Beste lezer,
Vandaag een essay dat begint bij een vraag die niemand op een verjaardag hardop stelt: heb jij dezelfde vader als je broer of zus?
In het kort. Een Cambridge-onderzoeker rekende voor elf zoogdiersoorten uit hoeveel broers en zussen een gedeelde vader hebben, als maat voor hoe monogaam een soort werkelijk is. Bevers scoren torenhoog, meerkatten laag, en de mens komt er middenin uit: 66 procent.
Ik heb hier eerder geschreven dat geen mens monogaam is, ikzelf inbegrepen. Dat cijfer dwingt me die zin terug te nemen. Het grootste deel van het verschil met honderd procent blijkt geen ontrouw te zijn maar hertrouw, na dood, verlating of iets beters. Mensen zijn niet ontrouw binnen hun relatie, ze vervangen hun relatie.
De conclusie is minder schokkend dan mijn eigen eerdere stelling, en precies daarom dichter bij de waarheid.
Zoek voor de grap eens uit wat jouw eigen sibling-ratio zou zijn.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Tussen de bever en de meerkat
Ergens in een archief bij Cambridge ligt een spreadsheet met zoogdieren gerangschikt op trouw. Niet op gedrag, niet op wat een dier doet als de deur van de kooi opengaat, maar op wat de genen van zijn kroost verraden. Mark Dyble, archeoloog, telde voor elf sociaal-monogame soorten hoeveel broers en zussen in een nest of gezin dezelfde vader hebben. Veel volledige sibs, dan is een soort monogaam waar het telt: bij de voortplanting. Veel halfsibs, dan is de sociale mal een dekmantel voor iets losers. De bever haalt 73 procent. De meerkat 60. De mens: 66. Plaats zeven van elf, netjes tussen het knaagdier met het strengste huwelijksbootje en het stokstaartje dat in het wild bekendstaat om precies de verkeerde redenen.
Ik heb hier eerder een absolute uitspraak gedaan, zwart op wit, voor het archief: geen mens is monogaam, ik ook niet, en dat ik mijn vrouw zestig jaar geleden tegenkwam noem ik toeval, zoals alles toeval is. Diezelfde week schreef ik “Hij heeft jouw neus”, over de kraamkamer als verificatieritueel, over vaderschapsonzekerheid als de eigenlijke motor achter het huwelijk, over de foklorecijfers van tien procent koekoekskinderen die bij nader onderzoek uitkomen op ergens tussen de één en twee procent. Dat cijfer, dat kleine cijfer, was mijn bewijs dat het systeem werkt zoals het bedoeld is: mannen bouwen een controlemechanisme, vrouwen ontduiken het af en toe, en de uitkomst is een compromis dat niemand hardop uitspreekt. Dyble’s 66 procent zet daar iets naast dat ik niet kan wegwuiven met een schouderophaal.
Vierendertig procent halfsibs is namelijk geen 34 procent bedrog. Dat is de eerste correctie die ik mezelf moet opleggen voordat ik verder redeneer. Een populatie waarin bijna niemand vreemdgaat kan nog altijd een hoop halfbroers en -zussen produceren, simpelweg omdat mensen hun partner verliezen en een nieuwe nemen. Dood in het kraambed, dood op je veertigste van iets waar nu een pilletje voor bestaat, verlating, echtscheiding sinds die er ook mag zijn: elke overgang van partner A naar partner B levert, als er kinderen uit beide relaties komen, halfsibs op zonder dat er ook maar één keer is vreemdgegaan. Extraparentale paternity, het stiekeme kind bij de buurman, blijft volgens de cijfers die ik al aanhaalde ergens rond de één tot twee procent hangen binnen een lopende relatie. De rest van het gat tussen 66 en de 98 procent die je zou verwachten als iedereen zijn hele reproductieve leven bij één partner blijft, wordt dus grotendeels gevuld door iets anders dan verraad. Het wordt gevuld door herhaling.
Dat is precies waar mijn eigen stelling het niet redt in de vorm waarin ik hem heb opgeschreven. “Geen mens is monogaam” suggereert een soort die stelselmatig, binnen elke relatie, de afspraak breekt. De data zeggen iets preciezer en minder vleiends voor mijn eigen scherpte: mensen zijn, per verbintenis, overwegend trouw in de smalle biologische zin die telt, namelijk wie de vader is. Wat mensen niet zijn, is levenslang bij één verbintenis. Ze herhalen het proces. Ze vormen een paar, dat paar breekt door dood of verveling of iets beters dat langsloopt, en dan vormen ze een volgend paar. Seriële monogamie, geen promiscuïteit, is het patroon dat uit de sibling-ratio’s naar voren komt, en dat is een andere claim dan ik heb gedaan.
Nu is de verleiding om hier de tegenaanval te openen. Ik zou kunnen zeggen dat Dyble’s maat te grof is, dat een sibling-ratio niets zegt over verlangen, over de nacht dat het bijna misging, over de fantasie die iedereen heeft en bijna niemand uitvoert. Dat klopt zelfs. Een genetische boekhouding meet gedrag na de feiten, niet de aandrift ervoor. Maar dat verweer redt mijn stelling niet, het verplaatst hem alleen naar een plek waar hij niet meer te toetsen is, en dat is precies het soort truc dat ik anderen aanreken wanneer ze hun stelling onaantastbaar willen maken door hem onmeetbaar te maken. Als “geen mens is monogaam” alleen nog waar is op het niveau van de onuitgevoerde fantasie, dan is het een uitspraak over verbeelding, niet over gedrag, en mijn hele project draait juist om gedrag, niet om wat zich afspeelt tussen de oren voordat het lichaam iets doet.
Dus herzie ik de zin. Niet de premisse eronder, die staat nog: er is geen bestuurder die kiest voor levenslange trouw als deugd, er is alleen een organisme dat een partner behoudt zolang die partner de goedkoopste beschikbare optie blijft, en vervangt zodra dat niet meer zo is, door dood, door een betere kans, door uitputting van wat er ooit was. Wat verdwijnt is de suggestie dat dit vervangen voortdurend en bij iedereen gebeurt binnen de lopende relatie. Het gebeurt tussen relaties. De mens is, statistisch, een dier dat zich hertrouwt, niet een dier dat voortdurend bedriegt. Dat is minder schokkend dan mijn oorspronkelijke zin, en precies daarom waarschijnlijk dichter bij waar.
Voor mijn eigen huwelijk verandert dat de rekening niet, hij verscherpt hem. Zestig jaar met dezelfde vrouw, geen vervanging, geen nieuwe ronde. In Dyble’s tabel zit ik dan niet bij het gemiddelde, ik zit aan de kant van de bever: de verbintenis die nooit is opengebroken, niet omdat ik hem met wilskracht dichthield, maar omdat zich nooit een reden voordeed die groot genoeg was om hem te breken, en omdat zij evenmin die reden vond. Dat is nog altijd toeval, geen verdienste, geen deugd waarvoor ik een medaille verdien. Maar het is toeval van een specifiek soort: het toeval van een lange rij dagen waarop de vervangingsdrempel nooit werd gehaald, niet het toeval van een lot dat één keer werd getrokken en daarna heilig verklaard.
Wat Dyble’s cijfers wel overeind laten staan, en dat is het punt waarmee ik dit stuk had willen openen als ik minder eerlijk had willen zijn, is de asymmetrie tussen wat een soort sociaal beweert en wat zijn genen registreren. Mensen noemen zichzelf overal ter wereld monogaam als sociale norm, in wetboeken, in geloofsbelijdenissen, in trouwbeloftes voor een altaar. De genen zeggen 66 procent, geen 95, geen 40. Dat gat tussen de norm en de meting is niet gedicht door mijn correctie, het is juist scherper geworden nu ik weet dat het niet om bedrog gaat maar om herhaling. Een soort die zijn eigen herhalingsgedrag verkoopt als een eenmalige, voor het leven bezegelde keuze, liegt niet over ontrouw. Hij liegt over continuïteit. En dat is een leugen die dieper zit dan de leugen die ik eerst had aangewezen.
Literatuurlijst
Dyble, M. (2025). “Human monogamy in mammalian context.” Proceedings of the Royal Society B, 292(2060), 20252163. De kernstudie: de sibling-ratiomethode en de plaatsing van de mens tussen bever en meerkat.
Lukas, D. & Clutton-Brock, T.H. (2013). “The Evolution of Social Monogamy in Mammals.” Science, 341(6145), 526-530. Grootschalige fylogenetische analyse: monogamie bij zoogdieren evolueert vooral als reactie op vrouwelijke spreiding en infanticiderisico, niet als afspraak.
Opie, C., Atkinson, Q.D., Dunbar, R.I.M. & Shultz, S. (2013). “Male infanticide leads to social monogamy in primates.” PNAS, 110(33), 13328-13332. Zelfde these toegespitst op primaten: mannelijke kindermoord als drijvende kracht achter paarbinding, geen deugd in zicht.
Anderson, K.G. (2006). “How Well Does Paternity Confidence Match Actual Paternity? Evidence from Worldwide Nonpaternity Rates.” Current Anthropology, 47(3), 513-520. De bron achter de gecorrigeerde 1 à 2 procent, tegenover de hardnekkige tien-procent-folklore.
Greeff, J.M. & Erasmus, J.C. (2015). “Three hundred years of low non-paternity in a human population.” Heredity, 114(3), 205-212. Genealogisch en Y-chromosomaal bewijs over 330 jaar: cuckoldry rond de 1 procent, ook ver voor de pil en de DNA-test.
Fisher, H. (1992). Anatomy of Love: A Natural History of Monogamy, Adultery, and Divorce. Norton. De klassieke populair-wetenschappelijke onderbouwing van seriële, geen levenslange, paarvorming bij de mens.
Hrdy, S.B. (1999). Mother Nature: A History of Mothers, Infants, and Natural Selection. Pantheon. Voor wie de partible-paternity-kant van dit verhaal wil, uitgewerkt in “Hij heeft jouw neus”.
Luhmann, N. (1968). Vertrauen: Ein Mechanismus der Reduktion sozialer Komplexität. Enke. Vertrouwen als energiebesparing, het mechanisme dat een verbintenis draaiende houdt zolang niemand het test.
Schelling, T.C. (1960). The Strategy of Conflict. Harvard University Press. Voor het commitment-device-argument achter de trouwbelofte, ook toegepast in “Hij heeft jouw neus”.
