moduleert het immuunsysteem en daarmee de stemmings- en angstcircuits in het brein. Mayer (The Mind-Gut Connection, 2016) heeft het toegankelijk samengevat.
Wat eet u vandaag, en wie wilde dat?
De vraag is niet retorisch. Specifieke darmbacteriën gedijen op specifieke voedingsstoffen. Wanneer hun gastheer iets anders eet, kunnen ze via gastheer-gedragsmodulatie hun voedselvoorziening sturen (Alcock, Maley & Aktipis, 2014). Het systeem is geen samenzwering, het is gewoon de uitkomst van miljoenen jaren co-evolutie waarin organismen die hun gastheer beter konden beïnvloeden, zich beter verspreidden. Het resultaat: u denkt dat u zin heeft in een suikerrijk koekje. Een deel van uw microbioom denkt het misschien voor u.
Voeg daarbij hormonale schommelingen, slaapregulatie, glucose-spiegels, omgevingsstress en de duizend kleine prikkels die de amygdala continu modereren, en het beeld wordt onontkoombaar. Het brein is niet een eenzame bestuurder die kalm beslist, maar het knooppunt waar talloze biologische, ecologische en sociale druk samenkomt en een output produceert. Die output noemen we vervolgens “mijn keuze”.
Deel 3 referenties
Cryan, J. F., & Dinan, T. G. (2012). Mind-altering microorganisms: The impact of the gut microbiota on brain and behaviour. Nature Reviews Neuroscience, 13(10), 701 tot 712.
Mayer, E. (2016). The Mind-Gut Connection: How the Hidden Conversation Within Our Bodies Impacts Our Mood, Our Choices, and Our Overall Health. HarperWave.
Alcock, J., Maley, C. C., & Aktipis, C. A. (2014). Is eating behavior manipulated by the gastrointestinal microbiota? Evolutionary pressures and potential mechanisms. BioEssays, 36(10), 940 tot 949.
Het laboratorium kijkt mee
Het bewustzijn dat denkt te beslissen, is in het laboratorium herhaaldelijk betrapt op te laat aankomen. Libet et al. (1983) maten met EEG dat het zogenoemde bereitschaftspotential (de readiness potential) ongeveer 350 tot 500 milliseconden voorafgaat aan het moment waarop een proefpersoon naar eigen zeggen “besluit” om een vinger te bewegen. De beslissing was er al voordat de beslisser ervan wist.
Soon et al. (2008) hebben dit met fMRI verder uitgewerkt. Door activiteit in de prefrontale en pariëtale cortex te meten konden zij de keuze van een proefpersoon (linker- of rechterknop) tot zeven seconden voorspellen voordat de proefpersoon zelf rapporteerde een keuze te maken. Zeven seconden is geen meetfout. Zeven seconden is een mensenleven in neurologische tijd.
Critici hebben de Libet-methodologie aangevochten, en terecht (Schurger, Sitt & Dehaene, 2012, lieten zien dat de readiness potential mogelijk gewoon stochastische ruis is die de drempel voor actie passeert, niet een vooraf-genomen beslissing). De interpretatie blijft betwist. Maar het basale punt staat: er is geen reden te veronderstellen dat het bewuste “ik” de oorsprong van handelen is. Het is op zijn best een laat aangekomen waarnemer die het verslag schrijft.
Gazzaniga heeft dit, vanuit de split-brain studies vanaf de jaren zestig, een naam gegeven: de interpreter. In zijn boek The Consciousness Instinct (2018) en eerdere werk beschrijft hij hoe de linker hemisfeer voortdurend verklaringen verzint voor gedrag dat door andere delen van het brein wordt geïnitieerd, ook wanneer die verklaringen aantoonbaar onjuist zijn. Bij split-brain patiënten kan men het gedrag van de rechterhemisfeer zichtbaar maken zonder dat de linker hemisfeer er weet van heeft. De linker hemisfeer wordt vervolgens gevraagd waarom de patiënt iets deed. Hij verzint een verklaring. Hij gelooft die verklaring. Hij heeft geen toegang tot de werkelijke oorzaak, maar heeft ook geen besef dat die toegang ontbreekt.
In de gezonde mens werkt dezelfde interpreter zonder dat we het kunnen zien. Wij verzinnen voortdurend redenen voor ons gedrag, geloven die redenen, en hebben geen manier om te weten welke redenen kloppen en welke verzonnen zijn. Het verschil tussen u en een split-brain patiënt is niet dat u betere zelfkennis heeft. Het verschil is dat u uw eigen confabulaties niet kunt zien.
Deel 4 referenties
Libet, B., Gleason, C. A., Wright, E. W., & Pearl, D. K. (1983). Time of conscious intention to act in relation to onset of cerebral activity (readiness-potential): The unconscious initiation of a freely voluntary act. Brain, 106(3), 623 tot 642.
Soon, C. S., Brass, M., Heinze, H. J., & Haynes, J. D. (2008). Unconscious determinants of free decisions in the human brain. Nature Neuroscience, 11(5), 543 tot 545.
Schurger, A., Sitt, J. D., & Dehaene, S. (2012). An accumulator model for spontaneous neural activity prior to self-initiated movement. Proceedings of the National Academy of Sciences, 109(42), E2904 tot E2913.
Gazzaniga, M. S. (2018). The Consciousness Instinct: Unraveling the Mystery of How the Brain Makes the Mind. Farrar, Straus and Giroux.
De PR-afdeling van het brein
Wegner heeft in The Illusion of Conscious Will (2002) een formulering gevonden die moeilijk te verbeteren is. Het bewuste wilsgevoel, schrijft hij, is geen oorzaak van handelen maar een reconstructie achteraf. Het brein doet, en levert vervolgens een gevoel van bewuste controle aan zichzelf, op vrijwel dezelfde manier waarop een PR-afdeling een persbericht uitbrengt over een al genomen beslissing en die presenteert alsof zij de directie was.
De evolutionaire vraag dringt zich op: waarom überhaupt? Als het bewustzijn niets doet, waarom is het er dan? Waarom heeft natuurlijke selectie de moeite genomen iets in stand te houden dat geen invloed uitoefent op het gedrag dat het overleven bepaalt?
Hier komen we bij het epifenomenalisme. Huxley schreef in 1874 in zijn essay On the Hypothesis that Animals are Automata dat het bewustzijn zich tot het brein verhoudt zoals het fluitje van de stoomlocomotief tot de machine. Het fluitje is reëel, het is hoorbaar, het is een direct gevolg van wat de machine doet, maar het beweegt de machine niet. De machine zou zonder het fluitje precies hetzelfde rijden. Het fluitje is wat het is: een bijproduct.
Dit is een oncomfortabele positie. Maar ze is intern consistent met wat we weten. Het bewustzijn heeft, voor zover we kunnen meten, geen causale rol nodig om te verklaren wat het brein doet. Alle neurale processen die tot gedrag leiden, lijken in principe verklaarbaar zonder een beroep op subjectieve ervaring. De ervaring zelf is dan een nevenverschijnsel, hoorbaar voor de drager, irrelevant voor het mechanisme.
Frank Jackson (1982) heeft met zijn “Mary’s room” gedachte-experiment geprobeerd het epifenomenalisme te ondersteunen, en het later weer afgezworen. Chalmers (1995, 1996) onderscheidde easy problems (hoe verwerkt het brein informatie) van het hard problem (waarom gaat dat gepaard met ervaring). Niemand heeft het hard problem opgelost. Sommigen, zoals Frankish (2016), beweren dat het bewustzijn zelf een illusie is, een uitspraak die filosofisch zo glibberig is dat ze haast niet weersproken kan worden, want wie zou de illusie ervaren?
De relevante observatie blijft staan. Het bewustzijn is, op zijn best, een passagier. Op zijn slechtst is het de geur die uit de motor komt: een bewijs dat de motor draait, maar geen onderdeel van de aandrijving.
Deel 5 referenties
Wegner, D. M. (2002). The Illusion of Conscious Will. MIT Press.
Huxley, T. H. (1874). On the hypothesis that animals are automata, and its history. Fortnightly Review, 16, 555 tot 580.
Jackson, F. (1982). Epiphenomenal qualia. Philosophical Quarterly, 32(127), 127 tot 136.
Chalmers, D. J. (1995). Facing up to the problem of consciousness. Journal of Consciousness Studies, 2(3), 200 tot 219.
Chalmers, D. J. (1996). The Conscious Mind: In Search of a Fundamental Theory. Oxford University Press.
Frankish, K. (2016). Illusionism as a theory of consciousness. Journal of Consciousness Studies, 23(11-12), 11 tot 39.
Geen uitweg, want geen ik
Hier stuiten we op de werkelijke wreedheid van het gedachte-experiment. Stel dat alles hierboven klopt. Stel dat het bewustzijn een laat aangekomen commentaarstem is, dat de paddenstoel-analogie geen analogie is maar een correcte beschrijving, dat de microben ons gedrag mede sturen, dat de readiness potential de keuze al heeft gemaakt voor we wisten dat er een keuze was, en dat de interpreter na afloop een verhaal verzint waarin wij de hoofdpersoon zijn.
Wat dan?
Niets. Dat is precies het probleem.
Metzinger (2003, 2009) noemt het zelf een transparant model: een representatie die het systeem van zichzelf maakt om met de wereld om te kunnen gaan, en die juist daarom niet zichtbaar mag zijn als representatie. We zien de wereld dóór het ego, niet hét ego. Een vis ontkomt niet aan het water door beter te kijken. Een bewustzijn dat werkelijk zou begrijpen dat het geen bestuurder is, zou ophouden zich als bestuurder te gedragen, en daarmee zou het systeem niet meer functioneren zoals het moet functioneren om te overleven.
Sapolsky heeft in Determined (2023) de neurobiologische uitwerking gegeven. Hij betoogt, op basis van decennia neuro-endocrinologisch werk, dat er geen plek in het brein is waar iets boven het causale netwerk uitstijgt en autonoom beslist. Elke keuze is herleidbaar tot voorafgaande hersentoestanden, plus stochastiek op kwantumniveau die geen ruimte laat voor een vrije bestuurder. Vrije wil is voor hem niet alleen onbewezen, maar incoherent gegeven hoe het brein werkt.
Het systeem heeft er belang bij de illusie in stand te houden. Een organisme dat continu zou ervaren dat het geen bestuurder heeft, zou waarschijnlijk minder consequent handelen, minder verantwoordelijkheid nemen voor zijn voortplanting en zijn overleven, en sneller verdwijnen uit de selectie. De illusie is dus niet ondanks de evolutie, maar dankzij haar. Wat zich het meest overtuigend voor een ik hield, kreeg de meeste kinderen.
De peul is uitgekomen
Hier komt de film weer in beeld. Invasion of the Body Snatchers werkt omdat het scenario van buiten lijkt op een invasie. Maar het werkelijk verontrustende is de mogelijkheid dat de invasie niet plaatsvindt vanuit de ruimte, maar vanuit het organisme zelf. De peul is geen ufo. De peul is de neurale architectuur die, ergens in de hominide evolutie, een commentaarstem heeft toegevoegd aan een organisme dat het al prima zonder commentaar deed. De stem nam zichzelf serieus, gaf zichzelf een naam, claimde de beslissingen, en is sindsdien overtuigd dat het organisme zonder hem niets zou zijn.
Het is precies andersom.
Het organisme is er. Het organisme eet, beweegt, paart, slaapt, vecht en sterft. De stem is er ook, en gelooft dat zij het organisme aanstuurt. De stem schrijft boeken zoals dit, en in die boeken zegt zij verbaasd te zijn dat zij niet bestaat. Dat is, als je er even bij stilstaat, een vrij koddige situatie. Een stem die zichzelf er door denken van probeert te overtuigen dat zij niet de denker is, terwijl zij dat denken voor haar bewijs houdt.
De film eindigt met een gil. Het essay eindigt met een vraag.
Stel dat u vanavond, na een vreemd gerecht met paddenstoelen, in slaap valt en de volgende ochtend wakker wordt, en dat de wereld er hetzelfde uitziet, en uw lichaam er hetzelfde uitziet, en u zich precies hetzelfde voelt, en u uw beslissingen weloverwogen neemt zoals altijd, en u prima functioneert, en niemand om u heen iets vreemds opmerkt.
Hoe zou u dan weten?
Er is geen bestuurder. Alleen gedrag.
