Beste lezer,
Twintig mannen in een sportzaal knikken bij een techniek die niet werkt, en zestien van hen zeggen op de parkeerplaats dat ze het onzin vinden; elk van hen denkt dat hij de enige is.
In het kort. Mensen verdedigen in het openbaar meningen die ze privé niet hebben, omdat ze denken dat de meerderheid die mening wel heeft. Die meerderheid bestaat meestal niet; iedereen om hen heen doet precies hetzelfde. Zo dronken studenten in Princeton meer dan ze wilden en hielden blanke Amerikanen de rassenscheiding overeind waar de meesten van hen al tegen waren. Dat is geen lafheid. Hersenonderzoek laat zien dat afwijken van de groep in het hoofd wordt verwerkt als een fout die hersteld moet worden, nog voordat iemand zijn mond opendoet; wie zich aanpast, ziet de wereld anders, hij liegt niet. Daarom kunnen regimes en taboes in één nacht kantelen zonder dat iemand van mening is veranderd. Alleen de schatting van wat de anderen vinden slaat om. Op sociale media verdwijnt dit niet; daar bepalen de luidste tien procent wat de zwijgende rest denkt dat “wij” vinden.
De conclusie: het maatschappelijk debat wordt gevoerd door mensen die elkaars vermeende standpunten vertolken, terwijl hun eigen mening thuis op de bank is blijven zitten.
Tel vandaag eens hoe vaak u iets beaamt waar u het niet mee eens bent; het antwoord houdt u vast voor uzelf.
Peter Koopman
Voormalig sportdocent, maar vooral amateur-antropoloog van de menselijke illusie — gespecialiseerd in de kruising tussen biologie, gedrag, macht, zelfbedrog en ons absurde verlangen naar validatie.
De mening die thuisbleef
Over pluralistic ignorance, en waarom het maatschappelijk debat wordt gevoerd door mensen die er zelf niet in geloven
I
Een dojo, dinsdagavond. De leraar demonstreert een techniek die tegen elke serieuze tegenstander niet werkt, en twintig volwassen mannen knikken. Spreek ze na afloop op de parkeerplaats, één voor één, en zestien van de twintig zeggen dat ze het onzin vinden. Vraag ze wat de anderen ervan vinden en het antwoord is steevast: die geloven erin. Zestien mensen die zwijgen omdat ieder van hen denkt de enige te zijn. De leraar weet het zelf ook, maar meent dat de groep het van hem verwacht. Niemand in dat zaaltje liegt bewust. Er is alleen een collectieve inschatting die niemand ooit heeft gecontroleerd, en die iedereen met zijn eigen zwijgen elke week opnieuw bevestigt.
II
Het verschijnsel heeft een naam sinds 1931, toen twee Amerikaanse sociaal-psychologen bij studenten in Syracuse merkten dat vrijwel iedereen privé bepaalde campusregels afwees en tegelijk dacht dat de meerderheid ze steunde. Ze noemden het pluralistic ignorance: meervoudige onwetendheid, een groep die zich vergist over zichzelf. Zestig jaar later kreeg het zijn beroemdste demonstratie, weer op een campus, dit keer Princeton, met bier in plaats van huisregels. Studenten kregen de vraag hoe comfortabel ze zich voelden bij de drinkcultuur op de universiteit, en daarna hoe comfortabel hun medestudenten zich daarbij voelden. Bijna iedereen zat privé op dezelfde ongemakkelijke lijn, en bijna iedereen dacht dat hij daarin alleen stond. Het gevolg was voorspelbaar: de mannen pasten hun gedrag aan de vermeende norm aan en dronken meer dan ze wilden, om te horen bij een meerderheid die niet bestond.
Dat is geen studentenkwaal. In de jaren zeventig bleek dat blanke Amerikanen de steun voor rassenscheiding onder andere blanken schromelijk overschatten, en hun eigen afkeer dus voor een minderheidsstandpunt hielden. Het systeem hield zichzelf overeind op een meerderheid van tegenstanders die elkaar nooit hebben geteld.
III
De gebruikelijke uitleg is lafheid, en dat is te makkelijk. Wie de klassieke conformiteitsproeven van de jaren vijftig kent, weet dat een derde van de proefpersonen een evident foute lijnlengte beaamde zodra een handjevol ingehuurde mededeelnemers dat voordeed. Vijftig jaar lang gold dat als een studie over toegeven. In 2005 werd het experiment herhaald met de deelnemers in een hersenscanner. De verwachting was activiteit in de frontale gebieden waar afwegingen worden gemaakt, het zichtbare spoor van iemand die tegen beter weten in meebuigt. Dat spoor was er niet. Wat wel veranderde, bij de conformerende deelnemers, was de activiteit in de pariëtale en occipitale schors, de gebieden die de ruimtelijke waarneming zelf verzorgen. Ze gaven niet toe. Ze zagen anders.
Vier jaar later kwam er een nog onaangenamer detail bij. Onderzoekers in Nijmegen lieten proefpersonen gezichten beoordelen en toonden daarna het groepsoordeel. Bij afwijking van de groep vuurde de mediale frontale cortex een signaal af dat identiek is aan wat het brein produceert bij een verkeerde gok in een leertaak: een voorspellingsfout, het interne “dat ging mis” waarmee een organisme zijn gedrag bijstelt. Hoe sterker dat signaal, hoe groter de kans dat de deelnemer bij een tweede beoordeling naar de groep opschoof. Conformeren is dus geen besluit dat ergens in een vergaderzaal boven in het hoofd wordt genomen. Het is een leeralgoritme, hetzelfde dat je leert een hete pan los te laten, en het corrigeert sociale afwijking zoals het een misgreep corrigeert.
Leg dat naast Princeton en de dojo. Iedere man in die zaal draagt een foutdetector die aanslaat op afwijking van wat hij denkt dat de groep vindt. Die schatting is fout, want de groep bestaat uit mensen met dezelfde detector en dezelfde foute schatting. Wat wij een mening noemen, is in de praktijk een bijgewerkte inschatting van de meerderheid, met een klein correctietermpje voor eigen smaak. Het maatschappelijk debat is een gesprek tussen mensen die elkaars vermeende standpunten vertolken, terwijl de eigen mening thuis op de bank is achtergebleven.
IV
Een Turks-Amerikaanse econoom heeft daar in 1995 het politieke vervolg op geschreven. Hij noemde het preferentievervalsing: het openbaar verkondigen van een voorkeur die niet de jouwe is, uit angst voor de reactie van mensen die precies hetzelfde doen. Zijn vraag was waarom regimes die decennialang solide leken, in één nacht kunnen kantelen zonder dat er iets in de machtsverhoudingen is veranderd. Zijn antwoord: er verandert ook niets aan de voorkeuren. Er verandert iets aan de schatting. Op 21 december 1989 stond een Roemeense dictator op zijn balkon voor een menigte die hij zelf had laten aanrukken, en ergens achterin begon iemand te joelen. Wie de beelden kent, ziet in zijn gezicht het moment waarop de schatting omslaat, bij hem en bij honderdduizend anderen tegelijk. Vier dagen later was hij dood. Het regime was niet zwakker geworden. Het was al twintig jaar een keizer zonder kleren, in stand gehouden door een menigte die meende dat de buurman het kleed wel zag.
Dat kantelpunt kun je met een simpel drempelmodel beschrijven: ieder mens heeft een eigen aantal anderen dat hij eerst wil zien opstaan voordat hij zelf opstaat, en de verdeling van die drempels bepaalt of een groep ontploft of eeuwig blijft zitten. Het gemene is dat je die verdeling niet kunt zien, omdat de drempels zelf verborgen voorkeuren zijn. De ineenstorting is dus per definitie onvoorspelbaar, en achteraf per definitie onvermijdelijk. Iedere herinnering aan MeToo, aan een sportbond die in één maand zijn hele cultuur afzwoer, aan een bedrijfstak die een dogma losliet zodra één grote speler hardop zei wat iedereen al dacht, volgt hetzelfde script.
V
De tegenwerping ligt voor de hand: maar mensen zeggen tegenwoordig juist álles, op elk platform, de hele dag door. Dat klopt, en het is dezelfde mechaniek in spiegelbeeld. Online conformeert men niet aan de landelijke meerderheid maar aan de vermeende consensus van de eigen bubbel, en die schatting wordt geleverd door de luidste tien procent, omdat de rest meeleest en zwijgt. Onderzoek naar polarisatie op sociale media laat precies dat zien: de gematigde meerderheid houdt haar mond, de extremen bepalen het beeld, en de zwijgers passen hun idee van “wat wij vinden” aan het beeld aan. Preferentievervalsing verdwijnt niet in het tijdperk van de vrije meningsuiting. Ze verhuist alleen, en krijgt er een algoritme bij dat de foute schatting elke dag ververst.
Blijft over het deterministische gif in de staart. Als de groep je waarneming verandert en niet je antwoord, dan is “ik durf tenminste te zeggen wat ik denk” een leeg compliment. De man die op de parkeerplaats als eerste hardop zegt dat de techniek niet werkt, is niet moediger dan de andere vijftien. Zijn foutdetector is minder gevoelig afgesteld; het Nijmeegse onderzoek vond precies die individuele variatie, en ze voorspelde wie bijdraaide en wie niet. Moed als afwijking in de hardware, geen deugd. De dissident is een organisme met een defecte thermostaat, en het is een gelukkig toeval dat een samenleving af en toe zo iemand nodig heeft.
De leraar demonstreert volgende week dinsdag dezelfde techniek. Twintig man knikken. Ik ook, vermoedelijk, en dat ik nu weet waarom, helpt precies niets.
Literatuur
Andersen, H. C. (1837). Keiserens nye Klæder. In Eventyr, fortalte for Børn. Reitzel.
Asch, S. E. (1956). Studies of independence and conformity: A minority of one against a unanimous majority. Psychological Monographs, 70(9), 1–70.
Bail, C. A. (2021). Breaking the Social Media Prism: How to Make Our Platforms Less Polarizing. Princeton University Press.
Berns, G. S., Chappelow, J., Zink, C. F., Pagnoni, G., Martin-Skurski, M. E. & Richards, J. (2005). Neurobiological correlates of social conformity and independence during mental rotation. Biological Psychiatry, 58(3), 245–253.
Granovetter, M. (1978). Threshold models of collective behavior. American Journal of Sociology, 83(6), 1420–1443.
Katz, D. & Allport, F. H. (1931). Students’ Attitudes: A Report of the Syracuse University Reaction Study. Craftsman Press.
Klucharev, V., Hytönen, K., Rijpkema, M., Smidts, A. & Fernández, G. (2009). Reinforcement learning signal predicts social conformity. Neuron, 61(1), 140–151.
Kuran, T. (1995). Private Truths, Public Lies: The Social Consequences of Preference Falsification. Harvard University Press.
O’Gorman, H. J. (1975). Pluralistic ignorance and white estimates of white support for racial segregation. Public Opinion Quarterly, 39(3), 313–330.
Prentice, D. A. & Miller, D. T. (1993). Pluralistic ignorance and alcohol use on campus: Some consequences of misperceiving the social norm. Journal of Personality and Social Psychology, 64(2), 243–256.
