Beste lezer,
Vandaag een essay over mensen die een doel zoeken en er een kopen dat hen klein houdt.
In het kort. Het begint bij een stuk over dansen, waarin samen bewegen wordt gepresenteerd als medicijn tegen eenzaamheid en polarisatie. Dat klopt maar half: wat een groep bindt, trekt ook een grens. Daarna gaat het over vrije tijd, die ons vroeger werd afgepakt en nu in overvloed is, en over een Amsterdamse beurs waar zingeving aan de kraam wordt verkocht. Wie een doel nodig heeft, is een gemakkelijke klant, en een doel waar je identiteit aan vastzit, laat zich slecht bijstellen. Toch is volgen geen zonde; zonder kopiëren waren we nooit uit de grot gekomen.
De conclusie: beoordeel een doel niet op hoe warm het voelt, maar op hoeveel deuren het openhoudt.
Tel vanavond eens de deuren die jouw doelen voor je dichthouden.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Het doel dat je kansen kost
De dansvloer
Een journaliste staat op een festival. Zon, een dj die weet wat hij doet, links een man in een gewatteerde kimono, rechts twee vrouwen onder de glitter. Ergens tussen het derde en het vierde biertje slaat de twijfel toe. De wereld staat in brand: oorlog, klimaat, eenzaamheid, polarisatie. En wij staan te springen in de maat. Is dat geen decadentie, dansen op de vulkaan? [1]
Het stemmetje dat die vraag stelt, noemt ze zelf calvinistisch. Ze is er niet mee opgevoed en heeft het toch. Wat volgt is een zoektocht met een uitkomst die al vaststond voordat de eerste bron werd geopend. Dansen blijkt oud en goed. Het bond onze voorouders aan elkaar toen hun groepen te groot werden om elkaar nog allemaal te vlooien [2]. Het maakt endorfine en oxytocine aan. Het helpt tegen eenzaamheid en daarmee, zo gaat de redenering verder, tegen polarisatie, verrechtsing en machteloosheid. De kerk verbood het, de fabriek temde het, de kolonisator vond het primitief. Wie danst, verzet zich. Een verstandige burgemeester zou feesten subsidiëren.
Het is geen onaardig stuk. Het is met plezier geschreven, en de auteur geeft aan het slot zelf toe dat haar redenering misschien vooral haarzelf dient. Die bekentenis is sympathiek. Ze verandert alleen niets aan de redenering. Biechten is iets anders dan corrigeren; juist een calvinist had dat verschil moeten kennen.
De morele vraag zelf is snel beantwoord. Er wordt altijd ergens gestorven. Als feesten pas mocht na de laatste oorlog, had de mensheid nooit gedanst en hadden de calvinisten hun gelijk gekregen zonder het ooit te hoeven bewijzen. Interessanter is de sprong die het stuk maakt. Van een lichamelijk gegeven, samen bewegen bindt, naar een politieke belofte, samen bewegen geneest de samenleving. Van “ik voel me verbonden” naar “wij worden er betere mensen van”. In die sprong zit een denkfout die verder reikt dan een festivalweide. Ik kwam hem dezelfde week tegen op een heel andere plek: een Amsterdamse beurs waar je aan een kraam een levensdoel kon ophalen.
Dit essay loopt van de dansvloer, via de geschiedenis van de vrije tijd, naar die beurs, en van daar naar de vraag waar het eigenlijk om gaat. Dat mensen een doel nodig hebben, staat hier niet ter discussie. Zonder doel geen richting, zonder richting geen leven dat die naam verdient. De vraag is welk doel je kansen vergroot en welk doel ze verkleint. En waarom zoveel mensen vrijwillig, en met een glimlach, voor het tweede tekenen.
Wat bindt, sluit buiten
Eerst wat klopt, want er klopt veel. Samen in de maat bewegen doet meetbaar iets met mensen. Wie een tijdje synchroon met anderen heeft gedanst, verdraagt daarna meer pijn en voelt zich sterker verbonden met de rest van de zaal [3]. Pijntolerantie geldt daarbij als graadmeter voor endorfine; de stof zelf werd niet gemeten, maar het patroon is consistent. Mensen die samen marcheren, tikken of zingen, vertrouwen elkaar daarna meer en werken beter samen. Een overzichtsstudie van tientallen experimenten bevestigt het: het effect is echt, het is bescheiden, en het geldt vooral voor wie meedeed [4].
Die laatste bijzin ontbreekt in het dansstuk. Daar begint het probleem.
Synchronie maakt mensen niet aardiger. Ze maakt ze aardiger voor elkaar, en dat is wat anders. In een experiment liepen proefpersonen eerst in de pas met een ander, of juist uit de pas. Wie in de pas had gelopen, ging daarna gewilliger in op het verzoek van die ander om een derde te benadelen [5]. Samen bewegen verhoogt de bereidheid om te volgen. Of je daarmee een buurman helpt of een vreemde schaadt, hangt af van wie de pas aangeeft.
Legers weten dat al eeuwen. Een historicus die als jonge dienstplichtige urenlang op het exercitieterrein had gestaan, beschreef later hoe de drill boerenzoons veranderde in eenheden die zonder nadenken op commando bewogen [6]. Hij herinnerde zich er een vreemd gevoel van welbehagen en uitvergroting bij, en noemde het “muscular bonding”. Het dansstuk noemt marcherende soldaten in één adem met schommelende kleuters, als voorbeeld van verbondenheid. Dat klopt. Het klopt alleen op een manier die de auteur niet bedoelde. De partijdagen in Neurenberg hadden ook een uitstekende beat.
Hetzelfde geldt voor het knuffelhormoon. Oxytocine heet in populaire stukken het stofje van liefde en vertrouwen. In het laboratorium bleek het vooral iets anders te doen: het versterkte de zorg voor de eigen groep en de bereidheid die groep te verdedigen tegen een andere [7]. Lijm voor de eigen kring, scherpte voor de rest. Daar komt bij dat veel oxytocine-onderzoek bij nadere controle wankel bleek; de spectaculaire effecten lieten zich slecht herhalen [8]. Een stofje dat zowel onzeker als tweesnijdend is, vormt een armzalig fundament onder een feestsubsidie.
Het stuk leunt ook op een Franse socioloog die het verschijnsel “collectieve bruising” noemde [9]. (Het stuk maakt hem Duits en dateert zijn boek in zijn sterfjaar, vijf jaar te laat; dat terzijde.) Hij beschreef hoe de extase van een gezamenlijk ritueel een losse verzameling mensen omsmeedt tot een gemeenschap. Klopt. Bij hem was dat alleen precies het mechanisme dat het heilige van het profane scheidt, de clan van de buitenstaander, het totem van wat er niet onder valt. De bruising maakt de groep, en een groep heeft per definitie een rand. Wie hem citeert als medicijn tegen polarisatie, citeert een slagersmes als argument voor vegetarisme.
Dan de dansmanieën van de late middeleeuwen. In het stuk zijn ze een rebels vasthouden aan het oudste ritueel van de mens. Het beste historische onderzoek naar de bekendste uitbraak, Straatsburg in 1518, vertelt een grimmiger verhaal [10]. De stad zat in een reeks misoogsten, met honger, ziekte en religieuze angst. Mensen dansten dagenlang tegen hun zin door, sommigen tot ze erbij neervielen. Het stadsbestuur huurde zelfs muzikanten in en bouwde een podium, in de veronderstelling dat de dansers het eruit konden dansen. Het maakte het erger. Dans was hier geen medicijn tegen ellende. Het was er een symptoom van.
Uit de sport ken ik dezelfde les van binnenuit. “Sport verbindt” staat op elke subsidieaanvraag. In Irak zette men na de verdrijving van IS christelijke voetballers in teams met moslims. Ze gingen zich beter gedragen tegenover hun moslimteamgenoten. Tegenover moslims in het algemeen veranderde er nauwelijks iets [11]. Sport verbindt dus wel. Lokaal, onder voorwaarden, en vooral wie toevallig hetzelfde shirt aanheeft. Wie ooit in een dojo in een rij heeft gestaan, tegelijk heeft gestoten en tegelijk heeft gebogen, kent het gevoel van een groep die als één lichaam beweegt. Wat de groep sterker maakt, maakt hem ook gehoorzamer en vechtlustiger. Allemaal tegelijk, in dezelfde maat.
Een korte geschiedenis van de vrije tijd
Het dansstuk vertelt de geschiedenis van de vrije tijd als een geschiedenis van onderdrukking. Kerk, kapitalisme en kolonialisme pakten de mens zijn feest af [12]. Daar zit wat in. In het middeleeuwse Frankrijk was naar verluidt een kwart van de kalender feestdag. Engelse arbeiders hielden tot ver in de negentiende eeuw “Sint Maandag” in ere, een dag om bij te komen van het weekend of het weekend nog wat op te rekken. Een historicus van de Engelse arbeidersklasse beschreef hoe de fabriek daar een eind aan maakte [13]. De klok, de fabrieksbel en de boete voor wie te laat kwam, leerden een plattelandsbevolking die op seizoenen en klussen leefde, om op minuten te leven. De calvinisten leverden er de moraal bij: ledigheid is des duivels oorkussen.
Wat het verhaal overslaat, is dat de macht nooit tegen synchronie was. Ze was tegen synchronie zonder macht. De kerk verbood het dansen in het schip en liet tegelijk honderden mensen samen zingen, knielen en opstaan, op haar maat. Het leger verbood drinkgelagen en liet duizenden mannen in de pas lopen. De fabriek schafte Sint Maandag af en zette arbeiders aan een band waar ze in hetzelfde ritme dezelfde beweging maakten. Het samen bewegen was nooit het probleem. Het probleem was wie de maat sloeg.
Daarna draaide het. De vrije tijd werd teruggevochten: achturendag, vrije zaterdag, vakantiewetgeving. Wat eerst een privilege van de bovenlaag was, werd bezit van iedereen. Dat privilege had al een eigen sociologie gekregen. Een Amerikaanse econoom beschreef eind negentiende eeuw hoe de rijke klasse haar status toonde door zichtbaar niets nuttigs te doen: lange vakanties, nutteloze kennis, kleding waarin je onmogelijk kon werken [14]. Ledigheid als uithangbord. Wie niet hoefde, liet zien dat hij niet hoefde.
Verspild werd die vrije tijd niet altijd. De afschaffing van de slavernij, de drankbestrijding, de armenzorg en het vrouwenkiesrecht werden in de negentiende eeuw voor een groot deel gedragen door vrouwen uit de middenklasse, die geen betaalde baan hadden en wel tijd, opleiding en een geweten. Een Franse aristocraat die Amerika bereisde, zag in die verenigingsdrift de ruggengraat van de democratie [15]. Vrije tijd is dus geen ontaarding. Ze is de grondstof van zo ongeveer elk maatschappelijk initiatief dat ooit iets heeft veranderd. Wie haar de schuld geeft, zaagt aan de poot waar hij zelf op zit.
Na de Tweede Wereldoorlog volgde de grote verschuiving. Toen in het Westen brood, dak en veiligheid voor de meesten geregeld waren, schoven de waarden van een generatie op. Een politicoloog mat het in de jaren zeventig voor het eerst: hoe welvarender en veiliger iemand opgroeide, hoe meer hij hechtte aan zelfexpressie, inspraak en idealen, en hoe minder aan orde en inkomen [16]. Wie niet hoeft te vechten voor zijn eten, gaat vechten voor zijn identiteit. Nederland staat al decennia in de hoek van de wereldkaart waar die verschuiving het verst is doorgeschoten: rijk, veilig, ontkerkelijkt.
En daar zit de angel. De vrije tijd is terug, maar de structuur die haar vroeger vulde, is weg. De middeleeuwse feestdag hoorde bij een kalender die zei wanneer, waarom en met wie je feestte. Sint Maandag hoorde bij een gilde en een kroeg. De negentiende-eeuwse weldoenster had een kerk, een vereniging en een stand. De moderne mens heeft een vrije zaterdag, een smartphone en de opdracht er zelf iets van te maken. Wie niets hoeft, moet kiezen. Dat is zwaarder dan het klinkt, en het verklaart meer dan een tekort aan dansfeesten.
De beurs
Deze week was er in Amsterdam een evenement waar wie activist wilde worden, langs de kramen van tientallen goede doelen kon lopen. Een televisiereportage, gemaakt aan de rand omdat de camera niet naar binnen mocht, gaf een beeld dat weinig te raden overliet. Een meerderheid vrouwen. Veel Palestijnse vlaggen. Een sfeer van zoeken, en een aanbod dat op zoekers was ingericht.
Over het conflict waar die vlaggen voor staan, zegt dit essay niets. Dat is een ander onderwerp, met een eigen geschiedenis, eigen doden en eigen leugens aan meer dan één kant. Het gaat hier om de vlag als signaal, en om wat een signaal kost.
Een Israelische bioloog formuleerde in de jaren zeventig een principe dat het dierenrijk verklaart en de mensenwereld nauwelijks minder [17]. Een signaal is alleen geloofwaardig als het iets kost. De pauw met zijn belachelijke staart zegt: kijk eens wat ik me kan veroorloven. Een signaal dat niets kost, kan iedereen afgeven, en zegt dus niets. Dat levert een interessante vraag op over de vlag op een Amsterdamse beurs. In geld kost hij een paar euro. In aanzien levert hij in die omgeving alleen maar op. Waar zit dan de kosten?
Daar kom ik op terug, want het antwoord is het hart van dit essay. Eerst de goedkope kant.
Een Amerikaanse psycholoog die opgroeide in pleeggezinnen en via het leger aan de universiteit belandde, beschreef wat hij “luxury beliefs” noemt [18]. Opvattingen die status opleveren voor wie ze uitdraagt, terwijl de kosten terechtkomen bij anderen, meestal bij mensen die zich zulke opvattingen niet kunnen permitteren. De econoom van de nietsnutten uit 1899 zou het herkennen. Waar de rijke van toen zijn status toonde met zichtbare ledigheid, toont zijn achterachterkleinkind die met zichtbare compassie. De kleding is veranderd; het mechanisme bleef.
Dan de vrouwen. Dat is geen toeval, en het is evenmin toeval dat het in een rijk land zo zichtbaar is. Gemiddeld scoren vrouwen hoger op meegaandheid en op betrokkenheid bij het lijden van anderen. Die verschillen zijn klein per persoon en zeggen niets over de vrouw naast je, maar op groepsniveau zijn ze stabiel. Het verrassende is waar ze het grootst zijn. Twee economen vergeleken de voorkeuren van mannen en vrouwen in zesenzeventig landen [19]. Hoe rijker en gelijkwaardiger het land, hoe groter de verschillen. Welvaart en keuzevrijheid vlakken de geslachten niet af. Ze maken zichtbaar wat er al in zat, omdat mensen meer kunnen kiezen naar hun neiging en minder naar hun noodzaak. Luxe als vergrootglas.
Er speelt meer. In een reeks experimenten kregen mensen eerst een romantische prikkel te verwerken, een foto, een fantasie, en daarna de keuze tussen allerlei vormen van besteding en hulp [20]. Mannen gingen opzichtig consumeren en riskant heldhaftig doen. Vrouwen gingen meer helpen, mits dat in het openbaar gebeurde. Anoniem helpen steeg niet. Liefdadigheid in het openbaar is dus ook paringsgedrag. De man met het dure horloge op dezelfde beurs doet precies hetzelfde, alleen met een ander rekwisiet.
En dan is er de selectie. Een beurs voor activisme trekt een voorspelbaar publiek, zoals een autobeurs dat doet. Wie er een dwarsdoorsnede van de samenleving in ziet, vergist zich. Wie er een dwarsdoorsnede van de zoekende samenleving in ziet, vergist zich een stuk minder.
Zingeving aan de kraam
Wie langs zo’n rij kramen loopt, loopt over een markt. Het woord is letterlijk bedoeld.
Een Amerikaanse sociologe beschreef hoe het maatschappelijk middenveld in een paar decennia van gedaante wisselde [21]. Vroeger waren verenigingen lidmaatschapsorganisaties, met lokale afdelingen, vergaderingen, verkiezingen en leden die elkaar kenden. Vanaf de jaren zeventig werden het professionele organisaties met een hoofdkantoor in de hoofdstad, een marketingafdeling en een achterban die vooral betaalt. Het lid werd donateur, de donateur werd doelgroep. Je hoeft elkaar niet meer te kennen. Je hoeft alleen nog te machtigen.
Nederland volgde hetzelfde pad. Wie op straat wordt aangesproken door een betaalde werver met een tablet, staat al in wat de verkoopwereld een funnel noemt: aandacht trekken, betrokkenheid wekken, de machtiging binnenhalen, de donateur vasthouden. Het jargon komt rechtstreeks uit de handel, en het werkt ook zo. Een goed doel heeft een merk, een huisstijl, een doelgroepanalyse en een concurrent die op dezelfde zaterdag op dezelfde beurs staat.
De scherpste kritiek hierop komt niet van rechts. Een collectief van Amerikaanse feministische activisten publiceerde een bundel met een titel die het samenvat: de revolutie wordt niet gefinancierd [22]. Hun stelling was dat het subsidie- en stichtingswezen verzet ombouwt tot een loopbaan en de activist tot een klant. Wie zijn salaris betaalt uit een probleem, heeft er belang bij dat het probleem blijft. Ook bewegingen zijn organismen, met een stofwisseling die gevoed moet worden. Een opgelost probleem is een failliete organisatie.
De man die de reclame uitvond zoals wij die kennen, een neef van Freud, begreep in de jaren twintig al hoe dit werkt [23]. Je verkoopt geen product. Je verkoopt wat iemand wordt als hij het koopt. Hij liet vrouwen in een paasoptocht roken en noemde hun sigaretten fakkels van de vrijheid; een tabaksfabrikant verkocht zo emancipatie per pakje. Een eeuw later loopt dezelfde techniek de andere kant op. Je verkoopt geen machtiging, je verkoopt een identiteit. Wie tekent, is iemand. Wie niet tekent, is iemand anders, en waarschijnlijk iemand die je liever niet wilt zijn.
Wat op zo’n beurs zelden wordt gevraagd, is wat een euro of een uur bij die ene kraam oplevert, vergeleken met de kraam ernaast. Dat is opvallend, omdat het de enige vraag is die er voor de ontvanger toe doet. Mensen kiezen een doel zoals ze een trui kiezen. Niet: wat doet dit? Wel: hoe sta ik erin?
Waar het denken stopt
Waarom is de zoekende mens zo’n gemakkelijke klant? Omdat hij iets zoekt wat het denken beëindigt.
Een psychoanalyticus die voor de nazi’s was gevlucht, schreef in 1941 een boek over de vraag waarom zoveel mensen hun vrijheid zo gretig hadden ingeleverd [24]. Zijn antwoord: vrijheid van iets is nog geen vrijheid tot iets. Wie losgemaakt is van kerk, stand en dorp, staat er alleen voor. Dat is een last, en de meeste mensen ontvluchten die last. De een onderwerpt zich aan een gezag, de ander lost op in de massa. Het gat wordt gevuld door wie het eerst een antwoord aanbiedt.
Tien jaar later schreef een Amerikaanse havenarbeider en autodidact een klein boek dat nog altijd scherper is dan de meeste vakliteratuur [25]. Massabewegingen, betoogde hij, zijn onderling inwisselbaar. Ze bedienen dezelfde klant: iemand die zijn eigen leven onvoldoende vindt en het wil inruilen voor iets groters. De inhoud van de leer is bijzaak. Hij zag mensen van het ene uiterste naar het andere overlopen, omdat het nooit om de leer ging. Het ging om de overgave.
Recenter onderzoek naar radicalisering ziet hetzelfde patroon, in drie onderdelen [26]. Een behoefte: honger naar betekenis en erkenning. Een verhaal dat zegt wie goed is, wie fout, en wat je moet doen. En een netwerk van mensen die het verhaal delen en je belonen als je meedoet. Leg dat naast de beurs en je ziet een kraam met precies die drie dingen: het zoekende publiek, de folder met het verhaal, de lijst om je op in te schrijven. Radicalisering op lage temperatuur, met dezelfde mechaniek en zonder de bommen.
Waarom het denken daar stopt, beschrijft een sociaal-psycholoog met zijn theorie over onzekerheid en identiteit [27]. Hoe onzekerder mensen zijn over wie ze zijn, hoe sterker ze trekken naar groepen met scherpe grenzen, duidelijke leiders en weinig ruimte voor twijfel. Twijfel is nu juist wat ze kwijt willen. Een groep die twijfel toelaat, lost hun probleem niet op.
Ik heb daar zelf een werkhypothese bij. Mensen zijn twijfelaars op zoek naar zekerheid. Anderen overtuigen is vooral een manier om jezelf te overtuigen; elke nieuwe gelijkgestemde is een bewijsstuk in je eigen dossier. Wie aan de kraam een doel haalt, haalt er een klankkast bij, en een klankkast spreekt nooit tegen.
Hier moet ik mezelf tegenspreken, want dit verhaal is te mooi. Volgen is geen ontsporing. Een antropoloog liet uitgebreid zien dat kopiëren de motor van de menselijke soort is [28]. Niemand toetst zelf of de aarde rond is, of een vaccin werkt, of de onderzoekers in dit essay goed hebben gemeten. Ik ook niet. We besteden het grootste deel van ons wereldbeeld uit aan mensen die we vertrouwen, en dat is geen zwakte, maar de reden dat we niet meer in grotten wonen. Wie alles zelf wil uitzoeken, komt niet verder dan het vuur.
Het probleem is dus niet dat mensen volgen. Het probleem is wat ze volgen: een pakket waarin het doel en de identiteit aan elkaar zijn gelast. Dan wordt bijstellen duur. Een rechtswetenschapper die onderzoekt hoe mensen met bewijs omgaan, liet zien dat slimme mensen niet beter, maar juist slechter worden in het eerlijk wegen van bewijs zodra dat bewijs hun groep raakt [29]. Ze zetten hun verstand in om het onwelgevallige weg te redeneren. Het bewijs accepteren zou hun de groep kosten, en de groep is wie ze zijn.
Wie een doel heeft, kan van gedachten veranderen. Wie een doel is, kan dat alleen door zichzelf op te geven.
Kansen
Dan de vraag waar het mij om gaat. Ik ben niet tegen het hebben van een doel. Integendeel: een organisme zonder richting verspilt zijn energie. Ik ben tegen een doel dat mijn kansen verkleint.
Stel je een organisme voor aan een roulettetafel, met een beperkt aantal fiches. Tijd, energie, aandacht, het vertrouwen van anderen. Elk doel is een inzet. De vraag is niet of je inzet, want wie nooit inzet, verliest zijn fiches langzaam aan de bank. De vraag is waarop. Er zijn inzetten die, als ze verkeerd vallen, je laten doorspelen, met meer kennis en meer mensen om je heen. En er zijn inzetten die alles op één vak zetten en de tafel achter je op slot doen.
Een socioloog ontdekte in de jaren zeventig iets wat elke werkzoekende had kunnen vertellen [30]. Mensen vinden hun baan zelden via hun beste vrienden. Ze vinden die via kennissen, de vage contacten aan de rand van hun netwerk. De reden is simpel. Je beste vrienden weten wat jij weet en kennen wie jij kent. Je kennissen leven in andere werelden en zien kansen die jij niet ziet. De kracht zit in de zwakke banden.
Een politicoloog maakte daar later een onderscheid van dat het dansstuk goed had kunnen gebruiken [31]. Er is sociaal kapitaal dat bindt, binnen de eigen groep, en sociaal kapitaal dat overbrugt, tussen groepen. Het eerste geeft warmte, steun en zekerheid. Het tweede geeft toegang, informatie en kansen. Het dansstuk eindigt met de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, die oproept te investeren in sociaal kapitaal. Het hele stuk gaat over de eerste soort. De tweede komt er niet in voor.
Hier ligt het criterium. Een doel dat je aan een groep bindt en daarbij de bruggen naar andere groepen opblaast, ruilt overbruggend kapitaal in voor bindend kapitaal. Het voelt als winst, want het voelt warm. Het is verlies, want de deuren gaan dicht.
En nu het antwoord op de vraag van de vlag. Waar zit de kost van een signaal dat in je eigen omgeving niets kost? In de deuren die het buiten die omgeving sluit. Wie zijn identiteit aan een zaak hangt, loopt niet meer onbevangen binnen bij de buurman, bij de werkgever met een andere mening, bij de familie aan de overkant van het debat. Dat verlies is reëel, en juist daarom werkt het signaal binnen de groep. Het bewijst dat je je bruggen hebt verbrand. Je kunt niet meer terug, dus ben je te vertrouwen. De groep beloont je voor de kansen die je hebt ingeleverd.
Hoe ver dat kan gaan, blijkt uit onderzoek naar wat psychologen identiteitsfusie noemen [32]. Bij sommige mensen vloeit het persoonlijke zelf samen met de groep. Wat de groep overkomt, overkomt hen. Gefuseerde mensen verklaren zich vaker bereid voor de groep te vechten en te sterven, ook voor groepsgenoten die ze nooit hebben ontmoet. Dat is het uiterste van het spectrum. Op de beurs liep het lauwe midden. De richting is dezelfde.
Daar komt de mechaniek van de verzonken kosten bij [33]. Wie veel in iets heeft gestoken, gaat ermee door, ook als het niets meer oplevert, omdat stoppen zou betekenen dat de eerdere investering voor niets was. Hoe meer tijd, geld en vrienden een doel heeft gekost, hoe moeilijker het wordt om het los te laten. Het doel dat je kansen verkleint, versterkt zichzelf: elke deur die dichtgaat, maakt de overgebleven deur kostbaarder.
Ook hier moet ik mezelf afremmen, want het omgekeerde is evengoed een val. In een experiment konden mensen kiezen tussen deuren die elk een beloning gaven; deuren die niet werden bezocht, krompen en verdwenen [34]. De proefpersonen bleven geld uitgeven om deuren open te houden die ze nooit gebruikten, en verdienden daardoor minder dan wie gewoon koos. Wie alle deuren open wil houden, gaat nergens naar binnen. Een ambacht leren sluit deuren. Een huwelijk ook. Een sportschool opbouwen ook. Dat zijn geen slechte doelen.
Het verschil zit dus niet in het sluiten van deuren. Het zit in wat er ligt achter de deur waar je doorheen gaat. Een ambacht sluit tien deuren en opent er twintig: je kunt iets, en wie iets kan, wordt gevraagd door mensen van allerlei slag. Een identiteitsdoel sluit tien deuren en opent er één, die van de eigen groep. Een essayist die van onzekerheid zijn handelsmerk maakte, noemde de eerste eigenschap optionaliteit: een positie waarin je kunt profiteren van wat je niet zag aankomen, zonder dat het je de kop kost als het tegenvalt [35]. Een goed doel levert optionaliteit op. Een slecht doel verkoopt die.
In de sportzaal zie ik het verschil al meer dan vijftig jaar. Er is de leerling die traint om beter te worden. Die kan stoppen, wisselen, ouder worden en iets anders gaan doen, en neemt mee wat hij heeft geleerd. En er is de leerling die vechter is geworden. Die kan niet stoppen als het lichaam zegt dat het genoeg is geweest, omdat stoppen zou betekenen dat hij niemand meer is. De eerste had een doel. De tweede was er een.
Vooruit
In 1930, midden in een wereldcrisis, schreef een Britse econoom een kort stuk over de economische vooruitzichten van zijn kleinkinderen [36]. Hij voorspelde dat de productiviteit zo zou stijgen dat de mens over een eeuw nog maar een paar uur per dag hoefde te werken. Het economische probleem zou dan opgelost zijn, en er zou een ander voor in de plaats komen: hoe vul je je vrije tijd zonder er gek van te worden? Hij vreesde een zenuwinzinking op grote schaal.
Hij was een eeuw te vroeg, of misschien precies op tijd. Als kunstmatige intelligentie de komende twintig jaar een flink deel van het denkwerk overneemt, krijgen we wat hij beschreef: meer vrije tijd, minder identiteit via werk, en een samenleving die nog verder van kerk en vereniging is afgedreven. Dan zijn zingevingsbeurzen geen randverschijnsel meer. Dan worden ze de nieuwe kerken, met kramen in plaats van biechtstoelen en een QR-code in plaats van de collectezak.
De kraam zelf zal dan overbodig zijn. Een algoritme dat weet waar jij boos, eenzaam of schuldig over bent, kan je een zaak voorschotelen die precies in jouw gat past. Aanbevelingssystemen deden dat eerst met schoenen, toen met nieuws, nu met overtuigingen. De werver met de tablet is handwerk. Zijn opvolger zit in je broekzak, kent je beter dan je jezelf kent, en heeft geen lunchpauze.
Aan de kraam gaat het licht nooit aan. Daar teken je voor een feest dat met je mee naar huis gaat, je vrienden voor je uitzoekt en de deur achter je dichtdoet.
Op de dansvloer gaat om vier uur het licht aan. De dj pakt zijn platen in, iemand veegt de glitter bij elkaar, en iedereen loopt de ochtend in, terug naar buren, collega’s en familie die op een ander nummer dansten.
Literatuur
- Berger, L. (z.j.). Dance, baby! Op de dansvloer wapen je je tegen machteloosheid. De Correspondent. https://corr.es/8f2dbf
- Dunbar, R. (2021). Friends: Understanding the Power of Our Most Important Relationships. Londen: Little, Brown.
- Tarr, B., Launay, J., Cohen, E. & Dunbar, R. (2015). Synchrony and exertion during dance independently raise pain threshold and encourage social bonding. Biology Letters, 11(10).
- Mogan, R., Fischer, R. & Bulbulia, J. A. (2017). To be in synchrony or not? A meta-analysis of synchrony’s effects on behavior, perception, cognition and affect. Journal of Experimental Social Psychology, 72, 13-20.
- Wiltermuth, S. S. (2012). Synchronous activity boosts compliance with requests to aggress. Journal of Experimental Social Psychology, 48(1), 453-456.
- McNeill, W. H. (1995). Keeping Together in Time: Dance and Drill in Human History. Cambridge (MA): Harvard University Press.
- De Dreu, C. K. W. e.a. (2010). The neuropeptide oxytocin regulates parochial altruism in intergroup conflict among humans. Science, 328(5984), 1408-1411.
- Nave, G., Camerer, C. & McCullough, M. (2015). Does oxytocin increase trust in humans? A critical review of research. Perspectives on Psychological Science, 10(6), 772-789.
- Durkheim, É. (1912). Les formes élémentaires de la vie religieuse. Parijs: Alcan.
- Waller, J. (2008). A Time to Dance, a Time to Die: The Extraordinary Story of the Dancing Plague of 1518. Cambridge: Icon Books.
- Mousa, S. (2020). Building social cohesion between Christians and Muslims through soccer in post-ISIS Iraq. Science, 369(6505), 866-870.
- Ehrenreich, B. (2007). Dancing in the Streets: A History of Collective Joy. New York: Metropolitan Books.
- Thompson, E. P. (1967). Time, work-discipline, and industrial capitalism. Past & Present, 38, 56-97.
- Veblen, T. (1899). The Theory of the Leisure Class. New York: Macmillan.
- Tocqueville, A. de (1835-1840). De la démocratie en Amérique. Parijs: Gosselin.
- Inglehart, R. (1977). The Silent Revolution: Changing Values and Political Styles Among Western Publics. Princeton: Princeton University Press.
- Zahavi, A. & Zahavi, A. (1997). The Handicap Principle: A Missing Piece of Darwin’s Puzzle. Oxford: Oxford University Press.
- Henderson, R. (2024). Troubled: A Memoir of Foster Care, Family, and Social Class. New York: Gallery Books.
- Falk, A. & Hermle, J. (2018). Relationship of gender differences in preferences to economic development and gender equality. Science, 362(6412).
- Griskevicius, V., Tybur, J. M., Sundie, J. M., Cialdini, R. B., Miller, G. F. & Kenrick, D. T. (2007). Blatant benevolence and conspicuous consumption: When romantic motives elicit strategic costly signals. Journal of Personality and Social Psychology, 93(1), 85-102.
- Skocpol, T. (2003). Diminished Democracy: From Membership to Management in American Civic Life. Norman: University of Oklahoma Press.
- INCITE! Women of Color Against Violence (red.) (2007). The Revolution Will Not Be Funded: Beyond the Non-Profit Industrial Complex. Cambridge (MA): South End Press.
- Bernays, E. (1928). Propaganda. New York: Horace Liveright.
- Fromm, E. (1941). Escape from Freedom. New York: Farrar & Rinehart.
- Hoffer, E. (1951). The True Believer: Thoughts on the Nature of Mass Movements. New York: Harper & Row.
- Kruglanski, A. W., Bélanger, J. J. & Gunaratna, R. (2019). The Three Pillars of Radicalization: Needs, Narratives, and Networks. New York: Oxford University Press.
- Hogg, M. A. (2007). Uncertainty-identity theory. Advances in Experimental Social Psychology, 39, 69-126.
- Henrich, J. (2016). The Secret of Our Success. Princeton: Princeton University Press.
- Kahan, D. M. (2013). Ideology, motivated reasoning, and cognitive reflection. Judgment and Decision Making, 8(4), 407-424.
- Granovetter, M. S. (1973). The strength of weak ties. American Journal of Sociology, 78(6), 1360-1380.
- Putnam, R. D. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. New York: Simon & Schuster.
- Swann, W. B., Jetten, J., Gómez, Á., Whitehouse, H. & Bastian, B. (2012). When group membership gets personal: A theory of identity fusion. Psychological Review, 119(3), 441-456.
- Arkes, H. R. & Blumer, C. (1985). The psychology of sunk cost. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 35(1), 124-140.
- Shin, J. & Ariely, D. (2004). Keeping doors open: The effect of unavailability on incentives to keep options viable. Management Science, 50(5), 575-586.
- Taleb, N. N. (2012). Antifragile: Things That Gain from Disorder. New York: Random House.
- Keynes, J. M. (1930). Economic possibilities for our grandchildren. Herdrukt in Essays in Persuasion (1931). Londen: Macmillan.
