Beste lezer,
Waarom mist een ex-roker zijn sigaret soms harder dan iemand zijn ex? En waarom houdt de hand van uw eigen partner een schrikreactie in uw brein beter tegen dan de hand van een vreemde?
Een columniste schreef onlangs dat haar leven sterft als haar man morgen verdwijnt. Ze heeft gelijk, alleen weet ze niet waarom. Wat doet een ander eigenlijk met uw hartslag, uw geheugen en uw stresshormonen? Is missen de keerzijde van liefde, of van iets heel anders? En kan een andere hand, of een ander bed, de schade herstellen?
Lees het, en vraag u daarna af wie bij u de thermostaat bedient.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie
Een thermostaat in een ander lichaam
Een columniste van De Correspondent ontmoette haar grote liefde omdat een andere man haar de avond ervoor had laten zitten. Die andere man had een vis op zijn Tinderprofiel. De man die wel kwam, kwam in joggingbroek. Ze haalden blikjes frisdrank bij de nachtwinkel, rookten een pakje leeg op een muurtje en raakten tussen twee sigaretten door bezeten van elkaar. Tien jaar en twee kinderen later schrijft ze dat haar leven sterft als hij morgen verdwijnt. Haar stuk is een afrekening met het datingcliché dat je eerst je zaken op orde moet hebben, eerst van jezelf moet houden, en dat een partner een aanvulling hoort te zijn en geen invulling.
Ik ergerde me eraan. Niet aan de conclusie, die bleek later verdacht goed; wel aan de toon. Gelul, geen reet aan, een puist tussen de ogen. Een stuk op een platform dat zich op kwaliteit laat voorstaan, en het klinkt als een spraakbericht na middernacht. Maar ergernis is een slechte criticus. Ze zegt meer over de lezer dan over de tekst. Dus liet ik de toon voor wat hij was en bleef hangen bij de vraag die eronder lag, een vraag die ik zelf nooit goed had kunnen beantwoorden: is missen de keerzijde van liefde?
Het klinkt als een vraag voor een tegeltje. Het blijkt een vraag voor het laboratorium. En het antwoord is nee. Missen is de keerzijde van iets ouder, iets wat met liefde meekomt zoals de rekening met een maaltijd. Ze arriveren meestal samen. Maar je kunt ook een rekening krijgen voor iets wat je nooit hebt gegeten.
Het alarm
Een Britse kinderpsychiater keek na de oorlog naar kleine kinderen die voor een ziekenhuisopname dagen of weken van hun moeder werden gescheiden. Bezoek was toen streng beperkt, want ouders brachten onrust, en dat klopte: kinderen huilden als hun moeder weer vertrok. Dus hield men de moeders weg. De kinderen doorliepen daarop een vaste volgorde. Eerst protest: huilen, roepen, zoeken, rammelen aan het bedhek. Dan wanhoop: stil, teruggetrokken, lusteloos. Ten slotte iets wat de verpleging aanzag voor aanpassing en wat in werkelijkheid onthechting was. Kwam de moeder na weken terug, dan keek het kind langs haar heen alsof ze een vreemde was.
Die volgorde hing niet af van hoe lief het kind zijn moeder vond. Ze hing af van het verdwijnen van een vaste bron van veiligheid. Het alarm ging af omdat een systeem een signaal miste, en niet omdat er een gevoel ontbrak. Dat systeem heet in de psychologie gehechtheid, en het is ouder dan de mens. Een eendenkuiken dat zijn moeder kwijt is, piept net zo wanhopig als een baby huilt. Een rattenjong ook. Een jong zoogdier zonder alarm bij scheiding had in de evolutionaire geschiedenis zelden een lang leven; de jongen die het hardst piepten, werden het snelst teruggevonden.
Neem nu de ex-roker. Hij mist zijn sigaret, soms jarenlang, en op momenten met een heftigheid die menig weduwnaar herkent: na het eten, bij de koffie, als het stil wordt in huis. Houdt hij van die sigaret? Hij wist al die jaren dat het ding hem sloopte. Gepensioneerden missen het kantoor waarover ze veertig jaar hebben geklaagd. Mensen missen een vijand die is overleden, want met hem verdween een reden om ’s ochtends kwaad op te staan. Gedetineerden die na een lange straf vrijkomen, missen de gevangenis; de literatuur over institutionalisering staat er vol mee. Gewoonte, en nog eens gewoonte, en je mist wat je haatte.
Het omgekeerde bestaat ook. Ouders van een volwassen dochter die al jaren tevreden in Australië woont, houden van haar zonder dat het missen pijn doet. Ze bellen, ze zijn blij voor haar, ze slapen. Wie veilig gehecht is, heeft de ander als het ware intern opgeslagen; het alarm blijft uit zolang de verbinding ergens bevestigd wordt. Liefde zonder kramp is geen tegenspraak.
Je kunt dus missen zonder liefde en liefhebben zonder missen. Dan zijn het twee dingen, hoe vaak ze ook samen aan tafel zitten. Het tegendeel van liefde is trouwens ook geen missen, en zelfs geen haat. Het is onverschilligheid. Wie onverschillig is, mist niets. Dat is de enige garantie op een leven zonder gemis die ik ken, en de prijs ervan is niet gering.
Een thermostaat in een ander lichaam
Waarom doet het verdwijnen van iemand zoveel met het lichaam? Een Amerikaanse onderzoeker scheidde jonge ratten van hun moeder en mat wat er gebeurde. Geen enkele reactie, een hele cascade. Hartslag omlaag, lichaamstemperatuur omlaag, slaap verstoord, groeihormoon onderdrukt, stresshormonen omhoog. Elke functie ontspoorde op haar eigen moment. Toen hij de moeder stukje bij beetje terugbracht, ontdekte hij iets merkwaardigs. Haar warmte herstelde de temperatuur maar niet de hartslag. Haar melk herstelde de hartslag maar niet de slaap. Het likken en aanraken regelde weer andere dingen. De moeder was geen gevoel. Ze was een verzameling verborgen regelaars, een stuk externe fysiologie dat toevallig op vier poten liep.
Bij volwassen mensen werkt het niet wezenlijk anders, alleen subtieler. In een bekend experiment lagen getrouwde vrouwen in een hersenscanner terwijl hun af en toe een lichte elektrische schok werd aangekondigd. Soms hield niemand hun hand vast, soms een onbekende onderzoeker, soms hun eigen man. De hand van de vreemde hielp een beetje. De hand van de echtgenoot dempte de dreigingsreactie in het brein duidelijk sterker, en hoe beter het huwelijk, hoe sterker het effect. Een goede partner is dus meer dan gezelschap. Hij is een stuk eigen stressregeling dat in een ander lichaam is ondergebracht.
De onderzoekers trokken er een conclusie uit die het denken over alleen-zijn op zijn kop zet. Het brein gaat ervan uit dat er een vertrouwde ander in de buurt is. Dat is de nulstand. Alleen zijn is daarom geen neutrale toestand waarin het gezelschap van anderen een bonus vormt; alleen zijn is de afwijking. Een neurowetenschapper spreekt in dit verband van een lichaamsbudget: het brein voorspelt voortdurend wat het lichaam nodig gaat hebben en houdt de rekening bij. Iemand die je kalmeert, die je aan het eten zet, die je slaap regelt omdat hij er gewoon ligt, is een vaste bron van inkomsten. Valt die weg, dan staat de begroting in één klap rood. Het lichaam heeft op twee hoofden begroot en moet ineens alles zelf betalen.
Dat is wat missen lichamelijk is: een thermostaat die nog altijd is afgesteld op een kachel die er niet meer staat. Het voelt als verdriet. Het is ook ontregeling. Weduwen en weduwnaars lopen in het eerste jaar na het overlijden van hun partner een aantoonbaar verhoogd risico om zelf te sterven, vooral aan hart en vaten. In de volksmond heet dat een gebroken hart. Beeldspraak blijkt het niet te zijn.
Eronder zit een chemie die het verhaal nog minder romantisch maakt. Nabijheid van een vertrouwde ander laat het brein lichaamseigen opiaten aanmaken, de stofjes waar morfine op meelift. Scheiding laat die spiegel zakken, en het systeem reageert met iets wat verdacht veel op ontwenning lijkt. Geef mensen een middel dat de werking van die opiaten blokkeert, en ze voelen zich in een gewone week minder verbonden met hun naasten. Pas verlaten geliefden lieten in de scanner activiteit zien in hersengebieden die ook oplichten bij iemand die naar cocaïne hunkert. En bij woelmuizen, monogame knaagdieren waar de neurowetenschap dol op is, kon een onderzoeksgroep het rouwgedrag na het verlies van een partner uitzetten door één stressroute in het beloningscircuit te blokkeren. De band bleef. Het missen niet.
Dat laatste is het scharnier van dit hele verhaal. Als je het missen farmacologisch kunt uitschakelen terwijl de band blijft bestaan, zijn het twee verschillende dingen. Het lichaam maakt nauwelijks onderscheid tussen een partner en een opiaat. Het onderscheid duikt pas achteraf op, in taal: hetzelfde organisme vertelt over zijn eigen ontwenning en noemt het de ene keer liefde, de andere keer verslaving.
Koorts en gewenning
Liefde en missen brengen het organisme allebei uit balans, dacht ik eerst. Dat klopt half. Alles brengt een organisme uit balans: een maaltijd, kou, een tegenstander die op je afkomt. Wie liefde en missen allebei verstoring noemt, legt ze in dezelfde la als honger en een verstuikte enkel. De vraag is welk evenwicht er verstoord raakt, en daar lopen ze uiteen.
Verliefdheid is een verstoring, daar valt weinig op af te dingen. Een Italiaanse psychiater mat bij mensen die net verliefd waren een bepaald serotonine-eiwit in het bloed, en vond waarden die je ook ziet bij mensen met een dwangstoornis. Dat past bij wat iedere verliefde over zichzelf weet: je denkt aan niets anders, je slaapt slecht, je eet slordig en je controleert je telefoon met de toewijding van een inbraakexpert. Een jaar of anderhalf later mat ze opnieuw. De waarden waren normaal. De verliefdheid was over, of in elk geval de koorts.
Herstel zou het verkeerde woord zijn, want het lichaam keert niet terug naar waar het was. Het went. Het past zich aan, en in die aanpassing wordt de ander opgenomen in de regeling. Wie twee jaar verliefd is geweest, belandt niet bij de oude nul maar bij een nieuwe, en in die nieuwe nul zit de ander ingebouwd. De verliefdheid dooft niet ondanks de gehechtheid. Ze dooft erdoor.
Twee Amerikaanse psychologen beschreven in de jaren zeventig een mechanisme dat dit verloop opvallend precies dekt. Elke sterke gevoelstoestand, stelden ze, roept automatisch een tegenreactie op die het organisme terugtrekt naar neutraal. Eerst de roes, dan de kater. Het gemene zit in de herhaling. Hoe vaker de roes, hoe vlakker hij wordt; de tegenreactie wordt juist sterker en houdt langer aan. Bij heroïne kennen we dat patroon: de kick vervlakt, de ontwenning verergert, en op een gegeven moment gebruikt iemand niet meer voor het genot maar om het tekort te dempen. Een van hun voorbeelden waren eendenkuikens die gehecht raakten aan een bewegend voorwerp. Hoe langer de hechting, hoe harder ze piepten als het voorwerp werd weggehaald.
Leg dat naast een lang huwelijk en het past griezelig goed. De vlinders zijn weg, het verlangen bij afwezigheid groeit. Oude stellen zeggen het vaak in één adem: we voelen niet meer zo veel, maar ik kan niet zonder hem. Een teken van een uitgedoofde relatie is dat niet. Het tweede proces heeft het eerste ingehaald, meer niet.
In dit model zijn houden van en missen inderdaad twee kanten van één mechanisme. Alleen is dat mechanisme niet de liefde. Het is de regeling. Het organisme regelt evenwicht; de liefde is het verhaal dat het over die regeling vertelt.
Mijn
Een Amerikaanse filosoof en psycholoog schreef aan het eind van de negentiende eeuw dat het zelf van een mens niet ophoudt bij zijn huid. Het omvat alles wat hij het zijne kan noemen: zijn lichaam, zijn kleren, zijn huis, zijn vrouw en kinderen, zijn reputatie, zijn werk. Raakt hij er iets van kwijt, dan voelt hij zich niet alleen beroofd maar verkleind. Het was een gedachte, geen meting. Honderd jaar later werd het een meting.
Echtparen kregen een lijst eigenschappen en moesten zo snel mogelijk aangeven of die bij henzelf pasten. Bij eigenschappen waarin ze van hun partner verschilden, aarzelden ze langer en maakten ze meer fouten. Wie zelf punctueel is en een slordige partner heeft, twijfelt een fractie van een seconde bij het woord slordig. Het brein haalt ik en mijn partner door elkaar. Dezelfde onderzoekers lieten mensen kiezen uit een reeks plaatjes van twee cirkels die steeds verder overlappen, en dat ene simpele plaatje voorspelt verbazend goed of een relatie standhoudt.
Een andere psycholoog keek naar geheugen. Stellen verdelen wat ze onthouden. De een kent de verjaardagen, de ander weet waar de polissen liggen, welke loodgieter vorig jaar wel kwam en hoe de verwarming ontlucht wordt. Samen vormen ze één geheugen met twee ingangen. Wie zijn partner verliest, verliest dus letterlijk een deel van zijn eigen geheugen. De weduwnaar die niet meer weet bij welke oogarts ze liepen, mist niet alleen zijn vrouw; hij mist een stuk van zijn eigen administratie.
Mensen die net uit een relatie komen, weten ook aantoonbaar minder scherp wie ze zelf zijn. Onderzoekers maten het en zetten boven hun artikel de vraag die iedereen in die situatie stelt: wie ben ik zonder jou?
Hier ligt de betekenis van het woord mijn. In een lange relatie ontstaat iets wat je mijn noemt: mijn man, mijn vrouw, mijn mensen. Dat bezittelijk voornaamwoord is geen eigendomsclaim. Het is een grensverlegging. De ander is een onderdeel van jezelf geworden, en bij verlies raak je dus niet iets kwijt wat naast je stond. Je raakt iets van jezelf kwijt. Er moet een nieuw evenwicht gevonden worden, met minder onderdelen dan het oude. Liefde verlegt het evenwicht van het organisme naar buiten. Missen is de rekening voor die uitbesteding.
Gezien worden
Wat houdt die uitbesteding in stand? Mijn eerste antwoord was: gezien worden. Daarmee bedoel ik niet bewonderd of begrepen worden, maar de kale bevestiging dat je bestaat en dat je ertoe doet voor iemand.
Hoe hard die behoefte is, liet een experiment zien dat in zijn eenvoud bijna beledigend is. Proefpersonen speelden op een computer een balspel met twee andere spelers. Ze gooiden een virtuele bal over en weer. Na een paar worpen gooiden de anderen de bal alleen nog naar elkaar. Drie minuten genegeerd worden door onbekenden, via een scherm, in een spel zonder inzet. Mensen voelden zich er aantoonbaar beroerd onder: boos, verdrietig, alsof ze even ophielden te bestaan. In de scanner lichtten gebieden op die ook bij lichamelijke pijn actief worden. De onderzoeker die het spel bedacht, onderscheidt vier behoeften die door negeren worden geraakt, en één ervan noemt hij letterlijk het gevoel van een betekenisvol bestaan. Een socioloog had er decennia eerder al een begrip voor gemunt: ertoe doen. Je bestaat pas echt als je voor iemand verschil maakt.
Het gewicht van die bevestiging hangt af van wie haar geeft. Gezien worden door een vreemde betekent weinig; gezien worden door die ene persoon betekent alles. Dat sluit aan op de hand in de scanner, die pas echt hielp als het de eigen echtgenoot was. De bevestiging weegt zo zwaar als de waarde die je de ander hebt toegekend.
Is liefde dan gezien worden? Als definitie leek me dat eerst te smal. Het maakt liefde tot iets wat je ontvangt, en de ander tot een spiegel. En wat doe je dan met de ouder die zielsveel houdt van een pasgeborene die hem in geen enkele betekenis ziet? Of met de verliefde die jaren houdt van iemand die nauwelijks merkt dat hij bestaat?
Bij nader inzien zijn die tegenvoorbeelden zwakker dan ze lijken. De baby stuurt wel degelijk iets terug, en vroeg. Grote ogen, een bol voorhoofd, een klein kinnetje: een set prikkels die bij volwassenen zorggedrag uitlokt, ook bij een pop, een puppy of een tekenfilmfiguur. Rond zes weken komt de eerste sociale glimlach. Een Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog liet moeders van baby’s van een paar maanden een minuut lang strak en uitdrukkingsloos kijken. De baby’s deden eerst extra hun best, lachten, wezen, kraaiden; daarna protesteerden ze; daarna stortten ze in. Een passieve ontvanger ziet er anders uit. Dit is een overlevingsmachine die een volwassene bespeelt, en de volwassene leest het als liefde. Hij vertaalt aanhankelijkheid in genegenheid, omdat hij geen andere taal heeft.
En de ouder houdt van wat hij verwacht, niet van het DNA. Waar baby’s in het ziekenhuis werden verwisseld en het pas jaren later uitkwam, kozen ouders vaak voor het kind dat ze hadden grootgebracht. Waar ze wel terugruilden, omdat bloed in die cultuur zwaarder woog, liep het zelden goed af. De band zit in de investering en in de opgestapelde geschiedenis van verwachtingen, niet in de wieg.
De onbeantwoorde liefde past er net zo goed in. De verliefde die niets terugkrijgt, leest snippers als bevestiging: een blik, een late reactie op een bericht, een groet die net iets te lang duurde. Het brein ervaart zijn eigen voorspelling als iets wat het waarneemt. De reflectie hoeft niet te bestaan; ze moet alleen gelezen kunnen worden.
Daarmee schuift de definitie op. Liefde is iets wat het organisme zelf maakt, uit een behoefte, en waarvoor het bevestiging vindt in een reflectie die het als zodanig interpreteert. Er zit geen mannetje in het hoofd dat besluit om lief te hebben. Er is een organisme dat voortdurend gokt welke gedachten en gevoelens het op dit moment nodig heeft, en dat die gok laat bevestigen of afwijzen door de context. Gezien worden is de brandstof. Je neemt de ander in je op, en de ander betaalt de huur door je te zien.
Gelijk om de verkeerde reden
Terug naar de columniste. Want het ergerlijke is dat zij grotendeels uitkomt waar dit verhaal uitkomt. Haar slot, dat je iemand na tien, twintig, vijftig jaar niet kunt weghalen en hetzelfde leven min één overhouden, is de filosoof met zijn bezittelijk voornaamwoord, zijn de cirkels die overlappen, is het gedeelde geheugen. Ze heeft gelijk. Ze weet alleen niet waarom.
Haar bewijs is haar eigen leven. Ze vond de liefde toen ze moe, rommelig en behoeftig was, dus komt liefde wanneer je moe, rommelig en behoeftig bent. Dat is de klassieke denkfout van de overlevende: je ziet alleen wie het haalde. De duizenden rommelige, behoeftige mensen bij wie het eindigde in een afhankelijkheid die meer op gijzeling leek, schrijven geen stuk over hun avond op een muurtje. Ze noemt die variant wel even, en schuift hem dan weg als de uiterste vorm. Maar precies daar zit de vraag die ertoe doet: wanneer is iemand nodig hebben gezond, en wanneer niet? Daarover zwijgt ze.
Dan de toon, de bron van mijn ergernis. Visfoto, frisdrank uit de nachtwinkel, een scheve knot, gelul. Slordigheid is het niet; het is echtheidsretoriek. Ze rekent af met het decorum van de datingshow, met de bingokaart vol leuke baan, vriendengroep, eigen huisje en een bungeejump aan de andere kant van de wereld, en zet er een anti-decorum voor in de plaats. Alleen is de scheve knot net zo goed kostuum als de bungeejump. Wie het gepolijste zelf afwijst door het ongepolijste zelf te etaleren, doet aan dezelfde zelfpresentatie met andere rekwisieten. Ze ziet de pose van een ander haarscherp en die van zichzelf niet. Dat is menselijk, en in een stuk over echtheid toch niet helemaal zonder komische waarde.
Ze slaat ook een stropop. Niemand die serieus over relaties nadenkt, beweert dat behoefte vies is. Ze vecht tegen de oneliners van datingshowkandidaten en een dragqueen, wat haar de overwinning garandeert en weinig eer oplevert.
Het jammere is dat de wetenschap haar gelijk geeft, en beter dan zijzelf het kan. Een Amerikaanse relatiepsychologe volgde stellen en keek wat er gebeurde als de een zijn behoefte aan steun liet zien. Mensen van wie de partner die behoefte accepteerde, werden in de maanden daarna aantoonbaar zelfstandiger: ze namen meer initiatief, waagden meer en haalden vaker hun eigen doelen. Afhankelijkheid die beantwoord wordt, maakt onafhankelijk. Elke ouder van een peuter kent die paradox: het kind dat zeker weet dat je er bent, loopt het verst bij je vandaan. Met die ene studie had de columniste haar stuk van anekdote naar argument kunnen tillen.
Maar ze had ook moeten weten waar het cliché dat ze afschiet een kern van waarheid bevat. Mensen met een laag zelfbeeld onderschatten stelselmatig hoeveel hun partner om hen geeft. Ze geloven de bevestiging niet. Ze testen haar, ze trekken zich terug om de afwijzing voor te zijn, en saboteren zo de relatie waar ze van afhankelijk zijn. Eerst van jezelf houden is als dogma onzin, als waarschuwing niet. Wie niet gelooft dat hij gezien kan worden, kan de spiegel niet lezen. De brandstof komt binnen en de motor slaat niet aan.
Haar interessantste vermoeden laat ze bijna terloops vallen: dat de terecht bevochten economische onafhankelijkheid van vrouwen ongemerkt is doorgeschoten naar een emotioneel ideaal, alsof je niemand nodig zou mogen hebben. Daar valt meer over te zeggen dan zij doet. Sociologen beschrijven al jaren hoe de liefde in rijke landen is omgebouwd tot een markt van keuzes en een project van zelfontplooiing. De partner hoort bij te dragen aan jouw groei, net als een goede sportschool of een cursus mindfulness. Wie zo kijkt, wantrouwt afhankelijkheid vanzelf, want afhankelijkheid laat zich niet beheren. Een cultuur die autonomie verheerlijkt en afhankelijkheid wantrouwt, levert mensen af die zowel banger als eenzamer zijn, en die dat dan als zelfstandigheid op hun profiel zetten.
Een andere kachel
Als de thermostaat van slag raakt doordat de kachel weg is, ligt een vraag voor de hand die zelden hardop wordt gesteld. Kan een andere kachel het overnemen? Een andere hand, ander gezelschap, een ander bed?
Het antwoord begint weer bij de rattenjongen. Wat in de verhalen over dat onderzoek meestal ontbreekt: de moeder bleek stuk voor stuk vervangbaar. Een warmtekussen herstelde de lichaamstemperatuur. Voeding via een slangetje herstelde de hartslag. Met een nat penseel over de rug strijken, ongeveer zoals een moeder likt, bracht een deel van de groei terug. Geen van die vervangers was de moeder. Elk nam één regelaar over. De thermostaat blijkt geen enkele knop te zijn maar een schakelkast, en een deel van de schakelaars reageert op elke warme hand.
Bij mensen is dat niet anders. De hand van de vreemde in de scanner hielp óók, alleen minder dan die van de echtgenoot. De huid heeft eigen zenuwvezels die vooral reageren op langzaam strelen, ongeveer het tempo van een hand die over een arm gaat, en die vezels vragen niet van wie de hand is. Ze vertragen de hartslag, drukken het stresshormoon en verbeteren de slaap. Onderzoek naar massage laat bescheiden effecten zien; de bekendste onderzoekers op dat gebied hebben ze groter gemaakt dan ze zijn, maar ze zijn er.
Seks hoort in hetzelfde rijtje, alleen een paar maten groter. Er komen opiaten vrij, oxytocine, prolactine; de slaap daarna is dieper. En er komt iets bij wat geen masseur levert: begeerd worden. Wie begeerd wordt, krijgt de sterkste bevestiging die er bestaat dat hij er nog is en dat hij ertoe doet voor iemand. Gezien worden in zijn meest lichamelijke vorm. Weduwen en weduwnaars beschrijven niet zelden een plotselinge, felle seksuele behoefte kort na het verlies, tot hun eigen verbazing en vaak tot hun schaamte. Vanuit het organisme bekeken is daar weinig raadselachtigs aan. Het systeem staat in het rood en grijpt naar de krachtigste regelaar die het kent. De schaamte komt later, uit het verhaal.
Onderzoek naar mensen die na een breuk snel een nieuwe partner nemen, door de omgeving meewarig een rebound genoemd, vond geen bijzondere ellende. Het vond het omgekeerde: meer zelfvertrouwen, minder hangen aan de ex. Dat ging over breuken en niet over sterfgevallen, maar het mechanisme is hetzelfde. De nieuwe kachel regelt bij wat de oude achterliet.
Tot zover het goede nieuws. Want er is een tweede soort schakelaar, en die reageert niet op elke warme hand.
Een Amerikaanse socioloog maakte in de jaren zeventig een onderscheid dat nog altijd overeind staat. Er bestaan twee soorten eenzaamheid. Sociale eenzaamheid is het ontbreken van een netwerk, van mensen om je heen, en die verhelp je met vrienden, familie, een vereniging, aandacht. Emotionele eenzaamheidis het ontbreken van die ene persoon, de hechtingsfiguur, en daar doet een netwerk verbazend weinig aan. Je kunt in een volle zaal emotioneel eenzaam zijn en in een leeg huis sociaal tevreden. Onderzoek onder weduwen en weduwnaars bevestigde het later. Steun van anderen maakte iedereen wat minder somber, of hij nu rouwde of niet, maar verkleinde de rouw zelf nauwelijks. Aandacht van de buren is geen vervanging. Het is een verwarming in een andere kamer.
De reden past in het model van het voorspellende brein. Een neurowetenschapper die rouw onderzoekt, beschrijft het als een kaart. Op die kaart staat de partner, op een vaste plek in huis, op vaste tijden, met een vaste stem en een vaste geur. Het brein blijft die kaart raadplegen: het hoort de sleutel in het slot, het zet twee kopjes neer, het draait zich om in bed. Elke keer volgt een voorspellingsfout. De kaart wordt niet gewist doordat iemand anders je hand vasthoudt. Ze moet worden afgeleerd, voorspelling voor voorspelling, ochtend voor ochtend. Rouw is in die opvatting minder een wond die heelt dan een leerproces dat tijd vraagt. Vervangende aanraking regelt het lichaam bij; ze leert de kaart niets.
Een nieuwe seksuele ervaring kan zelfs extra voorspellingsfouten opleveren. Het lichaam verwacht een bekende geur, een bekend ritme, een bekende reactie, en krijgt iets anders. Of het verhaal dat het organisme over zichzelf vertelt, noemt het verraad, en dan gaat het stresshormoon omhoog in plaats van omlaag. Moraal komt daar niet aan te pas. Het is interpretatie, en de interpretatie bepaalt wat het lichaam met de aanraking doet. Dezelfde hand kalmeert of alarmeert, afhankelijk van het verhaal eromheen.
Is het dan helend? Dat hangt af van wat je onder helen verstaat. Als het betekent: het lichaam bijregelen, de slaap terugbrengen, de bevestiging geven dat je nog bestaat voor iemand, dan ja, en de cijfers suggereren dat het levens scheelt. Bij weduwnaars ligt de sterfte in de eerste jaren na het verlies sterker verhoogd dan bij weduwen. Mannen zoeken ook sneller en vaker een nieuwe partner. Dat die twee samengaan is waarschijnlijk geen toeval: wie het meest heeft uitbesteed, staat bij verlies het diepst in het rood en grijpt het hardst naar een nieuwe kachel. Wie wordt aangeraakt, eet, slaapt en blijft leven.
Als helen betekent: het gat dichten, de ander vervangen, dan nee. Een nieuwe hechting kan na verloop van tijd een nieuwe regeling opbouwen, met een nieuw mijn erin. Maar dat is een nieuwe thermostaat, geen gerepareerde oude. De oude kaart blijft liggen. Ze wordt alleen minder vaak opengevouwen.
En wie denkt dat iedereen na een groot verlies jaren in puin ligt, mag zich geruststellen, al is het slecht nieuws voor de rouwindustrie. Ongeveer de helft van de mensen komt het verlies van een partner opvallend veerkrachtig door, zonder therapie en zonder vervanging. Een kleinere groep, rond de tien procent, blijft jaren vastzitten. Voor die groep is aandacht van anderen nodig, maar niet genoeg. Het organisme is taaier dan de condoleancekaart veronderstelt.
De gok
Er blijft één ongemak. Een model waarin liefde een constructie is uit behoefte, bevestigd door een reflectie die we zelf interpreteren, kan alles verklaren. Elk tegenvoorbeeld wordt dan ook projectie. De moeder die van haar kind houdt: projectie. De verliefde die nooit iets terugkreeg: projectie. Een theorie die niets verbiedt, voorspelt ook niets, en dan is ze niet veel beter dan een horoscoop met voetnoten.
De redding zit in het woord gok. Een gok kan verliezen. Het organisme bouwt de liefde, maar de werkelijkheid moet blijven bevestigen, anders volgt een voorspellingsfout. De constructie is vrij, de toetsing niet. Daarmee is liefde geen pure illusie maar een hypothese die het organisme dagelijks laat toetsen en die het hardnekkig verdedigt, omdat er zoveel in geïnvesteerd zit.
Dat maakt het model weerlegbaar, en het doet voorspellingen. Liefde kalft af als de bevestiging structureel uitblijft. Ze is taaier naarmate er meer mijn in zit. En stellen die elkaar zelden zien, idealiseren elkaar, omdat er weinig werkelijkheid is die de gok kan tegenspreken. Dat laatste is onderzocht bij stellen die lang op afstand hadden geleefd en weer bij elkaar introkken. Een flink deel ging binnen een paar maanden alsnog uit elkaar. Het missen had de liefde opgeblazen; de aanwezigheid liet de lucht eruit.
Een Franse romanschrijver wist dat een eeuw geleden al. Zijn held wordt pas echt verliefd op een vrouw op de avond dat hij haar nergens in Parijs kan vinden. We missen niet alleen wat we liefhebben. We hebben ook lief wat we missen.
Missen is dus niet de keerzijde van liefde. Het is de keerzijde van gehechtheid, van de uitbesteding van je eigen regeling aan iemand anders. Liefde is het verhaal dat het organisme over die uitbesteding vertelt, en gezien worden is de bevestiging die dat verhaal elke dag opnieuw geloofwaardig maakt. Missen begint wanneer de bevestiging stopt en de voorspelling blijft draaien. Het organisme gokt elke ochtend dat er iemand is voor wie het bestaat, en verliest elke ochtend.
In de sportzaal heeft het woord nog een betekenis. Missen is daar: niet raken. Je slaat, het lichaam heeft zich al schrap gezet voor de treffer, de heup draait, het gewicht gaat mee naar voren. En de vuist gaat door de lucht waar een hoofd had moeten zitten. Iedere vechter weet dat een stoot die mist meer kost dan een stoot die raakt; er is niets wat de kracht opvangt, dus vangt het eigen lichaam haar op, in de elleboog, in de schouder, in het evenwicht. Je valt half voorover, naar een plek waar niemand meer staat.
Literatuur
In volgorde van verschijnen in het essay.
- Vera Mulder, “Het boeit de liefde niet of je er ‘klaar’ voor bent”, De Correspondent. De aanleiding. https://decorrespondent.nl/17006/het-boeit-de-liefde-niet-of-je-er-klaar-voor-bent/a4fc0533-8337-09cb-3c8a-d65dabf55a12
- John Bowlby, Attachment and Loss, deel 2 Separation (1973) en deel 3 Loss (1980). Protest, wanhoop, onthechting; met James Robertson, wiens filmpjes van kinderen in het ziekenhuis het beeld bepaalden.
- Myron Hofer, “Hidden regulators in attachment, separation, and loss”, Monographs of the Society for Research in Child Development (1994). De moeder als verzameling verborgen regelaars.
- James Coan, Hillary Schaefer & Richard Davidson, “Lending a hand: social regulation of the neural response to threat”, Psychological Science (2006). De hand in de scanner.
- James Coan & David Sbarra, “Social Baseline Theory: the social regulation of risk and effort”, Current Opinion in Psychology (2015).
- David Sbarra & Cindy Hazan, “Coregulation, dysregulation, self-regulation”, Personality and Social Psychology Review (2008).
- Lisa Feldman Barrett, How Emotions Are Made (2017) en Seven and a Half Lessons About the Brain (2020). Het lichaamsbudget, affectief realisme.
- Jaak Panksepp & Lucy Biven, The Archaeology of Mind (2012). Het scheidingssysteem en de lichaamseigen opiaten.
- Tristen Inagaki e.a., “Opioids and social bonding: naltrexone reduces feelings of social connection”, Social Cognitive and Affective Neuroscience (2016).
- Helen Fisher e.a., “Reward, addiction, and emotion regulation systems associated with rejection in love”, Journal of Neurophysiology (2010).
- Oliver Bosch e.a., “The CRF system mediates increased passive stress-coping behavior following the loss of a bonded partner in a monogamous rodent”, Neuropsychopharmacology (2009). De woelmuizen.
- Donatella Marazziti e.a., “Alteration of the platelet serotonin transporter in romantic love”, Psychological Medicine (1999).
- Richard Solomon & John Corbit, “An opponent-process theory of motivation”, Psychological Review (1974). Roes en kater; de eendenkuikens komen uit het vervolgonderzoek met Howard Hoffman.
- Peter Sterling, What Is Health? Allostasis and the Evolution of Human Design (2020). Waarom aanpassing iets anders is dan herstel.
- William James, The Principles of Psychology (1890), hoofdstuk X, “The Consciousness of Self”.
- Arthur Aron, Elaine Aron, Michael Tudor & Greg Nelson, “Close relationships as including other in the self”, Journal of Personality and Social Psychology (1991).
- Daniel Wegner, “Transactive memory: a contemporary analysis of the group mind”, in Mullen & Goethals (red.), Theories of Group Behavior (1987).
- Erica Slotter, Wendi Gardner & Eli Finkel, “Who am I without you? The influence of romantic breakup on the self-concept”, Personality and Social Psychology Bulletin (2010).
- Kipling Williams, Ostracism: The Power of Silence (2001). Het balspel en de vier behoeften.
- Naomi Eisenberger, Matthew Lieberman & Kipling Williams, “Does rejection hurt? An fMRI study of social exclusion”, Science (2003).
- Morris Rosenberg & B. Claire McCullough, “Mattering: inferred significance and mental health among adolescents”, Research in Community and Mental Health (1981).
- Konrad Lorenz, “Die angeborenen Formen möglicher Erfahrung”, Zeitschrift für Tierpsychologie(1943). Het kindchenschema.
- Edward Tronick e.a., “The infant’s response to entrapment between contradictory messages in face-to-face interaction”, Journal of the American Academy of Child Psychiatry (1978). Het still-face-experiment.
- Sarah Blaffer Hrdy, Mother Nature (1999) en Mothers and Others (2009). Moederliefde als voorwaardelijk.
- Brooke Feeney, “The dependency paradox in close relationships: accepting dependence promotes independence”, Journal of Personality and Social Psychology (2007).
- Sandra Murray, John Holmes & Nancy Collins, “Optimizing assurance: the risk regulation system in relationships”, Psychological Bulletin (2006).
- Eva Illouz, Why Love Hurts (2012).
- Eli Finkel, The All-or-Nothing Marriage (2017).
- Laura Stafford & Andy Merolla, “Idealization, reunions, and stability in long-distance dating relationships”, Journal of Social and Personal Relationships (2007).
- Marcel Proust, Un amour de Swann (1913).
- Andy Clark, The Experience Machine (2023). De toegankelijkste uitleg van het voorspellende brein.
Bij het deel “Een andere kachel”:
- Myron Hofer, “Hidden regulators in attachment, separation, and loss” (1994). De stuk voor stuk vervangbare moeder.
- Line Löken, Johan Wessberg, India Morrison, Francis McGlone & Håkan Olausson, “Coding of pleasant touch by unmyelinated afferents in humans”, Nature Neuroscience (2009). De zenuwvezels voor langzaam strelen.
- Christopher Moyer, James Rounds & James Hannum, “A meta-analysis of massage therapy research”, Psychological Bulletin (2004). Bescheidener dan de folders.
- Claudia Brumbaugh & R. Chris Fraley, “Too fast, too soon? An empirical investigation into rebound relationships”, Journal of Social and Personal Relationships (2015).
- Robert Weiss, Loneliness: The Experience of Emotional and Social Isolation (1973). Sociale tegenover emotionele eenzaamheid.
- Wolfgang Stroebe, Margaret Stroebe, Georgios Abakoumkin & Henk Schut, “The role of loneliness and social support in adjustment to loss”, Journal of Personality and Social Psychology(1996).
- Mary-Frances O’Connor, The Grieving Brain (2022). Rouw als afleren van een kaart.
- J. Robin Moon, Naoki Kondo, M. Maria Glymour & S.V. Subramanian, “Widowhood and mortality: a meta-analysis”, PLoS ONE (2011).
- Deborah Carr, “The desire to date and remarry among older widows and widowers”, Journal of Marriage and Family (2004).
- George Bonanno, The Other Side of Sadness (2009). Veerkracht als regel, niet als uitzondering.
