Beste lezer,
Waarom wint een beginner soms van iemand die al tien jaar traint, juist omdat hij niet snapt wat er gebeurt? En waarom kreeg u op school een punt voor een gok, maar nooit voor een eerlijk “ik weet het niet”?
Vraag eens op een verjaardag waarom mannen meer spiermassa hebben dan vrouwen, of waarom karateka in een wit pak trainen. Luister naar de antwoorden. Ze klinken allemaal zeker. Wat zegt dat over de school, over de dojo en over de mensen die ons besturen? En waarom maakt een schijnbeweging iemand zekerder in plaats van voorzichtiger?
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie
Zeker twijfelen
Derde les. Een jongen van negentien, nog in zijn joggingbroek, mag sparren met iemand die al tien jaar traint. De ervaren man doet wat hij altijd doet: een halve jab, een schouder die iets belooft, een heup die de andere kant op wijst. Een schijnbeweging uit het boekje. De jongen reageert nergens op. Hij ziet het niet eens. Hij loopt gewoon naar voren met twee armen die als molenwieken rondgaan, en de derde wiek landt. De zaal lacht. Na afloop legt de ervaren man uit dat je tegen zulke wildemannen niets kunt, omdat ze “nergens op reageren”. Hij heeft gelijk, maar hij weet niet waarom.
Een schijnbeweging is een vraag. Ze wordt gesteld aan het voorspellende deel van de tegenstander: waar denk jij dat ik heen ga? Wie die vraag aan zichzelf stelt, kan het verkeerde antwoord geven. Wie niets vraagt, kan ook niet verkeerd antwoorden. Je kunt niemand misleiden die niet kijkt. Inzicht van de beginner is het niet; blindheid die toevallig goed uitpakt wel.
Hoe het met mensen gaat die wel kijken, is gemeten. Onderzoekers lieten rugbyspelers beelden zien van tegenstanders die van richting veranderden, soms eerlijk, soms met een schijnbeweging. De beginners trapten erin, de geoefende spelers niet. In een vergelijkbare proef wachtten de ervaren spelers langer voordat ze bewogen; ze lieten de vraag even hangen. Het interessantste resultaat stond er bijna terloops bij. Beide groepen waren zekerder van hun antwoord bij de misleidende beelden. Een goede schijnbeweging maakt je niet onzeker. Ze maakt je zeker, alleen van het verkeerde.
Daar gaat dit stuk over. Over zekerheid die wordt gefabriceerd, op school, in de dojo en in Den Haag, in een wereld waar niemand iets zeker weet en iedereen voortdurend gokt.
Want gokken doen we allemaal, de hele dag. Een brein is een voorspellingsmachine. Het weet niet wat er komt; het rekent uit wat waarschijnlijk komt en zet daarop in. Elke stap op een trap is een weddenschap dat de volgende tree er is. Meestal winnen we, en daarom merken we niet dat we gokken. Kennis verandert de kansen, nooit het spel. Wie meer weet, gokt beter. Wie niets weet, gokt blind. Niemand gokt niet.
Op school leer je dat niet. Je leert het omgekeerde. Neem een meerkeuzetoets met vier antwoorden en zonder aftrek voor fouten, zoals bij de meeste eindexamens. Laat je een vraag open, dan krijg je nul. Gok je, dan krijg je gemiddeld een kwart punt. De rekensom is zo simpel dat elke twaalfjarige hem binnen een week doorheeft: zwijgen is altijd dom. Amerika had in zijn grote toelatingstoets tot 2016 nog een strafpunt voor een foute gok, zodat “ik weet het niet” soms de slimste keuze was. Die regel is geschrapt. Een generatie lang leerde men dat je soms beter je mond houdt, daarna niet meer.
In de klas werkt het net zo. Wie “ik weet het niet” zegt, krijgt een blik. Wie iets zegt, ook als het fout is, krijgt een “goed geprobeerd”. Het kind leert twee dingen tegelijk: twijfel loont niet, zekerheid wel. Dat tweede klopt helaas ook buiten school. Wie zelfverzekerd overkomt, krijgt in een groep meer status en verliest die nauwelijks als blijkt dat hij ernaast zat. De school leidt dus niet slecht op. Ze leidt op voor het verkeerde examen. Ze leert kinderen niet te weten wat ze denken, maar te denken dat ze weten.
Het gekke is dat gokken op zich prima leert. Fouten waar je heel zeker van was, onthoud je na correctie beter dan fouten waar je aan twijfelde. De schrik werkt als een haak. Het probleem is niet de gok, maar de afstand tot de rekening. Een cijfer dat drie weken later binnenkomt, corrigeert niets; het vertelt een anekdote. Er bestaat een alternatief dat al decennia werkt: laat de leerling bij elk antwoord aangeven hoe zeker hij is. Zeker en goed levert veel op, zeker en fout kost veel, twijfel kost weinig en levert weinig. Eerlijk zijn over je eigen kennis wordt zo gewoon de slimste strategie. Het wordt nauwelijks gebruikt. Het past niet in een nakijkmodel.
Vraag op een verjaardag eens waarom mannen meer spiermassa hebben dan vrouwen. Ik deed het. Niemand had erover nagedacht, en toch had iedereen binnen twee seconden een antwoord. “Hormonen.” “Evolutie.” “Zo is het nou eenmaal.”
Molière lachte hier al in 1673 om. In een van zijn stukken vraagt een examencommissie aan een aankomend arts waarom opium slaperig maakt. Antwoord: omdat het een slaapverwekkende kracht heeft. De commissie applaudisseert. “Hormonen” is dezelfde slaapverwekkende kracht in een laboratoriumjas. Het woord vervangt de verklaring, zoals een kassabon het product vervangt voor wie nooit in de tas kijkt.
Psychologen hebben er een naam voor: de illusie van verklarende diepte. Vraag mensen hoe goed ze begrijpen hoe een rits werkt, en ze geven zichzelf een ruime voldoende. Vraag ze daarna het stap voor stap uit te leggen, en het stort in. Achteraf schatten ze hun eigen kennis een stuk lager in. De waaromvraag is het snelste middel dat er bestaat om iemand te laten zien hoe weinig hij wist. Dat verklaart meteen waarom ze zo slecht valt.
Een echt antwoord is een ketting. Hormonen zeggen hoe het werkt, niet hoe het zo gekomen is. Evolutie noemt het proces en niet de reden, alsof je op de vraag waarom iemand rijk is antwoordt: economie. Pas als je de schakels kunt noemen, en bij elke schakel opnieuw kunt vragen waarom, weet je iets. Wie bij de eerste schakel stopt, heeft geen kennis. Hij heeft een woord dat klopt.
In de dojo is het niet anders, alleen zie je het beter omdat iedereen hetzelfde pak aanheeft. Vraag een karateka waarom hij in het wit traint. Het blijft stil, of je hoort het woord traditie.
Okinawaanse karateka trainden eeuwenlang in hun gewone kleding. Het witte pak komt uit het judo, rond 1907 samengesteld uit goedkope Japanse werk- en onderkleding: stevig katoen dat een ruk kon hebben. Toen karate in de jaren twintig naar het Japanse vasteland kwam, nam het dat pak over, net als het systeem van rangen. Niet om spirituele redenen. Karate moest er Japans uitzien om geaccepteerd te worden door een vechtsportwereld die Okinawa als boerenprovincie zag. De gekleurde banden tussen wit en zwart zijn nog jonger. Die worden meestal toegeschreven aan een Japanse judoleraar in Parijs, die in de jaren dertig merkte dat Europeanen trouwer bleven betalen als ze om de paar maanden iets nieuws om hun middel kregen. Het verhaal dat een witte band na jaren zweet vanzelf zwart wordt, is folklore die achteraf is bedacht.
Toen ik in 1966 voor het eerst een dojo binnenstapte, was de traditie van het witte karatepak ongeveer veertig jaar oud. Jonger dan de meeste mannen die het droegen. En toen een Nederlander later een blauw judopak voorstelde, zodat publiek en scheidsrechters twee strijders uit elkaar konden houden, verzette Japan zich met een beroep op traditie. Een paar decennia later lag het blauwe pak gewoon op de mat. Een traditie van negentig jaar delfde het onderspit tegen een televisiecamera. “Traditie” betekent in de dojo meestal: ik weet het niet, maar het is ouder dan uw vraag.
Waarom een vraag in de dojo zo vaak een onzinantwoord oplevert, heeft twee oorzaken. De eerste: de leraar heeft het waarom zelf nooit gekregen. Hij kopieerde, zoals hij moest, en stopte daar. De tweede is erger. In een structuur waarin de band de stem heeft, zitten kennis en gezag aan elkaar vast. Een vraag waar de leraar geen antwoord op heeft, is dan geen leervraag, maar een aanval op zijn positie. Het onzinantwoord is dus geen gebrek aan kennis; het is zelfverdediging. De leraar beschermt zijn band beter dan zijn leerlingen.
Kopiëren is daarbij het probleem niet. De Japanse vechtkunsten kennen zelf een driedeling: eerst de vorm precies nadoen, dan de vorm breken, ten slotte de vorm loslaten. De meeste dojo’s, en de meeste scholen, blijven bij de eerste stap staan en reiken het diploma uit bij de deur van de tweede. Wie niet eerst kopieert, heeft niets om aan te twijfelen; wie alleen kopieert, twijfelt nooit.
Ondertussen raakt het kind iets kwijt. Onderzoekers namen vierjarige meisjes op, thuis en op school. Thuis stelden ze hun moeder ruim twintig vragen per uur, op school de juf er nauwelijks twee. Hetzelfde kind, dezelfde dag, een ander gebouw. Wat de nieuwsgierigheid vervangt, is geen kennis, maar de schijn ervan, want die is goedkoper en levert meer op. Terwijl ander onderzoek laat zien dat wie om advies vraagt juist slimmer wordt gevonden. We zwijgen om een gezicht te redden dat niet in gevaar was.
De beste leerlingen van dit systeem komen ergens terecht, een deel in de politiek. Wie ooit een politiek interview heeft uitgeteld, weet dat minder dan de helft van de vragen echt wordt beantwoord. Toch is de ontwijking vooral een product van de stoel en niet van de persoon. Elk eerlijk antwoord kost een stuk achterban. Zet een willekeurige burger in die stoel, met een camera en twee kampen die meeluisteren, en hij draait net zo.
Het ongemakkelijke deel ligt bij ons. Luisteraars merken een ontwijking nauwelijks op zolang het antwoord vloeiend klinkt en ongeveer over hetzelfde gaat, en ze vinden de soepele ontwijker sympathieker dan iemand die hakkelend eerlijk is. We straffen de eerlijke hakkelaar, belonen de gladde ontwijker en klagen daarna over het aanbod. Binnen partijen werkt hetzelfde mechanisme als in de dojo. Loyaliteit is voorspelbaar, kennis niet, en op een kandidatenlijst wint het voorspelbare. Wie te veel weet, wordt geen collega maar een risico.
Zo levert de school twee soorten mensen af: politici die antwoorden zonder te weten, en kiezers die weten zonder te vragen.
Wie nu denkt dat de mensen met kennis dan maar aan het roer moeten, moet even wachten. Wie twintig jaar lang de politieke voorspellingen van deskundigen bijhoudt, ziet dat ze op lange termijn nauwelijks beter scoren dan het toeval. Dat bevestigt alleen wat we al wisten. De wereld is niet te kennen, en ook de deskundige gokt.
Het interessante zit in het verschil tussen de gokkers. De deskundigen met één grote theorie die alles verklaarde, deden het het slechtst. Die met veel kleine ideeën en weinig zekerheid deden het merkbaar beter. Later bleek dat een groep gewone mensen, met brede kennis en de gewoonte hun inschatting steeds bij te stellen, zelfs inlichtingenanalisten met geheime informatie versloeg. Kennis bepaalt waar je begint, twijfel hoe je verdergaat. Wie geen kennis heeft, gokt blind. Wie kennis heeft zonder twijfel, gokt blind met een bril op.
En ook de beste gokker wint maar soms. Hoe beter iedereen wordt, hoe meer het geluk beslist. Tussen een beginner en een kampioen beslist vaardigheid; tussen twee kampioenen een snee boven het oog of een scheidsrechter die net de andere kant op keek. Daarom schrijven winnaars hun succes toe aan karakter en verliezers hun nederlaag aan pech, en hebben ze allebei half gelijk.
Een goede gokker is dus niet degene die het vaakst gelijk heeft, maar degene die nooit alles inzet. Wiskundigen rekenden het in de jaren vijftig uit: zelfs met een voordeel ga je failliet als je per keer te veel inzet. Je hebt één leven, en het gemiddelde van duizend spelers zegt weinig over dat ene. Woestijnplanten wisten het eerder. Ze laten nooit al hun zaden in hetzelfde jaar ontkiemen. Een deel blijft in de grond liggen, voor het geval de regen een valse belofte blijkt. Lager rendement, kleinere kans op uitsterven. De evolutie beloont geen gokker die gelijk heeft. Ze beloont de gokker die nog aan tafel zit.
Zo bekeken is twijfel geen zwakte om af te leren. Het is het enige gereedschap dat een gokker heeft. Bedoeld is dan niet de twijfel die alles in de lucht houdt en nergens toe leidt, maar de twijfel die precies aanwijst waar de ketting breekt. Zeker twijfelen, dus. Het levert geen zekerheid op. Wel betere weddenschappen.
Zekerheid bestaat alleen in de dood, en dat is meer dan een tegeltjeswijsheid. Een levend organisme is een systeem dat niet in evenwicht is. Het neemt energie op en valt daardoor niet uit elkaar. Het voorspelt en wordt verrast, voorspelt opnieuw en wordt opnieuw verrast. De toestand waarin niets meer verandert en niets meer verrast, heet in de natuurkunde evenwicht en in de biologie dood. Leven is onzekerheid beheren; wie haar opheft, heft zichzelf op. En zelfs die laatste zekerheid is maar half. Dat de dood komt, weten we. Wanneer, niet. Ook de croupier houdt de laatste kaart gedekt.
Een week later stond dezelfde jongen weer tegenover dezelfde man. Hij had gewonnen, en wie gewonnen heeft, weet iets. Deze keer maakte de ervaren man geen schijnbeweging met zijn hand. Hij liet zijn dekking een fractie zakken, zo weinig dat alleen iemand die keek het kon zien. De jongen keek nu wel. Hij zag de opening, wist zeker dat hij hem had, en stapte erin. In één beweging verloor hij zijn evenwicht en zijn zekerheid.
De eerste keer won hij omdat hij niets wist. De tweede keer verloor hij omdat hij iets wist. Zekerheid bestaat alleen in de dood. In de ring komt ze iets eerder, van links.
Literatuur
- Jackson, Warren & Abernethy, “Anticipation skill and susceptibility to deceptive movement”, Acta Psychologica(2006): beginners trappen in schijnbewegingen, experts niet, en beide groepen zijn zekerder bij misleiding. bron
- Brault, Bideau, Kulpa & Craig, over misleidende bewegingen in virtueel rugby, PLoS ONE (2012): experts wachten langer voordat ze bewegen. bron
- Butterfield & Metcalfe, over het hypercorrectie-effect, Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition (2001)
- Gardner-Medwin, over certainty-based marking (UCL, vanaf de jaren negentig)
- Anderson, Brion, Moore & Kennedy, over overmoed en status, Journal of Personality and Social Psychology(2012)
- Molière, Le Malade imaginaire (1673), de slaapverwekkende kracht van opium
- Rozenblit & Keil, “The misunderstood limits of folk science”, Cognitive Science (2002)
- Niko Tinbergen, “On aims and methods of ethology” (1963), over de hoe- en de waaromvraag
- Hobsbawm & Ranger (red.), The Invention of Tradition (1983)
- Tizard & Hughes, Young Children Learning (1984)
- Brooks, Gino & Schweitzer, “Smart people ask for (my) advice”, Management Science (2015)
- Peter Bull, The Microanalysis of Political Communication (2003)
- Bavelas, Black, Chovil & Mullett, Equivocal Communication (1990)
- Rogers & Norton, “The artful dodger”, Journal of Experimental Psychology: Applied (2011)
- Robert Michels, Zur Soziologie des Parteiwesens (1911)
- Philip Tetlock, Expert Political Judgment (2005) en, met Dan Gardner, Superforecasting (2015)
- Michael Mauboussin, The Success Equation (2012)
- J.L. Kelly, “A New Interpretation of Information Rate” (1956)
- Seger & Brockmann, “What is bet-hedging?” (1987)
- Erwin Schrödinger, What is Life? (1944)
- Karl Friston, “The free-energy principle: a unified brain theory?”, Nature Reviews Neuroscience (2010)
- Martin Heidegger, Sein und Zeit (1927), §§ 51–53
