Beste lezer,
Vandaag een essay over de man die in 1876 bij de arme weduwe aan de deur stond met een brood en een preek, en over het feit dat er nu niemand meer aan die deur staat.
In het kort. Steun aan wie het moeilijk heeft kwam vroeger van mensen die je kende, met dankbaarheid en vernedering in hetzelfde pakket. Nu komt die steun van een systeem dat niemand een gezicht geeft, en tegenover een systeem voelt niemand zich iets verschuldigd. Daar komt bij dat een land van achttien miljoen mensen nooit een echte gemeenschap kan zijn; het is een verhaal dat we met elkaar geloven, en dat verhaal moet worden onderhouden. Sinds de jaren tachtig doet de overheid dat niet meer, want zij ging zichzelf als bedrijf zien en de burger als klant. Diezelfde groeilogica haalt goedkope arbeid binnen en laat de buurt de rekening betalen. Eerlijk is eerlijk: kleinschaligheid heeft ook haar prijs, want elk dorp bood de afwijker de schandpaal.
De conclusie: geen complot, geen verdeel en heers, alleen onverschilligheid op grote schaal, en dat werkt net zo goed.
Vraag uzelf af aan wie u nog iets verschuldigd bent, en of u zijn naam kent.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Dankbaarheid zonder gezicht
In 1876 stond de armbezoeker van de kerk nog gewoon aan de deur. Hij kende de naam van de weduwe, wist hoeveel kinderen ze had en zag of er gedronken werd. Zijn steun was karig en ging gepaard met vermaningen, huisbezoek en de verwachting dat je zondag in de kerkbank zat. Romantisch was het niet. Wie steun kreeg, wist wel van wie die kwam: van de gemeente, de collectezak en de buren die iets beter bij kas zaten. De dankbaarheid die daarbij hoorde, was voor een deel afgedwongen. Toch was het dankbaarheid tegenover iemand.
Honderdvijftig jaar later komt het geld van niemand. Het staat op een rekening, gestort door een systeem, berekend door een algoritme en gefinancierd door miljoenen belastingbetalers die de ontvanger nooit zullen zien. Wat ooit gunst was, heet nu een recht. Dat is een beschaving waar we trots op mogen zijn, en een probleem dat we liever niet benoemen. Een recht zonder gezicht wekt geen dankbaarheid, en waar geen dankbaarheid is, voelt een plicht al snel als een overval.
Formeel zijn de plichten er nog volop: je moet solliciteren, een tegenprestatie leveren, formulieren invullen en je aan controles onderwerpen. Nederland is tegenover zijn uitkeringsgerechtigden niet bepaald laks. Wat verdwenen is, is het gevoel dat je iets verschuldigd bent aan mensen, en niet aan een instantie. De regels zijn gebleven, maar de wederkerigheid is eruit gelopen.
De schaalgrens
Een gemeenschap draait op twee dingen: gemeenschappelijkheid en vertrouwen. Beide hebben een grens. Het aantal mensen dat een mens werkelijk kan kennen ligt rond de honderdvijftig. Dat is de omvang van een dorp, een clan of een compagnie soldaten. Daarbinnen weet je wie betrouwbaar is, wie profiteert en wie je op een slechte dag helpt. Daarbuiten begint het gokwerk.
Een land van achttien miljoen is dus geen gemeenschap. Het is een verbeelde gemeenschap, een fictie die werkt zolang genoeg mensen erin geloven. Je voelt verwantschap met een onbekende in Groningen omdat jullie dezelfde taal spreken, dezelfde geschiedenis op school hebben gehad en hetzelfde volkslied half kennen. Die fictie is geen bedrog. Ze is de lijm die solidariteit op grote schaal mogelijk maakt. Zonder dat verhaal betaalt niemand vrijwillig mee aan de uitkering van een vreemde.
Een staat kan zelf geen gemeenschapszin hebben. Een staat heeft geen hart en geen geweten, alleen procedures. Hij kan wel de voorwaarden onderhouden waaronder burgers de fictie blijven delen, of ze laten verwaarlozen. Een staat die dat nalaat, hoeft niemand bewust uit elkaar te spelen. De lijm droogt dan vanzelf uit.
De burger als klant
Vanaf de jaren tachtig kreeg de overheid een nieuw zelfbeeld. Ze moest werken als een bedrijf, met prestatie-indicatoren, efficiëntiedoelen en verzelfstandigde uitvoeringsdiensten. De burger werd klant. Loketten gingen dicht, callcenters open. Dat was destijds geen gek idee: de oude bureaucratie was traag, duur en soms arrogant. Maar een klant is iemand met wie je een transactie aangaat, niet iemand bij wie je hoort.
Een bedrijf groeit of gaat ten onder. Groei werd ook de maatstaf voor het land: meer productie, meer export, meer handen aan het werk. Die expansiedrang had een logisch gevolg dat zelden in één adem met de verzorgingsstaat wordt genoemd.
Arbeid erin, kosten eruit
De gastarbeiders van de jaren zestig kwamen niet uit zichzelf. Ze werden geworven, met wervingsakkoorden en al, omdat de industrie om handen verlegen zat. Men dacht dat ze weer zouden vertrekken. De meesten bleven, haalden hun gezin over en bouwden hier een leven op. Niemand had daar een plan voor, omdat niemand dacht dat het nodig was.
Vandaag herhaalt hetzelfde patroon zich, alleen in een hoger tempo. Distributiecentra, kassen en slachterijen draaien op arbeidsmigranten. Universiteiten trekken buitenlandse studenten aan omdat die geld opleveren. Daarnaast is er de asielmigratie, zichtbaarder en cultureel verder verwijderd. Samen zorgen ze voor een bevolkingsgroei die woningmarkt, scholen en buurten sneller vult dan ze kunnen meegroeien.
De rekening valt steeds op dezelfde manier. De baten gaan naar het bedrijf, de kosten naar de buurt. De ondernemer krijgt goedkope arbeid en de gemeente een tekort aan woningen. De aandeelhouder ziet rendement, de basisschool een klas waarin de helft van de kinderen nog Nederlands moet leren. Een overheid die zelf als bedrijf denkt, ziet daar geen probleem in. Op de balans klopt het immers.
Onderzoek naar diversiteit en vertrouwen is minder dramatisch dan de onheilsprofeten beweren, maar ook minder geruststellend dan hun tegenstanders willen. Het effect is klein, maar het is er, en het is het sterkst waar mensen dicht op elkaar wonen. Wantrouwen ontstaat niet in de Tweede Kamer. Het ontstaat in het portiek. Waar groepen hun eigen taal, eigen media en eigen religieuze normen behouden, en die normen botsen met wat de meerderheid vanzelfsprekend vindt, rond vrouwen, homoseksualiteit of geloofsafval, daar raakt de gedeelde fictie haar greep kwijt. Niet omdat iemand dat wil, maar omdat niemand er meer in investeert. Integratie werd jarenlang overgelaten aan de goede wil van de nieuwkomer en het geduld van de buurman. Aan geen van beide was een overschot.
Het systeem dat niemand kent
De toeslagenaffaire laat zien waar dit eindigt. Er wás fraude. De Bulgarenfraude van 2013 was echt, en de politieke opdracht die volgde was helder: hard optreden. De uitvoering werd daarna een machine die niemand meer kende en daardoor iedereen wantrouwde. Duizenden ouders werden als fraudeur behandeld om een ontbrekende handtekening of een formulier dat te laat binnenkwam. Gezinnen raakten hun huis kwijt, soms hun kinderen.
Het ongemakkelijkste detail staat in de onderzoeksrapporten: nationaliteit telde mee in het risicomodel. Het wantrouwen tussen groepen zat dus niet alleen in de samenleving. Het was ingebouwd in de staat zelf. Een ambtenaar die tienduizend dossiers beheert, ziet geen moeders. Hij ziet afwijkingen. Zo keert het verlies aan cohesie zich tegen iedereen: tegen de nieuwkomer die als verdacht wordt aangemerkt, en tegen de autochtone burger die ontdekt dat de staat hem net zo weinig kent.
Het was geen kwade wil. Het was onverschilligheid op schaal. Het resultaat was er niet minder erg om.
De prijs van nabijheid
Wie terugverlangt naar kleinschaligheid, moet eerlijk zijn over de prijs. Het dorp van vroeger bood de meeloper geborgenheid en de afwijker de schandpaal. Sociale controle beschermt en verstikt, vaak in dezelfde beweging. Kleine gemeenschappen beheren gedeelde bronnen opmerkelijk goed, maar alleen dankzij duidelijke grenzen en stevige sancties. Gemeenschap bestaat bij gratie van wie erbij hoort, en dus ook van wie er niet bij hoort.
Daar ligt het dilemma dat bijna niemand hardop uitspreekt. Je kunt niet tegelijk een warme gemeenschap willen, een open grens, een markt die onbeperkt arbeid mag aantrekken en een staat die als bedrijf wordt bestuurd, en dan verbaasd zijn dat het vertrouwen wegloopt. Wie solidariteit wil, moet investeren in de fictie die haar draagt: in taal, in gedeelde verhalen, in een tempo dat een buurt kan bijbenen, en in een overheid die haar burgers weer kent in plaats van alleen berekent. Dat kost geld, grenzen en vooral aandacht. Aandacht staat niet op de balans.
De armbezoeker van 1876 stond aan de deur met een brood en een preek. De Belastingdienst van 2019 stond aan de deur met een terugvordering van dertigduizend euro. De eerste kende je naam. De tweede alleen je burgerservicenummer, en zelfs daarmee ging het soms mis.
Literatuur
Anderson, Benedict, Imagined Communities (1983)
Collier, Paul, Exodus (2013)
De Swaan, Abram, Zorg en de staat (1989)
Dinesen, Peter Thisted, Merlin Schaeffer & Kim Mannemar Sønderskov, “Ethnic Diversity and Social Trust”, Annual Review of Political Science (2020)
Dunbar, Robin, How Many Friends Does One Person Need? (2010)
Hood, Christopher, “A Public Management for All Seasons?”, Public Administration (1991)
Koopmans, Ruud, “Trade-Offs between Equality and Difference”, Journal of Ethnic and Migration Studies (2010)
Lindbeck, Assar, “Hazardous Welfare-State Dynamics”, American Economic Review (1995)
Ostrom, Elinor, Governing the Commons (1990)
Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Ongekend onrecht (2020)
Polanyi, Karl, The Great Transformation (1944)
Putnam, Robert, “E Pluribus Unum”, Scandinavian Political Studies (2007)
Scott, James C., Seeing Like a State (1998)
Tönnies, Ferdinand, Gemeinschaft und Gesellschaft (1887)
