Beste lezer,
Vandaag een essay over een jongen in de kleedkamer. Hij zit met een ijszak tegen zijn kaak en heeft al een keurige verklaring voor een klap die hij nooit heeft zien aankomen.
In het kort. Vraag mensen waarom ze iets deden en ze antwoorden vlot en overtuigd. Toch raadt een buitenstaander die niets van ze weet het net zo goed. Ons brein plakt achteraf een passend verhaal op gedrag dat ergens anders vandaan kwam, en de eerste die erin trapt zijn we zelf. Niet alles is verzonnen. Een doel (waartoe) bestaat vaak niet, een oorzaak (waardoor) wel, en die kun je meten en soms zelfs vooraf voorspellen. Wie lang genoeg doorvraagt, komt ook bij oorzaken die gewoon zijn aangenomen. Wetenschap onderscheidt zich alleen doordat ze haar eigen verhalen durft af te schieten.
Conclusie: hoe dichter je bij jezelf komt, hoe meer je verklaring een verhaal wordt, en over je eigen gedrag ben je de minst betrouwbare getuige.
Vraag jezelf na het lezen af waarom je het las, en kijk hoe snel het antwoord klaarligt.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Het verslag achteraf
De kleedkamer ruikt naar linimentolie en verloren tijd. De jongen op de bank heeft een ijszak tegen zijn kaak en een verklaring klaar. Hij liet zijn rechterhand zakken, zegt hij, omdat zijn schouder verzuurd was van de tweede ronde. Daardoor kwam die hoek erdoor. Hij zegt het rustig, met de stelligheid van iemand die erbij was.
Dat was hij niet. De klap kwam van links, buiten zijn blikveld, en hij heeft hem niet gezien. Er was geen moment waarop hij besloot zijn hand te laten zakken. Er was een schouder, een hand, een tegenstander en een gat, en daarna een plafond met tl-buizen. Wat hij me nu vertelt, is een reconstructie die binnen tien minuten na het bijkomen gereedlag. Morgen is ze waar.
Ik heb dat gesprek in vijftig jaar een paar honderd keer gevoerd. Het verhaal verschilt, de stelligheid nooit.
*
Er is geen waarom. Elk antwoord is een verklaring achteraf, en in het gunstigste geval een benadering van wat er gebeurde. Voor menselijk gedrag is dat de nuchtere stand van het onderzoek.
Leg mensen een keuze voor en vraag daarna waarom ze kozen wat ze kozen. Ze antwoorden vlot en overtuigd. Vraag vervolgens buitenstaanders, die niets van de kiezer weten, te raden waarom hij zo koos. De gok van de buitenstaander blijkt even goed als de verklaring van de kiezer zelf. De kiezer had geen betere toegang tot zijn eigen motieven. Hij had alleen meer zelfvertrouwen.
Bij patiënten van wie de verbinding tussen beide hersenhelften is doorgesneden, gaat het een stap verder. Geef de rechterhelft een opdracht die de linkerhelft niet te zien krijgt, en de hand voert haar uit. Vraag dan waarom. De linkerhelft, die over taal gaat en van niets weet, levert zonder aarzeling een reden. Geen leugen, geen twijfel. Een verhaal dat past, gemaakt door het deel van het brein dat verhalen maakt, over gedrag dat ergens anders vandaan kwam.
Dat lijkt een defect van een beschadigd brein. Het is de standaardinstelling van een heel brein, alleen beter zichtbaar. Morele oordelen volgen hetzelfde patroon: eerst het oordeel, dan de argumenten, en als de argumenten op zijn, blijft het oordeel gewoon staan. Redeneren is niet blijven bestaan omdat het waarheid oplevert, maar omdat het wel overtuigt.Het werkt in een groep die wil weten of je te vertrouwen bent, en het werkt het best bij wie het uitspreekt. Het waarom dat een mens over zijn eigen gedrag geeft, is in de eerste plaats een persbericht. De lezer is de groep. De eerste lezer is hijzelf.
“In het gunstigste geval een benadering” is daarmee nog gul. Bij zelfverklaring is het gunstigste geval zeldzaam.
*
Toch klopt de zin niet helemaal, en het lek zit in het woord zelf. Waarom draagt twee betekenissen die we zelden uit elkaar houden: waartoe en waardoor.
Waartoe vraagt naar een doel. Waarom regent het? Opdat de oogst groeit. Waarom stierf hij jong? Omdat het zo moest zijn. Dat waarom bestaat niet. Er ligt geen plan klaar voordat iets gebeurt, en er is niemand die het opstelt. Een zeventiende-eeuwse mysticus schreef dat de roos zonder waarom is: ze bloeit omdat ze bloeit. Daar valt weinig aan te verbeteren.
Waardoor vraagt naar een oorzaak, en die vraag heeft wel een antwoord. De roos bloeit zonder waarom, niet zonder waardoor. Een spier trekt samen omdat er calcium vrijkomt in de vezel. Een verhaal achteraf is dat niet; wel een mechanisme dat je in het lab kunt aan- en uitzetten, zo vaak als je wilt, met dezelfde uitkomst. Wie beweert dat er geen waarom is en daarmee ook het waardoor bedoelt, gooit de fysiologie weg met de theologie.
Een tweede lek: niet elke verklaring komt achteraf. Paleontologen die een overgangsvorm tussen vis en landdier zochten, rekenden uit hoe oud het gesteente moest zijn waarin zo’n dier kon liggen. Ze zochten een plek waar zulk gesteente aan de oppervlakte kwam, groeven jarenlang in de kou, en vonden het dier waar de theorie het had gelegd. Die verklaring wees aan wat nog niemand had gezien.
Het brein werkt net zo. Waarnemen is voorspellen wat er binnen gaat komen, waarna de zintuigen de voorspelling bijstellen. De vuist die je ziet aankomen, zie je eigenlijk niet aankomen. Je voorspelt hem, en je ogen corrigeren. Wie te laat voorspelt, ligt op de bank met een ijszak. De motor draait vóór de gebeurtenis; het verslag komt erna.
*
Daarmee verschuift de stelling, maar ze sneuvelt niet. Er is een waardoor, en ook dat houdt ergens op. Een kind dat blijft doorvragen, krijgt elke volwassene klein. Waarom valt de appel? Zwaartekracht. Waarom is er zwaartekracht? Massa kromt de ruimte. Waarom doet massa dat? Op een gegeven moment zegt iedereen, de natuurkundige incluis, iets in de trant van: zo is het nu eenmaal. Verklaringen hebben een bodem, en die bodem is zelf niet verklaard. Hij is aangenomen.
Ook wetenschap is dan een gedeeld verhaal dat gedrag coördineert. Van religie en ideologie verschilt ze niet doordat ze waar is. Ze verschilt doordat ze haar eigen verhalen kan afschieten. Een theorie die een fossiel voorspelt dat niet gevonden wordt, gaat de prullenbak in. Een verhaal in de kleedkamer gaat nergens heen. Het wordt bij elke navertelling beter.
Zo ontstaat een glijdende schaal. In de natuurkunde is het waarom nauwelijks een verhaal, in de biologie deels, over de mens bijna helemaal, en over jezelf het meest. Hoe dichter je bij jezelf komt, hoe meer je verklaring een verhaal wordt; hoe verder je van jezelf af staat, hoe meer je verhaal een verklaring wordt.
De zin zelf is trouwens niet onschuldig. “Hier ist kein Warum” zei een bewaker in Auschwitz tegen een gevangene die vroeg waarom hij geen ijspegel mocht afbreken om zijn dorst te lessen. Dezelfde observatie, uitgesproken door iemand die de macht had om haar waar te maken. Het universum geeft geen verantwoording af. Wie het voor het zeggen heeft, hoeft dat evenmin.
*
De jongen uit de kleedkamer heb ik een week later de video laten zien. Hij keek hoe zijn rechterhand een fractie te laat terugkwam na een jab, hoe de hoek van links kwam, hoe zijn hoofd wegdraaide. Hij knikte. “Zie je,” zei hij. “Die schouder.”
Op de beelden is geen schouder te zien. Alleen een hand die te laat is, en een jongen die daar een reden voor heeft.
Literatuur
Clark, A. (2023). The Experience Machine. How Our Minds Predict and Shape Reality. Pantheon.
Feynman, R. (1983). Fun to Imagine (BBC), fragment over magneten en de waarom-vraag.
Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in Charge? Free Will and the Science of the Brain. Ecco.
Haidt, J. (2012). The Righteous Mind. Pantheon.
Hume, D. (1748). An Enquiry Concerning Human Understanding.
Levi, P. (1947). Se questo è un uomo. Nederlands: Is dit een mens.
Mayr, E. (1961). Cause and effect in biology. Science, 134, 1501–1506.
Mercier, H. & Sperber, D. (2017). The Enigma of Reason. Harvard University Press.
Nisbett, R. E. & Wilson, T. D. (1977). Telling more than we can know. Psychological Review, 84, 231–259.
Popper, K. (1934). Logik der Forschung.
Shubin, N. (2008). Your Inner Fish. Pantheon.
Silesius, A. (1675). Cherubinischer Wandersmann, I, 289: “Die Ros’ ist ohn’ warum.”
