Beste lezer,
Twee mannen aan de bar, tien minuten later ligt er een met een gebroken neus op straat. Vraag het aan allebei en je krijgt hetzelfde antwoord: hij begon het.
In het kort. Een grote wereldwijde studie laat zien dat mensen zichzelf overal het liefst als verdediger zien, nooit als aanvaller. Een felle wetenschappelijke ruzie erover liet zien dat iemands eigen motief nauwelijks voorspelt wat hij werkelijk doet. Dat past bij hoe het brein werkt: tijdens de klap beslist er niemand, pas achteraf verzint het hoofd een verhaal met een dader en een slachtoffer erin. Dat verhaal voelt waar, en daar zit het probleem, want zelfverdediging als rechtsgrond veronderstelt juist zo’n beslissend moment.
De conclusie is ongemakkelijk: aanvaller en verdediger bestaan niet tijdens het gevecht, ze worden pas erna verzonnen door wie het meest belang heeft bij een goed verhaal.
Lees het voor je de volgende ruzie aan de bar met droge ogen becommentarieert.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
Wie begon het
Twee mannen aan de bar, het is kwart voor twaalf, en een van de twee ligt over tien minuten met een gebroken neus op de stoep. Vraag het aan allebei en je krijgt hetzelfde antwoord: hij begon het. Niet gelogen, meestal. Beiden geloven het echt. De politie schrijft het op, de rechter moet er iets mee, en het hele juridische begrip zelfverdediging draait op de veronderstelling dat dat verhaal ergens een kern van waarheid bevat, dat er een moment was waarop de een besloot aan te vallen en de ander gedwongen werd zich te verdedigen. Die veronderstelling is precies het probleem, en een studie onder 18.128 mensen in 58 landen heeft er nu cijfers bij geleverd.
Jonas Kunst en een leger van coauteurs publiceerden begin dit jaar in PNAS een tweefactormodel van geweld: defensief extremisme, gericht op groepsbescherming, en offensief extremisme, gericht op dominantie. Netjes gescheiden, cultuuroverstijgend, in 56 van de 58 landen scoorde defensief hoger dan offensief. Mensen vinden zichzelf overal ter wereld liever verdediger dan aanvaller. Tot zover niets verrassends; dat wisten we al uit elke kroeggevechtverklaring ooit afgelegd. Interessanter is wat er ná die studie gebeurde. Twee andere onderzoekers, Romano en De Dreu, schoten er meteen doorheen met een repliek: intenties verklaren nauwelijks iets. Mensen labelen zichzelf als verdediger, maar die zelflabeling voorspelt hun daadwerkelijke gedrag amper. Kunst en collega’s antwoordden furieus dat geweld zich niet laat reduceren tot een laboratoriumspelletje. Een kleine oorlog binnen de wetenschap over hoe je een echte oorlog moet meten.
Ik lees dat debat met een lichte grijns, want het is precies de vraag waar ik al jaren op stuk loop met mijn eigen vechters. Een bokser die net heeft gewonnen, vertelt achteraf een verhaal over herkenning: over het moment dat hij zag wat de ander ging doen. Een bokser die net verloren heeft, vertelt een verhaal over verrassing, over pech, over een stoot die hij niet zag aankomen. Beide verhalen zijn constructies achteraf. Tijdens de klap zelf was er geen verteller aanwezig om iets te herkennen of te missen; er was alleen een lichaam dat reageerde op een patroon van bewegend licht, sneller dan bewustzijn kan bijhouden. De verteller komt pas achteraf opdraven om er een geschiedenis van te maken, compleet met motief, met intentie, met een hoofdpersoon die wist wat hij deed. Dat is geen boardroommetafoor, dat is gewoon hoe het zenuwstelsel werkt: er is geen bestuurder die vooraf besluit aan te vallen of te verdedigen, er is alleen gedrag, en pas daarna een verhaal dat het gedrag inlijst als aanval of als verdediging.
Precies daar wringt het bij Kunst versus Romano en De Dreu. Kunst meet wat mensen zeggen dat ze zijn: verdediger of aanvaller, via vragenlijsten die op zelfrapportage van motief steunen. Romano en De Dreu wijzen erop dat die zelfrapportage weinig voorspelt over wat iemand daadwerkelijk doet zodra het menens wordt. Twee kampen die allebei gelijk hebben binnen hun eigen definitie van het probleem, en allebei half naast de kern zitten, want de kern is dat “aanval” en “verdediging” geen eigenschappen van het gedrag zijn. Het zijn labels die je er ná afloop op plakt, meestal door de partij die het meest belang heeft bij een gunstig label. Dat is geen cynische onderstelling, dat is precies wat Nisbett en Wilson al in 1977 lieten zien: mensen rapporteren met volle overtuiging redenen voor hun gedrag die aantoonbaar niet de werkelijke oorzaak waren, en geloven die redenen zelf het hardst. Zelfbedrog werkt alleen als de bedrieger zijn eigen leugen niet als leugen herkent, een punt dat Robert Trivers al veel eerder had uitgewerkt: overtuig jezelf eerst, dan overtuig je de rest moeiteloos mee. Vertel de agent dat jij hem probeerde te ontwijken en dat hij de confrontatie zocht, en je gelooft het zelf voor je bij de balie van het bureau staat.
De reden dat dit meer is dan een academische kibbelpartij, is dat onze hele rechtsorde op het intentiemodel gebouwd is. Zelfverdediging als juridische grond bestaat bij de gratie van een aantoonbaar onderscheid tussen wie begon en wie reageerde. Rechters vragen naar opzet, naar voorbedachten rade, naar het moment van de beslissing, terwijl de wetenschap steeds harder aantoont dat dat moment vaak niet bestond in de vorm die het recht veronderstelt. Niet dat er geen verschil is tussen een overval en een klap terugslaan, dat verschil is er evident wel, in de context, in de herhaling, in het machtsverschil tussen partijen. Wel is het verschil zelden te herleiden tot een innerlijke keuze op het beslissende moment, eerder tot een patroon dat je pas ziet als je uitzoomt: wie initieerde de escalatiereeks, wie had eerder een uitweg, wie herhaalde het gedrag eerder. Precies de indeling die ecologisch-dynamische bewegingswetenschappers als Rob Gray hanteren als ze naar sport kijken: niet de intentie van de sporter is de verklarende variabele, maar de interactie tussen twee lichamen die voortdurend op elkaars bewegingsmogelijkheden reageren. Vervang bokser door burger en je hebt zo ongeveer de blinde vlek van het strafrecht te pakken.
Wat mij het meest bevalt aan de botsing tussen Kunst en zijn critici, is dat allebei impliciet toegeven wat rechters en columnisten liever niet hardop zeggen: het bestuurdersverhaal is een sociale technologie, geen beschrijving. We hebben het woord “verdediging” nodig omdat een samenleving zonder morele boekhouding van schuld en onschuld binnen de kortste keren onleefbaar wordt; probeer maar eens een verzekeringspolis te schrijven zonder het begrip aansprakelijkheid. Maar de behoefte aan het verhaal is geen bewijs voor de waarheid van het verhaal. Dat de leugendetector van het eigen brein overal ter wereld hetzelfde antwoord geeft, “ik was de verdediger”, zoals de 58-landenstudie laat zien, bewijst vooral hoe universeel en hoe nuttig die zelfbedrogreflex is, niet hoe accuraat.
De volgende ronde in dit debat zal niet gaan over wie er gelijk had, Kunst of zijn critici, dat is de verkeerde vraag. De volgende ronde zou moeten gaan over wat we doen met een rechtssysteem, een moraal en een zelfbeeld die allemaal draaien op een onderscheid waarvan de wetenschap steeds overtuigender aantoont dat het pas achteraf ontstaat. Tot die dag blijven we aan de bar staan, allebei overtuigd dat de ander begon, en de barman heeft waarschijnlijk nog altijd het beste zicht op wat er werkelijk gebeurde.
Bronnen:
Jonas R. Kunst e.a., “The Psychology of Offensive and Defensive Intergroup Violence: Preregistered Insights from 58 Countries,” PNAS (2026);
Romano & De Dreu, “Intentions poorly explain how and why people engage in offensive and defensive forms of violence,” PNAS (2026), met weerwoord van Kunst e.a.;
Nisbett & Wilson, “Telling More Than We Can Know” (1977);
Robert Trivers, werk over zelfbedrog als evolutionaire strategie; Rob Gray, ecologische dynamica in sport.
